miniatuur|Een voorbeeld van het wapen van een hooggeplaatste priester. De Kardinaal-infant Ferdinand van Oostenrijk combineerde zijn kardinaalswapen met de kroon van een Spaans prins. Omdat de heraldiek van de krijgshaftige ridders, in de kerk "burgerlijke heraldiek" genoemd, niet bij de vredelievende kerk paste, is er in de loop der eeuwen een eigen kerkelijke heraldiek ontstaan waarvan de regels en de ornamenten afwijken van die van de leken. De wapenwetgeving is in de Rooms-Katholieke Kerk enerzijds op de dogmatische orde van de kerkelijke hiërarchie en de canonieke en leerstellige factoren gebaseerd en heeft anderzijds ook liturgische achtergronden. Het doel van de heraldiek is net als buiten de kerken het aanduiden van personen en hun rang of kwaliteit.
De paus is een fons honorum en kan daarom wapens, titels en eerbewijzen verlenen die overal worden erkend.
De aan het Pauselijk hof verbonden wereldlijke heraldiek, terug te vinden in de wapens van de afstammelingen van de Pausen en de afstammelingen van hun broers, geregeld in de Bul Urbem Romam, behoren niet tot de kerkelijke heraldiek in engere zin. In deze wapens, zoals die van de Markies met de baldakijn zijn wel elementen uit de kerkelijke heraldiek te vinden. Zij maken deel uit van het schild en niet van de daaromheen geplaatste of gehangen pronkstukken of kerkelijke aanduidingen van rang zoals de kwasten.
Geschiedenis van de kerkelijke heraldiek thumb|in de Encyclopedie van Diderot worden reeds verschillende wapens bestudeerd. Ruim een eeuw nadat onder de Europese ridders een heraldische traditie ontstond, ging ook de Rooms-Katholieke Kerk wapenschilden gebruiken. Een van de oudste, misschien het oudste, van deze wapens is dat van Guillaume de Joinville, Bisschop van Langres van 1209 tot 1215. Op de wapenrol van Zürich uit 1240 komen geen bisschoppelijke wapenschilden, maar wel hun heraldische banieren voor. Als leenmannen waren de bisschoppen baanderheren die een legertje moesten laten aantreden wanneer hun leenheer dat vroeg. Maar een geestelijke vocht zelf niet en bezat daarom geen schild en dus ook geen wapenschild. Opgemerkt moet worden dat priesters geen wapens mochten hanteren, maar dat niet iedereen zich aan deze regel hield.
Een generatie later werd op de "Codex Seffken" voor het eerst een serie bisschopswapens met schilden en helmen afgebeeld. In de tweede helft van de 13e eeuw werd het voeren van het eigen wapen of het voeren van het wapen van het bisdom algemeen.
In de al in de middeleeuwen gescheiden orthodoxe kerken heeft de heraldiek nooit een grote rol gespeeld en in de protestantse kerken was dat ook niet het geval. Desondanks heeft zich ook daar een eigen heraldiek ontwikkeld die verderop in dit artikel wordt behandeld.
Het Romeinse kerkelijk recht, vervat in de Codex Iuris Canonici, schrijft de geestelijken voor om curiale zegels te laten snijden omdat zij veel akten, archieven en reliekhouders moesten kunnen verzegelen met hun eigen onverwisselbare zegel. De pausen hebben dergelijke zegels sinds de zesde eeuw gebruikt. Veelal waren dit portretzegels waarop een tronende figuur was afgebeeld.
Toen heel Europa zich in de late middeleeuwen aan de liefhebberij van de heraldiek overgaf, volgden ook de geestelijken de mode. Er ontstonden abbatiale en bisschopswapens met wapenschilden aan de voeten van de afgebeelde geestelijken. Na enige tijd namen de wapenschilden het gehele zegel over. Eerst werden kromstaven, mijters en hoeden toegevoegd om de geestelijke stand te benadrukken, later zag men zelfs wapens met zwaarden om aan te geven dat bepaalde geestelijken ook wereldlijke macht bezaten.
De kerkelijke hiërarchie werd en wordt vooral met het aantal kwasten aan de zijden van het wapenschild tot uitdrukking gebracht, maar ook de kleur van deze kwasten (fiochi genaamd), hoeden, een al dan niet patriarchaal kruis, een bisschopsstaf, kardinaalshoed (ook wel Galero genoemd) en de tiara laten zien welke rang een geestelijke bezit. Het aartsbisschoppelijke pallium, teken van zijn macht, wordt ook in het wapen van de kardinalen afgebeeld, maar ontbreekt bij titulaire aartsbisschoppen. Verder zijn de aan de paus voorbehouden tiara en sleutels, de rozenkrans, baldakijn, parasol, kostbare mijter ("Mitra Preciosa"), kromstaf, herdersstaf, kromstaf met sluier, pontificale of prelatenhoed, pallium, patriarchale en gewone kruizen, prior- of cantorstaf, Maltezer kruis en kruis van Jeruzalem, Byzantijnse bisschopskroon, oosterse mijter, patriarchale staf met wereldbol en kruis, herdersstaf met slangen, doctorsstaf, Armeense tiara (een soort mijter) en koormantel of "mandyas" in priesterwapens gebruikelijke en toegestane ornamenten.
Als schildhouders kozen geestelijken vaak voor engelen of heiligen; leeuwen en fabeldieren werden voor priesters ongepast geacht. Het was en is geestelijken niet toegestaan om de 12 apostelen als dragers van het wapen te gebruiken, maar ook aan deze regel heeft men zich niet altijd gehouden. Op informelere wapentekeningen zoals ex libri komen patroonheiligen als drager van het wapen wél geregeld voor. De gezaghebbende heraldicus Mgr. Heim noemt dit een "aardig gebruik". Wapenschilden van kloosters kunnen schilddragers hebben, de prelaten moeten het zonder deze opschik doen.
Pas in 1644 vaardigde Paus Innocentius X een bul uit waarin hij regels stelde voor de heraldiek van de kerk. In de regelgeving gaat de paus alleen in op de tekenen en attributen die rond het schild zijn aangebracht. De inhoud van het schild is geheel en al een zaak voor de geestelijke zelf. De tradities en regels hieromtrent verschillen dan ook per land en kloosterorde. De paus bevestigde ook dat hij alleen heraldiek voor de tot priester gewijde geestelijken vaststelde. Abdissen, niet gewijde kloosterlingen en zij die de lagere wijdingen hebben ontvangen vallen niet onder de regel van de kerkelijke heraldiek en zullen ook zelden genoodzaakt of in de gelegenheid zijn om een wapen te voeren.
Een niet tot priester gewijde man kan desondanks overste van een religieuze orde zijn en een vrouw kan geen wijdingen ontvangen maar toch het bestuur van een klooster uitoefenen.In dergelijke gevallen zijn zegels, en dus ook wapens, noodzakelijk. De wapens van de abdis en de als overste gekozen leken-religieus die dus beiden wapens kunnen voeren, berusten op gewoonterecht en canonieke installatie (zij dragen hun ambt uit hoofde van de bevestiging door een bisschop) en niet op de bul van Innocentius X of de Codex Iuris Canonici.
De 18e en 19e eeuw kunnen als een vervalperiode van de heraldiek worden gezien. De heraldische regels waarin herkenbaarheid en juiste proporties voorop staan, werden in toenemende mate genegeerd en ook veel geestelijken kozen overladen of heraldisch onjuist getekende wapens. Diverse elementen uit de burgerlijke heraldiek kregen een plaats in de wapens van priesters.
Keizer Napoleon I schreef de geestelijken in zijn rijk zelfs wapens voor waarbij hij hen rangen in de Franse adel toeschreef en waarin elementen uit de heraldiek van het Franse keizerrijk en de traditie van de kerk worden vermengd.
Een kentering in de kerkelijke heraldiek kwam na de Tweede Wereldoorlog tot stand door ingrijpen van de pauselijke nuntius in Parijs, Mgr. Angelo Roncalli, de latere Paus Johannes XXIII en zijn medewerker in de nuntiatuur Bruno Bernard Heim. Mede onder hun invloed is het wapen van de geestelijken in de laatste decennia sterk vereenvoudigd. Het gebruik van wereldlijke tekens zoals zwaarden en kronen is nu verdwenen en aan het gebruik van afwijkende hoeden (er zijn bijvoorbeeld Franse en Zwitserse bisschoppen die een aartsbisschoppelijke hoed met 20 kwasten voeren) wordt, wanneer daarvoor geen aantoonbare dispensatie ten grondslag ligt, paal en perk gesteld.
De patriarch van Lissabon voerde (en droeg) eeuwenlang een tiara die hij combineerde met een patriarchaal kruis in zijn wapen. Ook aan dit misbruik van een pauselijk attribuut, alleen de paus komt de tiara of triregnum toe, is nu een einde gekomen.
In het laatste kwart van de 20e eeuw kwam er een einde aan het gebruik van de mijter als onderdeel van kerkelijke wapens, in plaats daarvan wordt nu alleen de pelgrimshoed gebruikt die bij priesters zwart, bij hogere geestelijken groen en bij kardinalen breedgerand en kardinaalrood of scharlaken is.
Rooms-katholieke kerk Het wapen van de paus van de Rooms-Katholieke Kerk Aan het hoofd van deze kerk staat de paus, tevens aartsbisschop van Rome. Zijn kenmerkende insignia waren twee gekruiste sleutels en een tiara.
In 2006 koos de nieuwgekozen Paus Benedictus XVI een wapen dat brak met de eeuwenoude traditie. De al sinds de dood van Paus Paulus VI niet meer gedragen tiara werd vervangen door een mijter en voor het eerst in de geschiedenis werd een pallium aan het wapen toegevoegd.
Het oudste pauselijke wapen is dat van Bonifatius VIII die in 1303 stierf. Clemens VI voerde als eerste een pauselijk wapen met tiara en gekruiste sleutels. De tegenwoordig gehanteerde regels voor een pauselijk wapen zijn niet in een kerkelijke wettekst vastgelegd maar zij berusten op eeuwenoude gewoonten. Wanneer men afbeeldingen van pauselijke wapens ziet die daarvan afwijken dan is dat te wijten aan onkunde of eigen initiatief van de tekenaar. Kenmerkend voor het pauselijk wapen zijn: tiara, samengebonden gekruiste gouden en zilveren sleutels onder de tiara of achter het schild. De paus droeg wel een pallium, maar voerde tot voor kort geen pallium in zijn wapen dat geen enkel ander element behalve de hierboven genoemde tiara en sleutels bevatte. Een paus behoudt zijn familiewapen ook na zijn verkiezing. Uitzonderingen zijn de tot paus gekozen patriarchen die in navolging van Pius X de gevleugelde leeuw van Sint-Marcus als een schildhoofd van religie in hun wapen plaatsten. Ook tot paus gekozen leden van religieuze orden dragen in navolging van Benedictus XIII het wapen waarin zij het symbool van hun orde paalden of kwartileerden met hun eigen wapen verder na hun verkiezing. Omdat een paus een absoluut vorst is en niemand verantwoording schuldig is, kan een gekozen paus van de hierboven genoemde regels afwijken.
Kardinaal Sinds 1775 mag iedere kardinaal, ongeacht rang (kardinaal-diaken, kardinaal-priester of kardinaal-bisschop), de rode kardinaalshoed met aan weerszijden 15, totaal 30, rode kwasten voeren. Is de kardinaal geen bisschop gewijd, dan ontbreekt ook de bisschopsstaf. Is de kardinaal wel bisschop gewijd, dan staat achter het wapenschild een bisschopsstaf met Latijns kruis met enkele dwarsbalk. Betreft het een aartsbisschop (dat mag titulair zijn), dan mag de kardinaal een patriarchaal kruis voeren. Is de kardinaal ook nog eens metropoliet, dan mag het pallium in het wapen worden toegevoegd. In het verleden kwamen in kardinaalswapens ook kronen, schildhouders, onderscheidingen, overdadige hoeveelheden kwasten (soms wel veertig), en kromstaven voor maar deze werden in de loop der jaren steeds meer weggelaten.
In alle priesterwapens wordt een uitzondering gemaakt voor de kruizen van de ridderorden van Malta en het Heilig Graf die met uitsluiting van alle andere, immers wereldlijke of niet door de Heilige Stoel erkende orden, in een priesterwapen mogen worden gevoerd. Kardinalen leggen hun wapen op een kruis van een van deze orden.
Patriarch