thumb|Initialen leden Pre-Raphaelite Brotherhood, facsimile Millais, 1848. thumb|Rossetti’s The Girlhood of Mary Virgin is een van de eerste schilderijen van de prerafaëlieten, geschilderd eind 1848. thumb|Mariana door John Everett Millais naar een gedicht van Alfred Tennyson thumb|Hunts The Awakening Conscience: schilderij van een man met zijn maîtresse op schoot door William Holman Hunt De prerafaëlieten waren Engelse kunstenaars in het Victoriaans tijdperk, voornamelijk kunstschilders, die zich afzetten tegen de academische kunst als toen voorgeschreven door de Royal Academy of Arts. Prerafaëlieten wilden terugkeren naar de eenvoud zoals die bestond bij kunstenaars levend vóór Rafaël. Ze streefden eenvoudige composities en een nauwkeurige, realistische werkwijze na. De beweging begon in 1848 met de oprichting van een genootschap, de Pre-Raphaelite Brotherhood, met als belangrijkste leden William Holman Hunt, John Everett Millais en Dante Gabriel Rossetti.

Na 1860 ging de beweging geleidelijk over in een vorm van estheticisme, ook wel de 'aesthetic movement' genoemd. Belangrijke exponenten van deze tweede golf waren opnieuw Dante Gabriel Rossetti, Edward Burne-Jones, William Morris en Frederic Leighton en later ook John William Waterhouse en John Collier. De prerafaëlieten kenden nauwelijks een continentaal-Europese pendant, maar hadden wel invloed op het symbolisme en de jugendstil. In Nederland inspireerden de prerafaëlieten schilders als Matthijs Maris, Antoon van Welie en Richard Roland Holst.

Context In de negentiende eeuw groeide Groot-Brittannië uit tot de belangrijkste wereldmacht, leunend op een enorm koloniaal imperium, vooroplopend in de industriële revolutie. Engeland was een toonbeeld van vooruitgang, stabiliteit en nationale trots, maar ook van conservatisme.Typering naar Suzanne Veldinks essay Wat zijn de Pre-Raphaelite Brotherhood en de Aesthetic Movement, in Vluchten in Schoonheid, Den Haag, 2008 Vanuit deze victoriaanse grondhouding werd rond 1850 de Britse schilderkunst gedomineerd door de behoudende Royal Academy of Arts, geheel nog in de geest van hun oprichters Joshua Reynolds en Thomas Gainsborough. Op exposities waren voornamelijk genreachtige taferelen te zien, uitgevoerd in donkere, bruinachtige tinten. Vooruitstrevende kunstenaars werden geweerd.

Nadat eerder binnen de literatuur al een soort van tegenbeweging was gestart door romantische dichters als Blake, Keats, Shelley en Byron, begon halverwege de negentiende eeuw ook binnen de schilderkunst een voorzichtige kentering merkbaar te worden. In de jaren veertig begonnen invloedrijke critici het voor vernieuwing op te nemen. Met name de persoon van John Ruskin is daarbij van belang. Daarnaast deed ook de ontdekking van de fotografie haar invloed op de taak van de schilderkunst gelden, waarmee het esthetische en symbolische ging prevaleren boven het concrete onderwerp. Maatschappelijk gezien namen de sociale verschillen toe, waarbij voor de schilderkunst van belang was dat de sociale bovenlaag meer en meer mogelijkheden kreeg om ook zelf kunst aan te schaffen en een eigen smaak te doen gelden.Naar Metken: De prerafaëlieten, De Bilt, 1982, en Suzanne Veldink: Wat zijn de Pre-Raphaelite Brotherhood en de Aesthetic Movement, in Vluchten in Schoonheid, Den Haag, 2008

Begin van het genootschap In september 1848 richtten de jonge kunstenaarsvrienden William Holman Hunt, John Everett Millais en Dante Gabriel Rossetti in het ouderlijk huis van Millais, te Londen het genootschap de 'Pre-Raphaelite Brotherhood' op. Hunt en Holman studeerden toen nog aan de Royal Academy en Rossetti had er gestudeerd. De drie stonden al tijdens hun studie bekend om hun recalcitrante houding en vonden elkaar in hun afwijzing van het conservatieve beleid van de Royal Academy. Korte tijd na de oprichting sloten ook Rossetti’s broer en criticus William Michael Rossetti, alsook kunstschilder James Collinson, criticus Frederic George Stephens en beeldhouwer Thomas Woolner zich bij het versbakken kunstgenootschap aan. Daarmee was het zevenkoppige gezelschap een feit. Rossetti's privédocent en leermeester Ford Madox Brown wordt door sommige critici wel ooit het achtste lid genoemd, maar hoewel hij vaak met de leden verkeerde heeft hij formeel nooit deel uitgemaakt van het genootschap.Michael Robinson: The Pre-Raphaelites. Londen, 2007

De 'Pre-Raphaelite Brotherhood' begon als een informeel gezelschap dat zich verzette tegen de behoudende Royal Academy. Binnen de Academy werden de schilders Rafaël en Michelangelo, met hun streven naar geïdealiseerde schoonheid, gepresenteerd als het hoogtepunt in de Westerse kunstgeschiedenis. De prerafaëlieten beoordeelden hun werkwijze echter als mechanisch en hun composities als complex. Ze streefden dan ook vooral een simpele, pure, spirituele en direct invoelbare kunst na, nauwgezet naar de natuur. Voorbeelden werden vooral gevonden in de door de Royal Academy als 'primitief' bestempelde kunstenaars van het Italiaanse Quattrocento. Ook keken ze naar de Vlaamse Primitieven (onder andere Jan van Eyck), die door Rossetti en Hunt in 1849 te Brugge en Gent bestudeerd werden. Invloed ging verder uit van de Duitse kunstenaarsgroepering de Nazareners (binnen de Brotherhood geïntroduceerd door Ford Madox Brown), van wie ook het idee van een genootschap werd overgenomen. De leden van de Brotherhood waren onder de indruk van het naïeve vertrouwen dat deze schilders hadden in wat ze waarnamen, maar vooral ook van het feit dat ze zich niet lieten leiden door zelf opgelegde regels.

Gedachtegoed Als anti-academisch gezelschap wilde de 'Pre-Raphaelite Brotherhood' de 'stoffige' Engelse schilderkunst weer nieuw leven inblazen door alleen nog waardige, betekenisvolle onderwerpen af te beelden, met veel symboliek, niet zelden met een morele boodschap. Vaak hadden de onderwerpen hun wortels in de romantiek, ook wel geïnterpreteerd als een 'vlucht uit de werkelijkheid'.

thumb|300px|left|Millais’ Carpenter Shop veroorzaakte veel ophef vanwege de alledaagse uitbeelding van heilige personen. Onmiskenbaar is het typerende symboolgebruik: Jezus die zich aan de handpalm verwondt aan een spijker en bloedt op zijn voet, zijn neef Johannes de Doper die rechts met een kom water komt aangelopen. thumb|Rossetti’s 'Proserpina', Godin van de lente, uit 1874 (model Jane Morris). Proserpina wordt door Pluto vastgehouden in de onderwereld. Door haar van een granaatappel te laten eten verzekerde Pluto zich ervan dat zij slechts een deel van het jaar op aarde kon leven: een duidelijke referentie naar Rossetti's geheime liefdesrelatie met Jane Morris, die de vrouw van William Morris was. Het portret is te zien als voorbeeld van het zoeken naar pure schoonheid in de portrettering van vrouwen, sensueel en melancholisch. Vooral in de vroege periode van de Brotherhood kozen de leden meestal voor Bijbelse of historische taferelen, veelal uit de middeleeuwen. Vaak werden ook thema's ontleend aan romantische dichtwerken van bijvoorbeeld Keats of Tennyson. Daarbij gebruikten ze realistische en tegelijkertijd verfijnde schildertechnieken: gewerkt werd met een minutieuze nauwkeurigheid in het afbeelden van alle details. De bloemen en stofweefsels werden uitermate exact geschilderd, gebaseerd op nauwgezette studies in de natuur ('Gods grootheid'), die ze zo realistisch mogelijk wilden weergeven. Ze schilderden altijd volledig naar de werkelijkheid en liefst in een natuurlijke setting, terwijl ze op de Academie eigenlijk alleen geleerd hadden te schilderen naar gipsen modellen.

Minder realistisch en bewust anti-academisch waren de prerafaëlieten in hun compositieopbouw. Er was veel aandacht voor contrasterende elementen, waarbij ze de driedimensionaliteit opofferden aan het detail, in lijn met de kunstenaars uit het Quattrocento. Het was een bewust streven naar 'platheid', waarbij de hoofdactiviteit geplaatst werd op de voorgrond. Daarnaast was het kleurgebruik hard en fel, gevolg van het direct aanbrengen van pure pigmenten op een witte ondergrond, in navolging van frescotechnieken van kunstenaars van vóór Rafaël. Vooral dit intense, contrasterende kleurgebruik stond in sterke tegenstelling tot het toentertijd gangbare donkere kleurgebruik van de academici. Hunt zei ooit: “Waar het op aan komt is onderscheid te kunnen maken tussen de frisse kleuren van de natuur en de bruine saus van de academie-schilders”.

Het gedachtegoed van de Pre-Raphaelite Brotherhood werd in 1850-1851 verwoord in het literaire tijdschrift van het genootschap The Germ, dat viermaal verscheen. Het bevatte essays over kunst en literatuur, bijvoorbeeld van Ruskin, maar ook gedichten, onder andere van Dante Gabriel Rossetti zelf. Hierin moesten de ideeën op creatieve wijze tot uitdrukking komen.

De leden van de Brotherhood signeerden in de jaren van haar bestaan hun werken steeds met de initialen PRB, naast hun eigen naam, soms ook verborgen op onopvallende plekken in het schilderij.

De periode 1848 – 1860 In het voorjaar van 1849 maakten de leden van de Pre-Raphaelite Brotherhood een spraakmakende entree in de kunstwereld. Tijdens onderscheiden exposities presenteerden Millais het schilderij Isabella, naar een gelijknamig gedicht van Keats, Hunt het allegorische Rienzi en Rossetti zijn The Girlhood of Mary Virgin. Kort daarna volgden Millais Christ in the House of his Parents (The Carpenter Shop) en Rossetti's Ecce Ancilla Domini!.

thumb|300px|left|Millais’ Ophelia, een van de bekendste werken van de prerafaëlieten. Model Elizabeth Siddal poseerde dagenlang in een kuip met koud water, waardoor haar gezondheid ernstig werd aangetast. Deze anekdote werd later veelvuldig aangehaald als voorbeeld voor het 'lijden voor de kunst' thumb|Burne-Jones: The Golden Stairs, 1876, een allegorische voorstelling van de jeugd die waardig maar toch opgewekt op weg is naar de volwassenheid; de iets oudere vrouw linksonder bij de deur blikt nog eenmaal om. Burne-Jones had uitzonderlijk veel aandacht voor ieder detail, waardoor het soms jaren duurde voor zijn schilderijen af waren. Aan The Golden Stairs werkte hij van 1871 tot 1878, waarbij hij voor veel van die details schetsen maakte tijdens reizen naar Italië.

Met name de Bijbelse taferelen vielen slecht binnen de gevestigde kunstwereld en de pers. Het afbeelden van heiligen als gewone, niet-geïdealiseerde mensen, zorgde voor veel ophef. Voor de leden van het genootschap was dit reden om terughoudend te worden met religieuze thema’s en terug te vallen op minder controversiële literaire en historische onderwerpen. Voorbeelden van een bewust andere onderwerpskeuze zijn Hunts Two Gentleman from Verona (1851), naar Shakespeare, en Millais’ in een soort glas-in-loodstijl geschilderde Mariana, naar een gedicht van Tennyson, beide uit 1851.

Hoewel hun werken uiteindelijk steeds makkelijk verkocht werden, ondanks toch ook lovende en stimulerende kritieken, met name van John Ruskin, en ondanks uitnodigingen voor belangrijke exposities, bijvoorbeeld voor de Wereldtentoonstelling in 1855 te Parijs, viel de Brotherhood tussen 1851 en 1857 langzaam uiteen. De negatieve en soms zelfs vijandige ontvangst van hun werken bij een deel van publiek en pers liet zijn sporen na. Eenieder ging zijn eigen weg.

Millais gaf na de kritiek op zijn Carpenter Shop de voorkeur aan eenvoudiger te begrijpen onderwerpen, zoals zijn Ophelia (1851-1852) en The Order of Release (1852-1853). Hij werd vervolgens lid van de Royal Academy (!) en uiteindelijk meer en meer een gewaardeerd societyschilder. De gelovige Hunt wilde zich opnieuw richten op religieuze onderwerpen en vertrok in 1854 naar Palestina. Rossetti trok zich meer en meer terug uit het openbare leven en stelde tot 1860 niets meer tentoon.

De grootste promotor van de groep, John Ruskin, verklaarde in 1857 de Brotherhood als genootschap teneinde, maar constateerde wel dat er een nieuwe schilderschool was ontstaan, kunsthistorisch aangeduid als prerafaëlitisch.

De periode na 1860