thumb|Schilderij van A. Verrijk (1758) Sparrendaal is een achttiende‑eeuwse buitenplaats in Driebergen-Rijsenburg, gelegen in de Stichtse Lustwarande, een grote gordel van landgoederen en buitenplaatsen. Het huidige hoofdgebouw en de twee bouwhuizen zijn in 1754 gebouwd op een ouder landgoed. De buitenplaats is aangewezen als rijksmonument en wordt beheerd door Vereniging Hendrick de Keyser.
Voorgeschiedenis In 1642 verwierf Jacob van Berck, griffier van het hof van Utrecht, een hofstede met landerijen tussen de Langbroekerwetering en de woeste gronden ten noorden van de Arnhemsebovenweg. De oorspronkelijke hofstede bevond zich tussen het huidige oostelijke bouwhuis en het toegangshek. Tijdens het Rampjaar 1672 werd het gebouw waarschijnlijk verwoest. Op latere kaarten verschijnt op deze locatie een nieuw huis met de naam Laen Wijck.
thumb|250px|Gezichtslaan aan de achterzijde
De buitenplaats Sparrendaal Jacob van Berck (1694-1762, achterkleinzoon van bovengenoemde) "raad in de vroedschap, oud-borgermeester en gecommitteerde en president in de stadsfinantiecamer" van de stad Utrecht, liet in 1754 een nieuwe buitenplaats bouwen, waarbij de bestaande tuin werd gehandhaafd en oudere bebouwing werd gesloopt. Aanvankelijk heette het Sper en Dal of Sper en Dael. Het huis Sparrendaal werd opgetrokken in Hollandse Lodewijk XV-stijl. Het hoofdgebouw werd geplaatst op een lange gezichtslaan. Aan weerszijden van het voorplein verrezen twee bouwhuizen, ingericht als oranjerie en koetshuis. Van de oorspronkelijke zichtlaan is circa één kilometer bewaard gebleven. Daarvan is het achterste gedeelte tussen Arnhemsebovenweg en Melvill van Carnbeelaan aan beide zijden bebouwd.
thumb|Klokkenstoel met zonnewijzer, windvaan en carillon Van Oosthuyse thumb|Margaretha van Oosthyse-de Jong Rond 1805 werd het hoofdgebouw voorzien van een verhoogd dak en werden beide bouwhuizen aan de achterzijde uitgebreid. Op 23 december 1805 kwam Sparrendaal in bezit van P.J. van Oosthuyse.
Het landgoed lag binnen de hoge heerlijkheid Driebergen en grensde in het zuidwesten aan de lage heerlijkheid Rijsenburg. Van Oosthuyse verwierf in 1806 ook de ambachtsheerlijkheid Rijsenburg (De ridderhofstad Rysenborgh was al vóór 1800 gesloopt) en verwierf daarmee de titel Heer van Rijsenburg (is geen adellijke titel).
Op 5 oktober 1806 was Nederlands eerste koning, Lodewijk Napoleon Bonaparte er te gast en logeerde er op doorreis naar Duitsland.
Het dorp Driebergen was hoofdzakelijk protestants. Gedurende korte tijd bood de devoot katholieke Van Oosthuyse het oostelijk bouwhuis aan als schuilkerk voor zijn katholieke werknemers. In 1809-1810 bouwde hij vanuit Sparrendaal een dorp met rooms-katholieke kerk en logement en gaf het de naam Rijsenburg. In 1818 werd Rijsenburg als aparte gemeente losgemaakt uit Driebergen.
Bisdom Utrecht Van Oosthuyses kleinzoon Thomas van Rijckevorsel verkocht Sparrendaal in 1854 aan het bisdom Utrecht. Het bisdom wilde in Sparrendaal een grootseminarie vestigen, door aanbouw van vleugels tussen hoofdgebouw en bouwhuizen. Een inzameling onder katholieken in Nederland bracht echter genoeg geld op voor nieuwbouw elders op het landgoed, het Groot-seminarie Rijsenburg. Sparrendaal ging dienen als residentie van aartsbisschop Joannes Zwijsen (tot 1867). Op oude ansichten werd het aangeduid als "Aartsbisschoppelijk Paleis". Sparrendaal, Kastelen in Utrecht
Het gebied ten zuiden van de Hoofdstraat, de overtuin, werd in 1857 verkocht. Daar werd buitenplaats De Wildbaan aangelegd.
Van Vollenhoven Het bisdom verhuurde vanaf 1884 Sparrendaal aan de familie van Vollenhoven. Diplomaat Maurits van Vollenhoven nam in 1928 de huur over, na het overlijden van zijn moeder. In de periode van de Van Vollenhovens kwamen belangrijke gasten op Sparrendaal, waaronder Herbert Hoover, prins Felix Joesoepov en koningin Victoria Eugenia van Spanje.
In 1931 werd Rijsenburg bij Driebergen gevoegd.
Raadhuis In 1954 verkocht het bisdom Sparrendaal aan de gemeente. Jarenlang werd geijverd voor een goede bestemming voor het leegstaande huis, onder andere door Wim Harzing. Een grote gekleurde pentekening uit 1758 werd door hem in het Aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht aangetroffen, en door mevrouw Van Rijckevorsel-Courbois aan de gemeente Driebergen-Rijsenburg geschonken.
Sparrendaal werd van 1957-1964 gerestaureerd door ir. J.B. baron van Asbeck (1911-2010) en in gebruik genomen als raadhuis van Driebergen-Rijsenburg. Na de bouw van een nieuw gemeentekantoor in 1974 werden er in Sparrendaal alleen nog raadsvergaderingen, recepties en huwelijken gehouden. De openbare bibliotheek en VVV-kantoor waren enkele jaren gehuisvest in het westelijk bouwhuis.
Na lange onduidelijkheid over de functie die de gemeente aan Sparrendaal wilde toekennen werd het huis in 2000 voor 1 gulden verkocht aan de vereniging Hendrick de Keyser, die het opnieuw restaureerde (2000-2002). Een stichting nam de exploitatie op zich.
De gemeente Driebergen-Rijsenburg huurde het hoofdgebouw deels terug voor de functie van raadhuis. Die functie verviel na de gemeentelijke herindeling van 1 januari 2006 waarbij Driebergen-Rijsenburg opging in de nieuw gevormde gemeente Utrechtse Heuvelrug.
Villa Sparrendaal Na de sloop van oudere bebouwing verrees in 1754 een nieuw landhuis op de voormalige schapendrift, die op historische kaarten voorkomt als de “Steegh naar d’hey”. Door het gebouw centraal op deze doorgang te plaatsen, kreeg het een vrijstaande positie met zichtlijnen naar zowel de voor- als achterzijde. De vroegere drift ging functioneren als oprijlaan aan beide kanten van het huis. Aan de voorzijde ontstond ruimte voor een representatief voorplein. In dezelfde periode verrezen in de regio nog twee vergelijkbare buitenhuizen, zoals Zandbergen in Huis ter Heide en Goudestein in Maarssen, die overeenkomsten vertonen in architectuur en plattegrond.
Exterieur thumb| thumb|Zijgevel van Sparrendaal thumb|Achterzijde van Sparrendaal Het hoofdgebouw werd centraal op het perceel geplaatst, waardoor zichtlijnen ontstonden naar de voor- als achterzijde. Het voorplein en de symmetrisch geplaatste bijgebouwen benadrukten het representatieve karakter van de buitenplaats. Het hoofdgebouw (corps de logis) bestaat uit een souterrain, een bel‑etage, een verdieping en een zolder onder een hoge kap. De voorgevel wordt gekenmerkt door een risaliet met een ingangsomlijsting in Lodewijk XV‑stijl, voorzien van rocaille‑ornamenten. Natuursteen is toegepast in de centrale gevelpartij; de overige gevels bestaan uit schoonmetselwerk. Op de hoeken van het dak staan schoorstenen met zinken afdekkingen. Door de aanwezigheid van het souterrain ligt de bel‑etage verhoogd, waardoor vanuit de woonvertrekken uitzicht bestond op de omliggende tuinen en landerijen. De schuiframen zijn voorzien van roedeverdeling en een middendorpel. De vensters van de bel‑etage zijn hoger dan die van de verdieping, wat de hiërarchie van de woonlagen weerspiegelt. Rechts van het bordes lag de grote voorzaal; links bevond zich de herenkamer. De architectonische waarde van het gebouw wordt vooral bepaald door de evenwichtige verhoudingen en de nadruk op symmetrie.
Souterrain In de rechterzijgevel bevindt zich de dienstingang, bereikbaar via een trap van hardsteen. Boven de deur is de eerste steen ingemetseld, gelegd op 27 maart 1754 door Maria Constantia, de dochter van Jacob van Berck. Het souterrain omvatte oorspronkelijk tien dienstruimten, waaronder de keuken, de spoelkeuken, provisiekelders en kamers voor personeel. In de huidige situatie bevinden zich aan de voorzijde twee kamers, met daartussen een garderobe. Aan de achterzijde liggen een toiletgroep en een moderne keuken. De historische keuken is bewaard gebleven. De omvang en indeling van deze keuken zijn kenmerkend voor voorname achttiende‑eeuwse buitenplaatsen. De keuken heeft een schouw met fornuis, een aanrecht onder de ramen en een ingebouwde buffetkast. De waterpomp bevond zich vermoedelijk in de aangrenzende spoelkeuken. In het midden van de ruimte stond een tafel waar het personeel de maaltijden gebruikte..
Zijgevels De zijgevels hebben op het eerste gezicht een onregelmatige vensterindeling, maar ook hier is symmetrie toegepast. De ogenschijnlijke asymmetrie ontstaat doordat op bepaalde plaatsen blinde nissen zijn aangebracht in plaats van ramen. Indien hier vensters waren geplaatst, zou er in het interieur onvoldoende ruimte zijn geweest voor schoorstenen. De nissen hebben daardoor zowel een esthetische als een functionele rol binnen het symmetrische ontwerp van de gevel.
voorzijde De hoofdingang is bereikbaar via een trap en bordes van hardsteen, bedoeld voor bewoners en gasten. De dubbele deur heeft een halfrond snijraam en een balkon met smeedijzeren hekwerk. Daarboven bevindt zich een balkon met verguld smeedijzeren hekwerk. De hoge schuiframen benadrukken het belang van deze verdieping, waar de representatieve vertrekken waren ondergebracht.
achterzijde De achtergevel volgt dezelfde opzet als de voorzijde, maar de middenrisaliet is hier uitgebouwd. De trap en het bordes zijn eveneens uitgevoerd in hardsteen. De achteringang heeft een omlijsting in Lodewijk XV‑stijl, uitgevoerd in hout in plaats van steen zoals in de voorzijde. Onder de daklijst, aan weerszijden van de risaliet, zijn grote houten rocailles aangebracht. Achter de vensters van de uitbouw ligt de ruime eet‑ of tuinzaal, die werd gebruikt voor ontvangsten en feesten. Sinds 1964 dient deze ruimte voor trouwlocatie. Links van de zaal bevond zich een salon die tevens als biljartkamer werd gebruikt. Rechts lag de dessertkamer, waar gerechten warm werden gehouden voordat ze in de eetzaal werden opgediend.
Bovenverdieping De bovenverdieping functioneerde als slaapetage. Over de volledige breedte van het huis loopt een gang die toegang geeft tot de verschillende kamers. Aan beide uiteinden van de gang bevinden zich schuiframen, waardoor daglicht de ruimte verlicht. Oorspronkelijk omvatte de verdieping zeven slaapkamers en twee kabinetten, bestemd voor de bewoners en hun directe omgeving. De kamerindeling weerspiegelde de hiërarchie binnen het huishouden: grotere kamers waren bedoeld voor de eigenaar en zijn familie, kleinere kamers hadden een meer functionele bestemming. De verdieping vormde het private deel van het huis, gescheiden van de representatieve vertrekken op de bel‑etage en de dienstvertrekken in het souterrain.
Zolder Onder de hoge kap bevindt zich een ruimte die oorspronkelijk werd gebruikt voor praktische doeleinden, waaronder het drogen van wasgoed. Daarnaast waren op de zolder enkele kleine kamers ingericht voor personeelsleden. De huidige verhoogde mansardekap werd aangebracht tijdens een verbouwing in 1805, of mogelijk bij een latere aanpassing in 1809. Voor deze wijziging had het gebouw een omlopend schilddak, dat vermoedelijk regelmatig voor lekkages zorgde. Het klokkentorentje dat nu op de nok staat, bevond zich vóór de verbouwing op het dak van de achteruitbouw. Aan het begin van de negentiende eeuw werd het oorspronkelijke zadeldak vervangen door de huidige hoge mansardekap, wat gevolgen had voor de indeling van de zolderverdieping. In buitenplaatsen uit deze periode bestond de zolder doorgaans uit functionele ruimten, zoals bergzolders, droogzolders en eenvoudige slaapvertrekken voor personeel. Ook op Sparrendaal kreeg de zolder een praktische bestemming. Vanaf de aankoop van het landgoed werden op de omliggende percelen veel bomen aangeplant, waaronder sparren. Op de zolder werd het sparrenzaad te drogen gelegd, evenals appels uit de boomgaard.
Interieur thumb|