Zeekoeien (Sirenia) zijn een orde van plantenetende, waterbewonende zoogdieren. Het is een kleine groep met vier levende vertegenwoordigers en enige tientallen uitgestorven soorten. Zeekoeien zijn volledig op het waterleven aangepast en komen nooit aan land.

Zeekoeien zijn te herkennen aan hun gespleten bovenlip en behaarde, gerimpelde kop en de relatief kale huid. Zeekoeien lijken uiterlijk op grote, plompe zeerobben, maar ze zijn hier niet aan verwant. Zeekoeien worden tot de Afrotheria gerekend en zijn daarbinnen het nauwst verwant aan de olifanten. Naast de walvisachtigen en de zeeroofdieren zijn de zeekoeien de derde groep zeezoogdieren als het gaat om het aantal soorten.

Anders dan zeeroofdieren hebben ze geen geschikte ledematen om zich op het land voort te bewegen en in tegenstelling tot walvissen houden ze zich steeds in de buurt van de kust of zelfs in zoet water op. Zeekoeien zijn de enige zeezoogdieren die strikt plantenetend zijn.

De orde van Sirenia omvat twee families met levende vertegenwoordigers. Dit zijn de doejongs (familie Dugongidae) en de lamantijnen (familie Trichechidae), die tezamen vier nog levende vertegenwoordigers tellen. Een vijfde soort, de stellerzeekoe, is in 1768 door menselijk toedoen uitgestorven.

Naamgeving De groep werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Johann Karl Wilhelm Illiger in 1811. Zeekoeien worden in andere talen ook wel aangeduid met 'sirenen', vanwege de gelijkenis met de figuren uit de Griekse mythologie. De wetenschappelijke naam Sirenia is hier van afgeleid. De naam sirenen wordt ook gebruikt voor een heel andere groep van dieren; een familie van salamanders (Sirenidae). Andere wetenschappelijke namen die voor de zeekoeien zijn gebruikt zijn Herbivorae Gray, 1821, Sirenoidea Van Beneden, 1855, Phycoceta Haeckel, 1866, Halobioidea Ameghino, 1889, Trichechiformes Hay, 1923 en Sireniformes Kinman, 1994.

De Nederlandstalige naam "zeekoeien" slaat op het vrij plompe uiterlijk en de gewoonte om planten op de bodem af te grazen. Deze naam is voor het eerst aangetroffen in Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlant (1287), in de vorm "zee coe". Maerlant bedoelde waarschijnlijk de doejong. Ook namen als 'meerswijn', 'Vacca marina' (letterlijk koe uit de zee) en 'Porcus marinus' (letterlijk varken uit de zee) werden in de Nederlandstalige literatuur gebruikt. De naam "zeekoe" is in de Nederlandse taal overigens ook gebruikt voor de walrus, het nijlpaard en de vis Heniochus varius. In het Afrikaans wordt het nijlpaard "seekoei" genoemd.

Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal is de term mogelijk terug te voeren op de op die van een rund gelijkende kop en op de geluiden die zeekoeien maken. Ook in andere talen wordt vaak deze naam gebruikt, zoals in het Engelse 'sea-cows', het Noorse 'sjøkyr' en het Duitse 'Seekühe' (dat ook 'meerkoeien' kan betekenen).

De grootste groep met nog levende vertegenwoordigers (drie soorten) zijn de lamantijnen. Deze naam is afgeleid van de Franse naam lamatins. De lamantijnen worden ook wel manati's of manaties genoemd. De andere groep, de doejongs, dankt zijn naam aan het Maleise woord 'duyung', dat zeemeermin betekent.

Verspreiding en habitat thumb|left|320px|Verspreiding van de moderne zeekoeien: De verspreidingsgebieden van de huidige zeekoeien overlappen niet en liggen deels op grote afstand van elkaar. Zo wordt de enige nog overlevende soort van de familie der doejongs (Dugongidae), de doejong (Dugong dugon), alleen aan de randen van de Indische Oceaan,in de Rode Zee Westelijk Afrika, Perzische Golf, zuidelijk India, grote delen van zuidelijk en westelijk Azië gevonden.

De in de 18e eeuw door de mens uitgeroeide stellerzeekoe leefde in de noordelijke Grote Oceaan. De lamantijnen (Trichechidae) leven in de Golf van Mexico, de Caraïbische Zee en voor de kust van Zuid-Amerika (Caribische lamantijn, Trichechus manatus), in het Amazonebekken van Zuid-Amerika (amazonelamantijn, Trichechus inunguis) en langs de kust en in de rivieren van West-Afrika, van Senegal tot Angola (West-Afrikaanse lamantijn, Trichechus senegalensis).

Ook veel uitgestorven soorten zijn slechts bekend van bepaalde locaties. Een uitzondering vormt Metaxytherium uit het Mioceen; de leden van dit geslacht kwamen rond de tropen wereldwijd voor. Van de soort Metaxytherium medium zijn zelfs in Nederland fossielen gevonden, terwijl Nederland relatief noordelijk gelegen is.

Alle moderne soorten leven in warme, ondiepe wateren waar hun favoriete voedselplanten groeien. De stellerzeekoe was hierop een uitzondering en kwam in kouder water voor, dicht bij de Noordpool. Vrijwel alle soorten leven in kustwateren in de zee en in riviermondingen. Zeekoeien komen zowel in zout, brak als zoet water voor. De Amazonelamantijn leeft uitsluitend in zoet water, maar de andere lamantijnen komen voornamelijk in zout water voor. De doejong is zelfs uitsluitend in zee te vinden. De huidige zeekoeien leven, net als de meeste van hun fossiele verwanten, zonder uitzondering in warme, subtropische tot tropische wateren. Van verschillende soorten is bekend dat ze leven in rivieren waar energiecentrales zijn gebouwd. De watertemperatuur is hier hoger door het lozen van koelwater.

Lichaamskenmerken Zeekoeien zijn relatief plompe dieren met een dik en torpedo-achtig lichaam. De verschillende soorten bereiken een lichaamslengte van 2,5 tot 4 meter en het gewicht varieert van 250 tot bijna 1600 kg. De stellerzeekoe, die in de 18e eeuw is uitgeroeid, werd zelfs tot acht meter lang en bereikte een gewicht van meer dan zes ton.

De lichaamskleur is grijs tot bruin of groenachtig. Vaak komt dit door aangroei van algen. Mannetjes zijn moeilijk van de vrouwtjes te onderscheiden.

Kop thumb|Kop van een doejong. Vergeleken met de romp is de kop verhoudingsgewijs groot. De afgeronde kop is niet afgesnoerd van het lichaam door een nek. De kop is duidelijk naar onderen gebogen, met name bij de doejongachtigen. De snuit is relatief lang en stomp. De neusgaten, die aan de bovenkant van de snuit zijn gepositioneerd, zijn bij de doejongs in vergelijking met de lamantijnen verder naar achteren geplaatst. De neusgaten staan hoog op de kop en kunnen worden afgesloten met klepjes, wanneer het dier zich onder water bevindt. Waarschijnlijk hebben zeekoeien een slecht ontwikkeld reukvermogen.

Wat opvalt aan de kop is de verticaal gespleten bovenlip, die net als de rest van de snuit voorzien is van talrijke dikke tastharen. De twee lipdelen worden gebruikt om planten vast te grijpen bij het eten.

Het zichtveld van de ogen overlapt, waardoor de dieren diepte kunnen zien. De ogen zijn relatief klein en hebben geen oogleden. Wel is een knipvlies aanwezig, dat vaak wordt gebruikt om de ogen schoon te houden. Oorschelpen ontbreken en ook de gehooropening is nauwelijks te zien. Zeekoeien kunnen ultrasone geluiden waarnemen en deze zelf ook produceren. Ook voor de mens hoorbare geluiden kunnen worden gemaakt. Het gehoor van een zeekoe heeft een bereik van 0,6 tot 46 kilohertz, maar ze zijn het gevoeligst voor geluid met een frequentie van 6 tot 20 kilohertz.

Huid De huid is zeer dik en het oppervlak is vaak glad tot enigszins gerimpeld. Bij de nog levende zeekoeien, die in tropische wateren te vinden zijn, is de opperhuid relatief dun, maar de stellerzeekoe had als aanpassing aan het koude poolwater een veel dikkere opperhuid (tot 7,5 cm). Zeekoeien schuren hun huid regelmatig tegen de rotsen. Onder de opperhuid is een dikke laag vet aanwezig, ook wel blubber genoemd. Deze speklaag komt ook voor bij andere in zee levende zoogdieren en dient als bescherming tegen lagere temperaturen van het water en ook als voedselbuffer.

De vacht is beperkt tot enkele borstels bij de mondopening en afzonderlijke haren op de romp, maar embryo's hebben nog een volledig haarkleed en ook bij pasgeboren jongen zijn duidelijk meer haren aanwezig dan bij volwassen dieren. De haren hebben een functie als tastzintuig; zeekoeien tasten hiermee de omgeving af.

Poten en staart thumb|Nagels aan de vingers van de Caribische lamantijn. De basale vormen van zeekoeien uit het Eoceen hadden nog duidelijke achterpoten en leken op viervoeters. De voorpoten zijn sindsdien in vinachtige structuren veranderd, maar kunnen nog wel worden gebruikt als handen om voorwerpen vast te houden, bijvoorbeeld om planten te plukken en het voedsel naar de mond te brengen. De jongen worden door de moeder gezoogd door ze met de voorpoten tegen de borst te drukken. De voorpoten hebben inwendig vijf duidelijk ontwikkelde vingers, slechts twee soorten hebben nog kleine nagels aan de voorpoten. De achterpoten zijn volledig gedegenereerd en zijn uitwendig niet meer te zien, al zijn in het skelet wel sporen van de gedegenereerde poten te vinden.

De voorpoten van de stellerzeekoe hadden een duidelijk kromming, dit is waarschijnlijk een aanpassing op het vergaren van voedsel. De stellerzeekoe gebruikte de poten voornamelijk om het lichaam over de bodem van de zee te verplaatsen.

De staart is, net als bij walvissen, tot een dorsolaterale (horizontale geplaatste) 'vin' omgevormd. Een huidspier, de dorsale musculus penniculus carnosus, is de belangrijkste slagspier van de staart geworden. De vorm van de staart is het duidelijkst zichtbare onderscheidingskenmerk tussen de twee nog levende families: doejongs hebben een driehoekige, enigszins gevorkte staart, de lamantijnen hebben een duidelijk afgeronde, lepelvormige staart.

Bouw van het skelet thumb|Schedels van verschillende zeekoeien (Caribische lamantijn, West-Afrikaanse lamantijn, doejong). Tekeningen door Johann Andreas Fleischmann. Net als bij walvissen kwam het bij zeekoeien tot een sterke toename van de dikte en dichtheid van de botten, doordat de kanalen van Havers en de holtes in het beenmerg gereduceerd werden. Het skelet werd meer gebruikt als ballast om gemakkelijker onder water te kunnen blijven. Het skelet, en daarmee het gehele dier, werd daardoor zwaarder. De botten zijn echter minder flexibel en breken gemakkelijker.

De schedel bezit een sterk verlengde, door het os praemaxillare gevormde snuit (rostrum), die bij de doejong daarnaast nog naar beneden is gebogen. De jukbogen zijn zeer breed en liggen hoog op de schedel. De kauwspieren zijn massief en de wangkauwspier is groot. De neusopeningen liggen ver naar achteren op de bovenkant van de schedel. Het achterste gedeelte van de schedel, het neurocranium, dat onder andere de hersenen bevat, is naar verhouding klein. Zeekoeien hebben nooit een sagittale kam, in tegenstelling tot verwante zoogdieren.

Het gebit is bij de twee families verschillend gevormd. Bij de lamantijnen vallen de snijtanden op jonge leeftijd uit, bij de doejong ontwikkelt de eerste snijtand zich bij de mannetjes tot een korte slagtand, maar breekt bij de vrouwtjes niet door de kaak heen. De hoektanden ontbreken volledig bij alle nog levende soorten. De tandwisseling verloopt, net als bij olifanten, horizontaal, maar dit kenmerk heeft zich in beide groepen onafhankelijk ontwikkeld. Hierbij komen de valse kiezen en kiezen na elkaar uit de kaak, als de voorste kies verloren gaat wordt deze vervangen door het exemplaar erachter. Bij de oudste fossiele vertegenwoordigers van de orde is het gebit nog volledig aanwezig, zodat slechts een normale tandwisseling mogelijk was. Het voorste gedeelte van het verhemelte is bedekt met verharde platen, die de kauwplaten worden genoemd en helpen om het voedsel te vermalen. Ook de tong is verhoornd. Van de stellerzeekoe is bekend dat de volwassen dieren helemaal geen tanden bezaten, maar alleen verhoornde platen in de bek had om het voedsel te vermalen.