De jaren in Birma (ook: Birmaanse Dagen, Engels: Burmese Days) is een roman van de Engelse schrijver George Orwell uit 1934. Het verhaal speelt zich af in Birma anno 1926 tegen de achtergrond van het koloniale Britse Rijk. Het hoofdpersonage John Flory voelt zich niet thuis op de Europese Club in het rechtse sfeertje van het kolonistenmilieu. Hij houdt van Birma en de Birmanen, maar haat het Britse kolonialisme en imperialisme. Hij leidt een eenzaam en bitter leven tot Elizabeth Lackersteen op het toneel verschijnt. Orwell haalde de inspiratie uit zijn eigen ervaringen; hij had zelf dienstgedaan voor de Indian Imperial Service van 1922 tot 1927.

Birma, Kyauktada en de Europese Club Birma was in het jaar 1926 één en al oerwoud waar het wemelde van het wild in de dichte begroeiing. De Birmanen zijn een Mongools ras; de geïmmigreerde Indiërs arisch.

Kyauktada was een stadje in Opper-Birma dat aan bijna alle kanten door heuvels ingesloten was. Het Koloniaal Bestuur had het in 1910 verheven tot districtscentrum en ontwikkelingskern. Er kwam een gerechtelijk kwartier, een ziekenhuis, een school en een gevangenis. In het district was hooguit vijftien kilometer aan wegen. De bevolking bedroeg ongeveer vierduizend zielen, waaronder een paar honderd Indiërs en zeven Europeanen. Macgregor was districtscommissaris, Westfield hoofdinspecteur van de politie en Maxwell regionaal hoofd van het bosbeheer. Flory, Ellis, Lackersteen en zijn vrouw werkten voor een houtbedrijf.

De Europese Club was in iedere stad van de Indian Imperial Service de residentie van de Britse macht. In de Club van Kyauktada kon je bridgen en biljarten, er was een bibliotheek, een conversatiezaal en een ruime veranda met zicht op de rivier.

De mentaliteit van de kolonisten In de Club heerste een sfeertje van: Wij zijn de baas en zij het vuile schorem. Wij zijn hier om te besturen en zij zijn altijd al slaven geweest. Behandel ze als vuil, want dat zijn ze. Er is geen andere manier om ze te regeren. Een pak rammel is het enige dat indruk maakt op een Birmaan. Zo iets begrijpen ze.

De kolonisten waren niet te spreken over de laksheid van het Koloniaal Bestuur. De Birmanen werden gewoon niet hard genoeg aangepakt. De geest van democratie en gelijkheid was zich hier ook al aan het nestelen. Het lijkt wel of we tegenwoordig geen enkel gezag meer hebben over de inlanders. In sommige dingen beginnen ze al net zo lastig te worden als de lagere standen thuis in Engeland. Het is afgelopen met het Britse Rijk. De ondergang van het Britse Rijk is te wijten aan overmatige eerbied van de wetten. Al dat gedoe van orde en recht heeft ons genekt. Het militaire gezag moet hersteld worden. Eindeloos gezeur over de white man's burden en de goede tijden van weleer.

De vijf zaligheden van de kolonist waren: Onze goede naam hooghouden, met vaste hand (zonder fluwelen handschoen), wij blanken moeten één lijn trekken, geef ze een vinger en ze nemen de hele hand, en Esprit de Corps. De Engelsen hadden een soort valse kameraadschap. Het was traditie om net te doen of ze dikke vrienden waren, maar eigenlijk haatten ze elkaar als de pest. Eén lijn trekken, noemden ze dat. Solidariteit met een inlander was taboe. Aan zijn kant staan, dat nooit! De Engelsen waren vrienden, de Aziaten vijanden. Als je de kolonistenmentaliteit niet had, was je er geweest.

Ellis was de grootste racist van het gezelschap. Hij haatte de oosterlingen oprecht en schold ze voortdurend uit voor vuile nikkers, zwarte zwijnen, vette ellendige babu's, zwarte bliksems en knoflookstinkers.

John Flory Het hoofdpersonage John Flory was een houthandelaar van 35 jaar. Drie weken per maand zat hij in het oerwoud om teakbomen te vellen. Tussendoor kwam hij een paar dagen naar Kyauktada terug. Naar de Club gaan om te bridgen en zat te worden, zo bracht hij zijn avonden door. Hij was in Birma om geld te verdienen, net als ieder ander.

Indian Imperial Service Flory was geboren met een blauwe wijnvlek op zijn wang. Het had hem op school de bijnamen Blauwkop en Apenkont bezorgd. Nog steeds draaide hij zijn hoofd om de vlek aan het zicht van de anderen te onttrekken. Hij was goed in liegen en rugby, de twee absolute vereisten om er op school iets van te maken. Flory kwam van de derderangs kostschool als een ongeletterde lummel. Hij was amper twintig toen hij in Birma belandde. Zijn ouders, brave mensen die alles voor hem over hadden, bezorgden hem een baantje bij een houtfirma. Zijn eerste half jaar bracht hij door in Rangoon om zich de administratieve kanten van het houtwezen eigen te maken. Dan ging het naar een kamp in het oerwoud om teakhout te winnen. Zo ontsnapte hij aan de militaire dienst tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Haat tegen kolonialisme en imperialisme Opeens had hij zijn bekomst van de jeugdige uitspattingen, begon als een bezetene te lezen en leerde zelfstandig denken. Hij interesseerde zich voor schrijvers, schilders, kunstenaars. Naarmate zijn geest zich ontwikkelde, werd zijn haat tegen het imperialisme steeds bitterder. Op zijn zevenentwintigste was hij de Engelsen in Azië zo gaan haten dat hij hoopte dat de bevolking in opstand zou komen en het Rijk in bloed zou doen ondergaan. Het was een verstikkende, verlammende wereld om in te leven. Het was een wereld waar ieder woord, iedere gedachte onder censuur stond. In Birma leerde je nooit in te gaan tegen de publieke opinie. Je moest met de stroom van het leven meevaren en niet ertegenin. Vrijheid van spreken is iets ondenkbaars. Alle andere vormen van vrijheid staan voor je open. Je hebt de vrijheid om een dronkenlap te zijn, een leegloper, een lafbek, een lasteraar, een ontuchtige smeerlap; maar je hebt niet de vrijheid zelfstandig te denken. Je hele leven, het is één en al leugen. Hij wilde weg uit Birma, het verschrikkelijke land dat hem bijna te gronde had gericht. Eén keer was hij vertrokken naar Engeland, toen de firma hem in Colombo terugriep. In zijn hart was hij blij terug te mogen. Dit land, dat hij haatte, was zijn vaderland, zijn thuis geworden. Sindsdien had hij nooit meer thuisverlof aangevraagd. Zijn vader was gestorven, toen zijn moeder; zijn zussen was hij vrijwel uit het oog verloren. Hij had nu geen enkele band meer met Europa. Teruggaan naar Engeland was geen remedie tegen de eenzaamheid.

Liefde voor Birma en de Birmanen Flory was berucht om zijn bolsjewistische ideeën. Eigenaardige ideeën, socialisme, Lenin. Hij hield van Birma en de Birmanen. Hij voelde interesse, sympathie en bewondering voor hen. Altijd en eeuwig zong hij de lof van de Birmaanse zeden en het Birmaanse karakter. Hij ging zelfs zover dat hij de Aziaten in gunstige zin vergeleek met de Engelsen. De Chinezen hebben een hoge beschaving; hoger dan de onze, vind ik. Je kunt het best als gelijke met ze omgaan. Hij kreeg steeds vaker last als hij in ernst met een Engelsman praatte. Zijn oprecht oordeel, over wat ook ter wereld, klonk als heiligschennis voor de mensen rondom hem. Hij scheen altijd met het grootste genoegen het verkeerde oordeel te moeten kiezen. Zijn verstandhouding met de andere Europeanen was nooit erg goed. Hij had in gesprekken op de Club meestal weinig in te brengen. De nikkervriend probeerde goede maatjes te zijn met de inlanders. Ieder jaar voelde Flory zich minder op zijn plaats in de wereld van de kolonisten. De sfeer in de Club hing hem de keel uit. Rotgat, stinkend rotgat! O, wat een oord, wat een mensen! Ik heb het vanmorgen zo lang mogelijk volgehouden. Wat een opluchting eventjes uit die troep weg te zijn.

Een eenzaam en bitter leven Flory kon niet ingaan tegen de vereende woede van de kolonisten. De moed ontbrak hem om te weigeren. Hij vond ruzie zo'n ellende. Ze zouden zo vreselijk tegen hem tekeergaan. Het getreiter, het gehoon! Bij de gedachte allen al kromp hij ineen. Die herrie kon hij niet aan! Zoveel was het hem niet waard. De Engelsen oefenden zo'n druk op hem uit dat hij eens zijn naam gezet heeft onder een onterechte beschuldiging aan het adres van zijn Indische vriend Veraswami. Vol zelfbeklag schold hij zich dan de huid vol: Hondsvot, lamlendige hondsvot! Ik ben een lafbek. Ze zijn allemaal beter dan jij, stuk voor stuk. Hij had geleerd om een innerlijk leven te vinden in boeken en heimelijke gedachten die hij niet kon uiten. Hij was altijd verdiept in zichzelf. Het vrat aan hem dat zijn eigenlijke leven zich in het geheim moest afspelen.

Voor hem waren de jaren in Birma lang, leeg, eenzaam en afstompend. De kwellingen van een leven in ballingschap. Rottend in een eerloos en futiel bestaan. Een soort eenzame verdoemenis. Muffe, dodelijke verveling. Een helse pijn in bittere eenzaamheid. Alleen, alleen, zo bitter om altijd alleen te zijn! Zolang er niets beters bestond, was de lethargie niet eens zo onaangenaam. Flory was op zoek naar een zielsverwant. Hij moest iemand vinden om zijn leven mee te delen, maar dan echt zijn leven delen, zijn innerlijk heimelijk leven. Iemand die van Birma kon houden zoals hij ervan hield en het kon haten zoals hij het haatte. Dat moest de rusteloze pijn in zijn hart tot bedaren brengen.

Nieuwe hoop Plotseling dook Elizabeth Lackersteen op in zijn leven. Tot dan had de vrijgezel Flory een Birmaanse maîtresse Ma Hla May. Hij had haar twee jaar eerder gekocht van haar ouders. Ze gaf alleen om hem omdat hij blank was en geld had. De relatie ontaardde dikwijls in ruzies en Flory zette haar eruit omwille van Elizabeth. Hij had zijn hoop op haar gesteld. Hij wilde Elizabeth zo graag als zielsverwante hebben. Eindelijk iemand met wie ik mijn leven kan delen, maar dan echt delen, echt samen mee leven, begrijp je? Hij koesterde een spirituele liefde voor Elizabeth, op het sentimentele af. Hij hield van haar en zou altijd van haar blijven houden. Hij hield van haar, hij hield zoveel van haar! Zijn gemoed was veranderd nu Elizabeth in zijn leven was gekomen. Zijn hele bestaan was nieuw en oneindig mooi geworden. Het kon allemaal zo prettig zijn, als je maar met iemand kon delen. Hij wilde haar vragen om zijn vrouw te worden. Zij was de enige mens op aarde die hem uit zijn eenzaamheid zou kunnen verlossen.

Elizabeth Lackersteen Elizabeth Lackersteen was een wees van 22 jaar. Haar vader was twee jaar tevoren gestorven aan de griep en ze had pas haar moeder verloren door een vergiftiging. Haar oom en tante, die ze nog nooit van haar leven gezien had, nodigden haar uit om over te komen naar Birma.

Elizabeth had geproefd van de beau monde in een zeer duur internaat, maar haar vaders positie was te onzeker om haar daar te kunnen houden. De laatste twee jaar was ze zelfs in de armoede beland. Ze hield van het aristocratische leven. Als het maar rijk, duur en elegant was. Die beeldige, beeldige gouden wereld! Ze was geïnteresseerd in paardrijden en jagen. Haar menselijke contacten bleven oppervlakkig. In Birma wilde ze tussen de Engelsen zitten en de inlanders vermijden. Ze minachtte het volkse leven, dat arm en goedkoop was. Anderzijds had ze ook een afschuw voor alles dat intellectueel was. Boeken, poëzie en kunst waren haar ding niet.

Discussies over het kolonialisme Flory was bevriend met de Indische dokter Veraswami, zo'n beetje de enige die hij had in heel Birma. Vijftien jaar lang al bent u de enige waarmee ik ooit een eerlijk gesprek voer. Ze traden regelmatig in discussie over het kolonialisme. Het was de omgekeerde wereld, want de Engelsman was hartstochtelijk anti-Engels en de Indiër was een fervente bewonderaar van de Engelsen.

Flory keerde zich af van het kolonialisme