thumb De grootinquisiteur van Sevilla (Russisch: Великий инквизитор, Veliki inkvisitor) (deel II, boek 5, hoofdstuk 5; II-5.5) is een bekend hoofdstuk uit het boek De gebroeders Karamazov van de Russische schrijver Fjodor Dostojevski uit 1879-1880. In een lange monoloog verdedigde de grootinquisiteur van Sevilla tegenover Jezus Christus het idee dat enkel de principes van de duivel leiden naar de universele eenwording van de mensheid: Geef de mens brood, beheers zijn geweten en heers over de wereld. Jezus beperkte zich tot een kleine groep van uitverkorenen; de katholieke kerk echter heeft zijn werk verbeterd en richt zich al eeuwen tot alle mensen. De kerk heerst over de wereld in naam van God, maar met de principes van de duivel. Jezus maakte de fout om een te hoge dunk van de mens te hebben.

Ivan Karamazov Dit geschrift van het personage Ivan Karamazov staat niet los van zijn andere theologische artikels en uitspraken. Zijn complexe persoonlijkheid was verscheurd door innerlijke tegenstellingen, een paradoxenjager die heen en weer geslingerd werd tussen zekerheid en twijfel, geloof en ongeloof, vergeving en vergelding, deugd en ondeugd. De atheïst Ivan Karamazov geloofde niet in God, maar nam het bestaan van God wel aan. Hij publiceerde theologische artikeltjes zonder zelf in zijn ideeën te geloven. De staat moest kerk worden; de mens moest zich verheffen tot god.

De grootinquisiteur van Sevilla vormde een van de vijf stappen in de ontmaskering van Ivan Karamazov.

Reactie op het boek Beginselen van het kerkelijk-maatschappelijk recht Een geestelijke had een boek geschreven over het kerkelijk recht, Beginselen van het kerkelijk-maatschappelijk recht, waarin hij stelde dat de kerk geen rijk van deze wereld was en beter een eigen positie zou innemen binnen de staat. Ivan Karamazov had in een dagbladartikel stevig gereageerd tegen deze stelling. Volgens hem moest de kerk juist wel een rijk van deze wereld worden. De kerk heeft een heilige en onveranderlijke voorbestemming: de wedergeboorte, opstanding en redding van de mens. Het hoofddoel van de verdere ontwikkeling van de christelijke maatschappij is dat de kerk de gehele staat dient te omvatten. Ieder aards rijk dient zich op den duur volledig om te vormen tot een kerk. De staat moet kerk worden op de ganse aarde, de staat stijgt op tot de status van kerk. De staat wordt daardoor alleen maar van de heidense weg op de juiste en waarachtige weg gebracht. Ivan wees de scheiding van kerk en staat volkomen af. Deze versmelting zal er steeds zijn, een compromis tussen kerk en staat is onmogelijk. De orthodoxe monniken waren enthousiast over het artikel van Ivan Karamazov, maar begrepen niet wat hij echt bedoelde.

Verklaringen aan een damesgezelschap Tijdens hetzelfde onderhoud werd de atheïst Pjotr Mioesov, voogd van Dmitri Karamazov, kwaad op Ivan en onthulde wat hij vijf dagen geleden in een voornamelijk uit dames bestaand gezelschap plechtig verklaard had. Er bestaat geen natuurwet dat de mensen elkaar zouden moeten liefhebben. Als er liefde bestaat, komt dat enkel en alleen omdat de mens in God gelooft. Als de mens niet meer in God gelooft, verschrompelt de liefde en iedere vitale kracht in de mens. Dan vervalt de zedenwet in het tegendeel. Zonder onsterfelijkheid geen deugd. Starets Zosima had toen al door dat Ivan zelf niet geloofde in de onsterfelijkheid van zijn ziel en de inhoud van zijn dagbladartikel.

Verklaringen aan zijn broer Aljosja Ivan verklaarde later aan zijn broer Aljosja: Ik heb nooit kunnen begrijpen hoe je je naasten kunt liefhebben. Juist je naasten kun je onmogelijk liefhebben. Hij was de man van uitspraken als Het ene ongedierte vreet het andere op en Alles is geoorloofd. Binnen een paar minuten verstond hij de kunst om te zeggen: Er zijn geen schuldigen. Ik zal me er nooit bij kunnen neerleggen. Ik heb vergelding nodig. Wat maal ik om vergelding? Ik wil vergeven en mijn schuldenaren omhelzen. Zij mag hem niet vergeven! Vergeving en vergelding kriskras door elkaar, van het ene uiterste in het andere.

De grootinquisiteur van Sevilla Ivan Karamazov had de inhoud van een gedicht bedacht en Aljosja was de eerste die het mocht horen. Zijn gedicht speelde zich af in het Sevilla van de zestiende eeuw, in die allerontzettendste tijd van de Spaanse Inquisitie toen tot meerdere ere Gods dag in dag uit de brandstapels oplaaiden. Nog maar net de dag te voren was in een 'autodafe vol pracht en praal' in de aanwezigheid van de koning, de adel, de ridderschap, kardinalen en de bekoorlijke hofdames en ten overstaan van het dichtbevolkte Sevilla door de kardinaal-grootinquisiteur bijna een honderdtal ketters verbrand ad majorem Dei gloriam.

De grootinquisiteur laat Jezus gevangennemen Jezus Christus verschijnt ten tonele om voor een enkel ogenblik zijn volk te bezoeken. Het volk omstuwt hem in een steeds grotere menigte. In de kathedraal van Sevilla wordt het lijkkistje van het zevenjarig enig dochtertje van een aanzienlijke inwoner binnengedragen. Op het moment dat Jezus het kind tot leven wekt, passeert de grootinquisiteur de kathedraal. Het is een rijzige grijsaard van bijna negentig jaar. Hij heeft alles gezien en beveelt zijn wacht die man te grijpen. De garde brengt de gevangene naar een duistere cel in de kelders van het Heilige Gerechtshof en sluit hem daarin op. De oude inquisiteur betreedt de gevangenis en spreekt Jezus aan. 'Ik' staat voor de grootinquisiteur, 'u' voor Jezus, 'hem' voor de duivel, 'wij' voor de kerk en 'zij' voor de mensen. Maar u hebt het recht niet om nog iets toe te voegen aan uw woorden van vroeger. Waarom bent u ons komen hinderen? Waarom bent u ons voor de voeten komen lopen? Morgen zal ik u tot de brandstapel veroordelen en laten verbranden als de ergste ketter.

De behoefte aan universele eenwording 'Voor wie moeten wij knielen?' De mens gaat met de grootst mogelijke spoed op zoek naar iets waarvoor hij zich op de knieën kan werpen. Er moet iets gevonden worden waarin allen kunnen geloven en waarvoor allen bereid zijn neer te knielen, maar dan ook beslist allemaal tegelijk. Deze behoefte aan gemeenschappelijke adoratie is dan ook de primordiale kwelling van de eenling en van de mensheid als totaliteit sedert het begin der tijden. Hoe kunnen zij eindelijk één grote eendrachtige mierenhoop vormen? De mensheid in haar totaliteit heeft er altijd naar gestreefd om zich over de hele wereld aaneen te sluiten. De behoefte aan universele eenwording is een kwellende vraag van de mensen.

De duivel stelt Jezus op de proef met drie vragen De grootinquisiteur verwijst naar een passage uit het evangelie. Nadat Jezus Christus zich had laten dopen door Johannes de Doper, werd hij door de Geest naar de woestijn gebracht om door de duivel op de proef gesteld te worden. Jezus werd onderworpen aan drie verzoekingen.

De geduchte en verstandige geest, de demon van zelfvernietiging en het niets, die grote geest heeft in de woestijn met u gesproken. Kan men iets van hogere waarheid te berde brengen dan wat hij u te kennen gaf in die drie vragen. Evenaart iets de kracht en diepte van de drie vragen die toen door die machtige en wijze geest in de woestijn aan u werden voorgelegd? In die drie vragen wordt de hele verdere geschiedenis van de mensheid voorspeld. Oordeel zelf wie gelijk had: u of degene die u destijds die vragen heeft voorgelegd?

Geef de mens brood Eerste verzoeking: Na veertig dagen en veertig nachten vasten kreeg Jezus ten slotte honger. De beproever kwam naar Hem toe en zei: 'Als U de Zoon van God bent, zeg dan dat deze stenen brood worden.' Hij antwoordde: 'Er staat geschreven: De mens zal niet leven van brood alleen, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt.'

Voedt ons, want zij die ons het vuur van de hemelen hebben beloofd, hebben het ons niet gegeven.' Zonder onze hulp zullen ze nooit in staat zijn zichzelf te voeden! 'Maak ons desnoods tot slaaf, maar geef ons te eten.' Geef de mens brood en hij zal u aanbidden. Het enige absolute middel om hen te dwingen voor u neer te knielen, hebt u verworpen, en dat was het aardse brood dat u van de hand wees.'

Beheers zijn geweten Tweede verzoeking: Toen nam de duivel Jezus mee naar de heilige stad, zette Hem op de rand van de tempel, en zei: 'Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: Zijn engelen zal Hij bevelen U op hun handen te dragen, zodat U aan geen steen uw voet zult stoten.' Jezus zei hem: 'Er staat ook geschreven: U zult de Heer uw God niet op de proef stellen.'

U hebt zich niet naar beneden geworpen. O, u begreep destijds best dat u door ook maar één voet te verzetten op dat moment meteen de Heer verzocht zou hebben en al uw geloof in hem zou hebben verloren. Dan zou u te pletter zijn geslagen tegen diezelfde aarde die u wilde redden. U komt met een vage belofte van vrijheid. Niets is ooit voor de mens en de menselijke samenleving zo onverdraaglijk geweest als juist de vrijheid! De mens zoekt met de meeste spoed degene aan wie hij die gave van de vrijheid kan overdragen. Zelfs de dood is de mens verkieslijker dan de vrije keuze in het onderscheiden tussen goed en kwaad. Er is niets verlokkender, maar ook niets kwellender voor de mens dan zijn gewetensvrijheid. Ze kunnen nooit vrij zijn, omdat zij zwak zijn. Verdorven zijn zij en opstandig, maar uiteindelijk zullen zij zich onderwerpen.

Vijftien eeuwen hebben we geworsteld met het probleem van die vrijheid, maar dat is nu voorbij, voorgoed voorbij. Die mensen zijn er volkomen van overtuigd dat zij volledig vrij zijn en ondertussen zijn ze zelf eerbiedig hun vrijheid aan onze voeten komen leggen. De mens is in aanleg een opstandeling; kunnen opstandelingen soms gelukkig zijn? Ze hebben u gewaarschuwd, maar u heeft op die raadgevingen geen acht willen slaan. Toen u de aarde verliet, heeft u gelukkig ons de zaak in handen gegeven. Er zijn drie krachten, de enige drie krachten op aarde die in staat zijn het geweten van deze zwakke rebellen tot hun eigen geluk te overwinnen en in de boeien te slaan en dat zijn: het wonder, het mysterie en de autoriteit. U heeft ze stuk voor stuk verworpen. De mens vraagt niet zozeer om God als wel om het wonder. En aangezien de mens het zonder wonderen niet stellen kan, zal hij zijn eigen wonderen wel creëren. U dorstte naar geloof in vrijheid, niet naar op wonderen gebaseerd geloof. Wij hadden het recht een mysterie te prediken en hen te onderwijzen dat de vrije beslissing van hun hart en hun liefde geen rol spelen, maar dat het om een mysterie gaat waaraan zij zich blindelings moeten overgeven. Wij hebben uw heldendaad geretoucheerd en gefundeerd op wonder, mysterie en autoriteit. En de mensen waren verheugd omdat zij weer als een kudde werden geleid en eindelijk de zo verschrikkelijke gave die hun zoveel miserie bezorgde uit hun hart werd weggenomen.

Heers over de wereld Derde verzoeking: Weer nam de duivel Jezus mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij liet Hem alle koninkrijken van de wereld zien met al hun pracht, en zei: 'Dit alles zal ik U geven, als U voor mij in aanbidding neervalt.' Toen zei Jezus hem: 'Ga weg, satan. Want er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen.' Toen liet de duivel Hem met rust, en er kwamen engelen om Hem van dienst te zijn.