Het Boek der Liederen (Shijing), ook wel Boek der Oden of Liederen volgens de traditie van Mao (Maoshi) genoemd, is een verzameling van 305 zeer oude Chinese gedichten. De liederen stammen uit de tijd tussen de elfde en de zesde eeuw v.Chr. Het boek behoort tot de Vijf Klassieken en daarmee ook tot de Confucianistische Klassieken. Het werk heeft een bijzonder grote invloed uitgeoefend op de Chinese cultuur. Sinds de Han-tijd is Shijing het werk dat door Chinese geleerden het meest is geciteerd. Die citaten werden vaak gebruikt om ingenomen standpunten te verduidelijken of om op verdekte wijze een bepaald standpunt te kunnen innemen.

Ontstaan thumb|300px|Pagina uit het Boek der Liederen. De tekst is door Keizer Qianlong (1735-1796) persoonlijk gekalligrafeerd (Nationaal Paleismuseum, Taipei, Taiwan) Volgens de traditie is het materiaal voor Shijing bijeengebracht door ambtenaren. Zij moesten in opdracht van het Zhou-hof uit alle delen van het rijk liederen verzamelen die door het volk werden gezongen. Volgens Shiji zou Confucius uit de meer dan 3000 liederen een selectie hebben gemaakt. Die werd geplaatst in Shijing. Of Confucius daadwerkelijk Shijing heeft samengesteld is twijfelachtig. Wel hebben Confucius en zijn directe volgelingen regelmatig uit Shijing geciteerd. Nu wordt aangenomen dat Shijing reeds in de 6e eeuw v.Chr. bestond, vermoedelijk onder de naam Driehonderd gedichten (詩三百, Shi sanbai).

Shijing werd verboden onder de Qin. Drie geleerden hebben daarop het werk uit het hoofd geleerd, waardoor er aan het begin van de Han-tijd drie versies bestonden. Zij waren afkomstig van Shen Pei Gong (申培公) uit Lu 魯, Yuan Gu Sheng (轅固生) uit Qi 齊 en Han Sheng (韓生) uit Han. Deze versies staan bekend als het Commentaar van de drie scholen (San Jia Shi, 三家诗) en behoorden mogelijk tot de nieuwe tekst (jinwen). Deze versies zijn verloren geraakt, de versie uit Lu als laatste, rond 300 na Chr. Er bestaat nog wel een commentaar op de versie uit Han, Hanshi waizhuan (韓詩外傳, letterlijk: Commentaar van buitenaf op de Han liederen), die anekdotes over morele kwesties bevat. De enige bewaard gebleven versie en daarmee de basis voor het huidige werk is gebaseerd op een manuscript afkomstig uit de verzameling van Mao Heng (毛亨). Dit werd eind 2e eeuw v.Chr. overhandigd aan prins Xian van Hejian (河間獻王), vader van de latere keizer Wudi. Het werk werd van een toelichting voorzien door Mao Heng en zijn zoon Mao Chang (毛萇). Shijing wordt daarom ook wel Maoshi genoemd. Zij behoorde mogelijk tot de oude tekst (guwen).

Maoshi werd rond het begin van onze jaartelling de officiële versie van Shijing. Zheng Xuan (鄭玄 127-200) voorzag het werk van een belangrijk, confucianistisch commentaar. Keizer Taizong (627-649) wenste de 'juiste betekenis van de Vijf Klassieken' (Wujing zhengyi, 五經正義) vast te stellen en gaf Kong Yingda (孔穎達 574-648) opdracht tot het schrijven van een commentaar op Maoshi. Dat werd maoshi zhengyi (毛詩正義, de juiste betekenis van Maoshi) en werd toen beschouwd als de standaardversie.

Rond 1177 voltooide Zhu Xi zijn Shiji zhuan (詩集傳, het Boek der Liederen voorzien van commentaar). Zijn uitleg was gedurende de hierop volgende zeshonderd jaar de meest gezaghebbende. Volgens hem bevatte Shijing ook erotische gedichten. Het waren weliswaar 'verdorven gedichten' (yinshi, 淫詩), maar zij waren door Confucius toegevoegd om te laten zien hoe men zich niet moest gedragen. Hij verwierp daarmee de moralistische uitleg die zijn voorgangers aan de erotische gedichten hadden gegeven.

Samenstelling In Shijing worden in totaal 311 gedichten genoemd. Van zes daarvan is de tekst verloren geraakt en is slechts de titel bekend. De overige 305 zijn verdeeld in 4 categorieën: 160 volkswijsjes van de staten, 74 kleine lofzangen, 31 grote lofzangen en 40 hymnen. In onderstaande tabel is de doorlopende nummering van de 305 volledig overgeleverde liederen die van de klassieke Mao-school uit de Han-tijd. De titel van elk gedicht is steeds ontleend aan woorden uit de eerste versregel. De hieronder weergegeven titelvertalingen zijn van Johan Schotman (1892-1976) uit zijn in 1969 uitgegeven Sji Tsjing (zij het dat eigennamen zijn herschreven in pinyin).

Volkswijsjes De 160 volkswijsjes (feng, 風 ook wel guofeng, 國風, volkswijsjes van de staten), hebben het karakter van volksliedjes. Zij zijn ontstaan in de achtste en zevende eeuw v.Chr. en behandelen alle aspecten van het dagelijkse leven. De liefde wordt in zeer directe bewoordingen beschreven. In de latere confucianistische traditie werd het morele aspect van de liefde benadrukt, westerse wetenschappers benadrukken eerder het volkse karakter. De meeste gedichten zijn kort. Elke versregel bestaat uit vier syllaben, een stanza uit vier of zes van zulke regels en een gedicht uit twee of drie stanza's. De liederen zijn uitgesplitst naar vijftien staten van de Noordchinese laagvlakte. Mogelijk gaat het hier om volkswijsjes uit deze staten zelf, die daarna zijn bewerkt aan het hof van Zhou.

Boek Nr. Titel Vertaling Opmerkingen 1 1-11 Zhounan feng (周南風): (1) Guan ju (關雎) (2) Ge tan (葛覃) (3) Juan er (卷耳) (4) Jiu mu (樛木) (5) Zhong si (螽斯) (6) Tao yao (桃夭) (7) Tu ju (兔罝) (8) Fou yi (芣苢) (9) Han guang (漢廣) (10) Ru fen (汝墳) (11) Lin zhi zhi (麟之趾)Liederen uit Zhou en de zuidelijke staten: De visdiefjes De woekerende slingerboom De stekelnoot Treurende bomen De sprinkhanen De schone perzikboom De hazenvanger Weegbreezaad De brede Han (rivier) Langs de oevers van de Ru (Hongrivier) De hoeven van de eenhoorn 2 12-25 Shaonan feng (召南風): (12) Que chao (鵲巢) (13) Cai fan (采蘩) (14) Cao chong (草蟲) (15) Cai pin (采蘋) (16) Gan tang (甘棠) (17) Xing lu (行露) (18) Gao yang (羔羊) (19) Yin qi lei (殷其靁) (20) Biao you mei (摽有梅) (21) Xiao xing (小星) (22) Jiang you si (江有汜) (23) Ye you si jun (野有死麕) (24) He bi nong yi (何彼襛矣) (25) Zou yu (騶虞) Liederen uit het vorstendom Shao en de zuidelijke staten: Het eksternest Alsem plukken De krekels Eendenkroos vergaren De wilde peer De bedauwde weg In lamsvel Zwaar onweer Vallende pruimen Kleine sterren De Jiang heeft armen Dode antilope Bloesemweelde De brenger der vruchtbaarheid 3 26-44 Bei feng (邶風) (26) Bo zhou (柏舟) (27) Lu yi (綠衣) (28) Yan yan (燕燕) (29) Ri yue (日月) (30) Zhong feng (終風) (31) Ji gu (擊鼓) (32) Kai feng (凱風) (33) Xiong zhi (雄雉) (34) Pao you ku ye (匏有苦葉) (35) Gu feng (谷風) (36) Shi wei (式微) (37) Mao qiu (旄丘) (38) Jian xi (簡兮) (39) Quan shui (泉水) (40) Bei men (北門) (41) Bei feng (北風) (42) Jing nu (靜女) (43) Xin tai (新臺) (44) Er zi cheng zhou (二子乘舟) Liederen uit het vorstendom Bei De boot van cipressenhout Het groene kleed Twee zwaluwen Zon en maan De storm Tromgeroffel De milde wind De fazantenhaan De bittere pompoen De oostenwind Slap bewind De heuvelhelling O hoe prachtig! Het bronwater De noorderpoort Noordenwind Het ingetogen meisje De nieuwe toren Twee zoons te scheep gegaan Het vorstendom Bei ligt in de staat Wei 4 45-54 Yong feng (鄘風) (45) Bo zhou (柏舟) (46) Qiang you ci (牆有茨) (47) Jun zi xie lao (君子偕老) (48) Sang zhong (桑中) (49) Chun zhi ben ben (鶉之奔奔) (50) Ding zhi fang zhong (定之方中) (51) Di dong (蝃蝀( (52) Xiang shu (相鼠) (53) Gan mao (干旄) (54) Zai chi (載馳) Liederen uit het vorstendom Yong 't Bootje van cipressenhout De begroeide muur Vorstelijke levensgezellin Tussen de moerbeibomen Snel, snel zijn de kwartels Het bepalen van het midden De regenboog Zie de rat De ossenstaartvaren Haastige reis 5 55-64 Wei feng (衛風) (55) Qi yu (淇奧) (56) Kao pan (考槃) (57) Shuo ren (碩人) (58) Mang (氓) (59) ZhugGan(竹竿) (60) Wan lan (芄蘭) (61) He guang (河廣) (62) Bo xi (伯兮) (63) You hu (有狐) (64) Mu gua (木瓜) Liederen uit het vorstendom Wei Het bosje aan de Qi De oude hut Grote gestalte Die man De bamboehengel Het venusschoentje Brede rivier O, mijn heer! Daar is een vos De kweepeer Ook getranscribeerd als Wey 6 65-74 Wang feng (王風) (65) Shu li (黍離) (66) Jun zi yu yi (君子于役) (67) Jun zi yang yang (君子陽陽) (68) Yang zhi shui (揚之水) (69) Zhong gu (中谷有蓷) (70) Tu yuan (兔爰) (71) Ge lei (葛藟) (72) Cai ge (采葛) (73) Da che (大車) (74) Qiu zhong you ma (丘中有麻) Liederen uit het Koninklijk Domein Golvende gepluimde gierst Ten strijde trok mijn heer Mijn heer straalt van plezier Wegspoelend water Midden in 't dal is moederkruid De voorzichtige haas De wingerdsoorten Wingerd zoeken De staatsiekoets Op de heuvels groeit er vlas Bedoeld is het koninklijk domein van de Zhou 7 75-95 Zheng feng (鄭風) (75) Zi yi (緇衣) (76) Jiang Zhongzi (將仲子) (77) Shu yu tian (叔于田) (78) Da Shu yu tian (大叔于田) (79) Qing ren (清人) (80) Gao qiu (羔裘) (81) Zun da lu(遵大路) (82) Nu yue ji ming (女曰雞鳴) (83) You nu tong che (有女同車) (84) Shan you fu su (山有扶蘇) (85) Tuo xi (蘀兮) (86) Jiao tong (狡童) (87) Qian chang (褰裳) (88) Feng (丰) (89) Dong men zhi shan (東門之墠) (90) Feng yu (風雨) (91) Zi jin (子衿) (92) Yang zhi shui (揚之水) (93) Chu qi dong men (出其東門) (94) Ye you man cao (野有蔓草) (95) Zhen Wei (溱洧) Liederen uit het vorstendom Zheng 't Zwart zijden kleed Verzoek aan Zhong Zi Shu op jacht Het grote "Shu op jacht" De mannen van Qing Het lamsvel Langs de grote weg Meisje: 't is dag, de haan kraait Er zat een meisje in mijn wagen De berg heeft geurend tijm Verwelkte blaren! O, die nare jongen! De opgetilde rok Elegant Aan de oostpoort is een vlakte Wind en regen De diepblauwe kraag De vloed Als ik de oostpoort uit ga In de ruigten groeien rapen De Zhen en de Wei 8 96-106 Qi feng (齊風) (96) Ji ming (雞鳴) (97) Xuan (還) (98) Zhu (著) (99) Dong fang zhi ri (東方之日) (100) Dong fang wei ming (東方未明) (101) Nan shan (南山) (102) Fu tian (甫田) (103) Lu ling (盧令) (104) Bi gou (敝笱) (105) Zai qu (載驅) (106) Yi jie (猗嗟) Liederen uit het vorstendom Qi De haan kraait Vlotheid Het poortmuurtje Toen de zon in 't oosten stond In 't oosten nog geen licht Het zuidelijk gebergte De grote akker De honden rinkelen De versleten fuik De snelle rit Hoe droevig! 9 107-113 Wei feng (魏風) (107) Ge ju (葛屨) (108) Fen ju ru (汾沮洳) (109) Yuan you tao (園有桃) (110) Zhi hu (陟岵) (111) Shi mu zhi jian (十畝之閒) (112) Fa tan (伐檀) (113) Shuo shu (碩鼠) Liederen uit het vorstendom Wei Gevlochten sandalen Het drassig land bij de Fen De perzikboom in mijn tuin De begroeide heuvel Op die tien are Hardhout hakken Grote ratten 10 114-125 Tang feng (唐風) (114) Xi shuai (蟋蟀) (115) Shan you shu (山有樞) (116) Yang zhi shui (揚之水) (117) Jiao liao (椒聊) (118) Chou mou (綢繆) (119) Di du (杕杜) (120) Gao qiu (羔裘) (121) Bao yu (鴇羽) (122) Wu yi(無衣) (123) You di zhi du (有杕之杜) (124) Ge sheng (葛生) (125) Cai ling (采苓) Liederen uit het vorstendom Tang De krekels De berg heeft mastbomen Het woelige water De peperstruik Samengebonden De eenzame wilde peer Gekleed in lamsvel Fladderende buizerds Geen kleren Er staat een eenzame perenboom Een kruipplant woekert Truffels zoeken 11 126-135 Qin feng (秦風) (126) Che lin (車鄰) (127) Si tie (駟驖) (128) Xiao rong (小戎) (129) Jian jia (蒹葭) (130) Zhong Nan (終南) (131) Huang niao (黃鳥) (132) Chen feng (晨風) (133) Wu yi (無衣) (134) Wei Yang (渭陽) (135) Quan yu (權輿) Liederen uit het vorstendom Qin De knarsende wagen De vier appelschimmels De kleine strijdkar Het zeggegras De Zhong Nan De gele vogels De valk Geen kleren Naar Wei Yang Het gul begin 12 136-145 Chen feng (陳風) (136) Wan Qiu (宛丘) (137) Dong men zhi fen (東門之枌) (138) Heng men (衡門) (139) Dong men zhi chi (東門之池) (140) Dong men zhi yang (東門之楊) (141) Mu men (墓門) (142) Fang you que chao (防有鵲巢) (143) Yue chu (月出) (144) Zhu lin (株林) (145) Ze po (澤陂) Liederen uit het vorstendom Chen Op de Wan Qiu De olmen bij de oostpoort De bovenbalk bij de deur De vijver bij de oostpoort De populieren aan de oostpoort De graven aan de poort In de oeverwal een eksternest De maan rijst op Het bos van Zhu De walkant van 't moeras 13 146-149 Gui feng (檜風) (146) Gao qiu (羔裘) (147) Su guan (素冠) (148) Xi you chang chu (隰有萇楚)