De Dom van Utrecht (historisch Sint-Maartenskathedraal) is een markante gotische kerk in het midden van de Nederlandse stad Utrecht. De kerk werd vanaf 1254 gebouwd als voortzetting van de romaanse kathedraal van het rooms-katholieke bisdom Utrecht en was gewijd aan Sint-Maarten. Sinds 1580 is de kerk protestants. De 112,32 meter hoge Domtoren is de hoogste kerktoren van Nederland en het hoogste gebouw van Utrecht.
Beschrijving De Dom was tot de kerkelijke herindeling in 1559 de enige kathedraal in de Noordelijke Nederlanden, een gebied dat grofweg samenvalt met het huidige Nederland. Tot aan de ingebruikname van de Sint-Bavokathedraal in Haarlem in 1898 was de Dom de enige als kathedraal gebouwde kerk in Nederland.
Van het kerkgebouw resteren tegenwoordig het koor, het dwarsschip en de toren. Het schip, waarvan de bouw nooit was voltooid, stortte in 1674 in als gevolg van natuurgeweld. De Domtoren en het resterende deel van de Domkerk kwamen daardoor los van elkaar te staan. Bij het Domcomplex horen verder nog een kruisgang en de grote kapittelzaal (thans aula van de Universiteit Utrecht) waar in 1579 de Unie van Utrecht werd ondertekend. De kleine kapittelzaal van het Domcomplex, die tegen de westkant van de kruisgang was gebouwd, werd in de negentiende eeuw afgebroken.
De Utrechtse Dom is ondanks het ontbrekende schip en de ernstige vernielingen die de overgang naar het protestantisme rond 1578-1580 met zich meebracht, een van de belangrijkste gotische monumenten in Nederland. Zij was tevens een van de vroegste voorbeelden van de gotiek in Nederland en als enige gebouw hier te lande staat zij qua stijl dicht bij de klassieke Franse gotiek. Aan de huidige Dom ging een kathedraal in romaanse stijl vooraf.
In de middeleeuwen was een kapittel van kanunniken aan de Dom verbonden dat een eigen immuniteit bezat, een grondstuk waarop de wereldlijke macht niets in te brengen had. Behalve de kathedraal zelf stonden hier de woningen van de kanunniken en van 1040 tot 1253 ook het paleis Lofen van de keizer van het Heilige Roomse Rijk. De immuniteit van de Dom grensde aan de zuidzijde aan de immuniteit van de Sint-Salvatorkerk of Oud-Munsterkerk en het grondgebied van de bisschop, waarop diens paleis gebouwd was. Tussen beide kerken, op het grondgebied van de Sint-Salvator, stond een derde kerkje ingeklemd, de Heilig-Kruiskapel.
Vroegere bebouwing Eerste kerkjes De Dom is gebouwd op het terrein van het voormalige Romeinse castellum Traiectum. Midden in het Romeinse castellum stond destijds een stenen gebouw van circa 8 bij 7 meter. Vandaag de dag liggen de restanten ervan onder het door de tornado verdwenen middenschip van de Domkerk. Mogelijk was dit gebouw in de Romeinse tijd een tempeltje.L.R.P. Ozinga, T.J. Hoekstra, M.D. de Weerd et al, Het Romeinse castellum te Utrecht, 1989, Broese Kemink, Utrecht, , p. 36 met afb. 12, p. 54, p. 61 met noot 72a, p. 107-109 met afb. 70
Het oude Romeinse fort groeide in de vroege middeleeuwen uit tot de burcht Trecht. Dit bijzondere stukje Utrecht kan als de bakermat van het christendom in de Noordelijke Nederlanden worden beschouwd. Het begon met Frankische missionarissen die rond 630 in opdracht van koning Dagobert I binnen de resten van het castellum een houten kerkje bouwden, mogelijk al gewijd aan hun schutspatroon Sint-Maarten.Oude bronnen noemen echter de apostel Tomas als schutspatroon. Voor een samenvatting van de verschillende gezichtspunten over de vroegste kerken in Utrecht, zie het boek van Broer en de Bruijn in de Literatuurlijst. Daarbij de noot dat de bouw rond 630 ook wel een herbouw geweest zou kunnen zijn van een kerkje dat reeds omstreeks 600 werd gebouwd maar al binnen enkele decennia werd verwoest. Later die eeuw werd het heiligdom door de heidense Friezen verwoest.
Omstreeks 695 werd onder leiding van de Angelsaksische monnik Willibrord, die door de paus van Heilige Stoel tot aartsbisschop der Friezen was benoemd, een aan Sint-Maarten gewijde stenen kerk in Utrecht gebouwd. Bovendien stichtte Willibrord naast de Sint-Maartenskerk een tweede kerk, de Sint-Salvator. Waarschijnlijk werden beide kerken bediend door één gemeenschap van geestelijken. Willibrord maakte dit complex tot het centrum van waaruit hij de kerstening van de Noordelijke Nederlanden ondernam. Ook na zijn dood bleef Utrecht het kerkelijke centrum van deze streek, dankzij het bestuur van Gregorius van Utrecht en de definitieve inrichting van het bisdom Utrecht rond het jaar 777. Aan de kloostergemeenschap vormde zich tevens de destijds bekende Domschool waar uit binnen- en buitenland aanstaande geestelijken werden opgeleid.
Waar de Sint-Maartenskerk van Willibrord precies heeft gestaan, is nog volop onderwerp van discussie; opgravingen op het Domplein in 1929, 1936 en 1993 hebben nog geen uitsluitsel gegeven. Zowel de plaats van de huidige Dom als die van de verdwenen Heilig Kruiskapel komt in aanmerking. Ook is de vraag onopgehelderd of de Sint-Maartenskerk wel vanaf het begin de hoofdkerk van het prille bisdom was: de Sint-Salvatorkerk stond later immers ook bekend als Oud-Munster.'Munster' is in Germaanse landen traditioneel de benaming voor een grote kerk, meestal de hoofdkerk van een stad of klooster: Münster
Dom van Balderik De Noormannen verwoestten de kerken in 857 en bisschop Hunger nam de vlucht. Voor de Utrechtse bisschoppen volgde nu een lange periode van ballingschap in Deventer. Pas na 922, toen bisschop Balderik naar Utrecht terugkeerde, konden de kerkgebouwen worden hersteld. Balderik herbouwde of herstelde de Sint-Maartenskerk op de huidige plaats en mogelijk is hij degene geweest die het Utrechtse kapittel en de bijbehorende immuniteit in tweeën splitste en de Sint-Maarten tot de hoofdkerk van Utrecht maakte. Voor de bouw van de gotische Dom zou de aanwezigheid van de immuniteit van Sint-Salvator later nog verschillende problemen opleveren.
Balderik wist het aanzien van zijn nieuwe kathedraal te vergroten door het verwerven van belangrijke relieken van de heiligen Pontianus en Agnes. Hun feestdagen, 14 en 21 januari, zouden in het middeleeuwse Utrecht uitbundig gevierd worden. Balderik was ook de eerste bisschop die in de Sint-Maartenskerk werd begraven; zijn voorgangers waren in de Sint-Salvatorkerk bijgezet. Overigens is het onbekend hoe de 'Dom van Balderik' eruitgezien heeft.
Dom van Adelbold thumb|De Dom met tussen de Domtoren en het gotische koor het romaanse schip van de Dom van Adelbold. Fragment van een schilderij van een anoniem Utrechts schilder uit ca. 1460 (Centraal Museum, Utrecht). In 1017 werd de Dom van Balderik door brand verwoest. Hierna werd in korte tijd op dezelfde plaats een grote romaanse kathedraal gebouwd, die op 26 juli 1023 in tegenwoordigheid van keizer Hendrik II en twaalf bisschoppen werd gewijd. Dit bouwwerk staat bekend als de Ottoonse Dom of de Dom van Adelbold, naar bisschop Adelbold II, die de opdracht tot de bouw gaf.
thumb|left|200px|Zandstenen zuilfragment en half teerlingkapiteel van de Ottoonse Dom (Centraal Museum, Utrecht; gefotografeerd in het RMO, Leiden). Van deze directe voorganger van de huidige Domkerk zijn meer gegevens bekend dan van de Dom van Balderik. Aan de hand van opgravingen en schriftelijke bronnen heeft men verschillende pogingen tot reconstructie gedaan, maar die blijven steken op een nogal hypothetisch niveau.Tarquinius J. Hoekstra, 'De Dom van Adelbold II, bisschop van Utrecht (1010-1026)', in: Utrecht, kruispunt van de middeleeuwse kerk (Zutphen, 1988); A.J.J. Mekking, De Dom van bisschop Adalbold II te Utrecht. De architectuur en de rol van een elfde-eeuwse bouwheer (Utrecht, 1997); Arie de Groot, 'Een droom van een Dom. De Dom van Adelbold II, bisschop van Utrecht. Kanttekeningen bij een reconstructie', in: Jaarboek Oud-Utrecht (1998), pp. 5-44. Aangenomen wordt dat de Dom van Adelbold een westwerk bezat met daarvoor een atrium, afgesloten door een voorbouw ter plekke van de huidige Domtoren. De fundering van een van de twee traptorens die deze voorbouw flankeerden, is zichtbaar gemaakt in de tuin van het vroegere Bisschopshof direct ten zuiden van de huidige Domtoren. Ook moet deze romaanse Dom een Maartenstoren hebben gehad, die te beschouwen is als de voorganger van de huidige Domtoren.
In 2008 troffen archeologen ten zuidwesten van de Domtoren funderingen aan van het bisschoppelijk paleis, daterend uit de elfde eeuw. Het werd vermoedelijk onder bisschop Adelbold gebouwd na de brand van 1017. Ook kon worden aangetoond dat de westmuur van het Romeinse castellum voor het paleis moest wijken.R.P.J. Kloosterman (2010), Lichte Gaard 9. Archeologisch onderzoek naar het castellum en het bisschoppelijk paleis. Basisrapportage archeologie 41., StadsOntwikkeling gemeente Utrecht,
Adelbolds opvolger, bisschop Bernold, maakte de Dom omstreeks 1040 tot middelpunt van een kerkenkruis: daartoe liet hij rond het bestaande gebouw vier nieuwe kerken verrijzen: de Pieterskerk in het oosten, de Janskerk in het noorden, de kerk van de Paulusabdij in het zuiden en de Mariakerk in het westen (de Mariakerk kwam pas onder bisschop Koenraad tot stand). In de Dom van Adelbold zelf werden de ingewanden van twee in Utrecht gestorven Duitse koningen bijgezet: Koenraad II, overleden in 1039, en keizer Hendrik V, overleden in 1125. Hun lichamen werden naar de Dom van Speyer (Nederlands: Spiers) overgebracht.
De Dom van Adelbold werd in 1131 en 1148 bij stadsbranden gehavend. Bij de tweede brand was de schade kennelijk aanzienlijk, want de kerk werd pas op 22 juli 1173, de feestdag van Maria Magdalena, opnieuw ingewijd. Deze dag zou tot de Reformatie als de officiële kerkwijdingsdag blijven gelden en gaf elk jaar aanleiding tot grote feestelijkheden binnen en buiten de kathedraal. De relieken van Pontinus en Agnes werden in processie rondgedragen en er sloot een twintig dagen durende kermis op de dag aan.
Op 29 april 1253 brak er opnieuw een brand uit die negen dagen woedde en het grootste gedeelte van de stad in de as legde. Hoe groot de schade aan de Dom was, is niet te achterhalen, maar in elk geval werd er besloten tot de bouw van een geheel nieuwe kathedraal in de moderne gotische stijl. Delen van de Dom van Adelbold bleven echter nog tot het eind van de vijftiende eeuw in gebruik.
Gotische Dom: bouwgeschiedenis 1254–1320: kooromgang en zuidelijke koorzijbeuk thumb|Toestemming van paus Clemens IV in 1265 voor het verkopen van aflaten voor de bouw van de Dom. (bron: Het Utrechts Archief) thumb|Koor gezien vanuit het zuidoosten. thumb|De koorlantaarnsluiting recht naar boven gezien. thumb|De Dom vanuit het noorden in 1660, vóór de instorting van het schip. Ets door Steven van Lamsweerde. thumb|Interieur van de Dom in 1636, vóór de instorting van het schip. Tekening door Pieter Saenredam in het Utrechts Archief.
Het is mogelijk dat bisschop Hendrik van Vianden zelf de aanzet gegeven heeft tot de nieuwbouw. Deze bisschop was tevoren Domproost in Keulen geweest waar men in 1248 was begonnen met de bouw van een nieuwe gotische kathedraal. In 1254 legde hij de eerste steen voor de kooromgang van de nieuwe Dom van Utrecht.Het jaartal 1254 is slechts uit latere overlevering bekend. Zie Arie de Groot en Kaj van Vliet, De Domtafelen. Nieuw licht op 'overoude tafelen' uit de Utrechtse Dom, in: Jaarboek Oud-Utrecht 2004, p. 5-39,