De roodbuikpademelon (Thylogale billardierii) is een kleine kangoeroe waarvan de volwassenen exemplaren 4-11 kg wegen en de mannetjes ongeveer 50% zwaarder zijn dan de vrouwtjes. Het lichaam van het dier is compact met relatief lange voorpoten in vergelijking met grotere kangoeroes, korte oren en een kortere staart die in rust op de grond ligt. De lange vacht is donkerbruin aan de rugkant en gelig tot roestkleurig aan de buikzijde Tijdens het huppen houdt deze soort het lichaam veel meer parallel aan de grond dan andere kangoeroes. De soort onderscheidt zich van andere pademelons door zijn relatief kortere staart, zijn oranje tot roestrode buik en de afwezigheid van zowel gezichts- als heupmarkeringen. Net als andere kangoeroes is de roodbuikpademelon een vegetariër, die echter meer blad eet dan grassen. De soort komt voor in allerlei verschillende habitats, vaak in de buurt van bosranden. Op dit moment is het voortbestaan van de roodbuikpademelon niet bedreigd, maar uitheemse roofdieren kunnen in de toekomst wellicht een bedreiging gaan vormen. De roodbuikpademelon komt uitsluitend voor op Tasmanië.Groves, C. P. (2005). "Order Diprotodontia". In Wilson, D.E.; Reeder, D.M (eds.) Mammal Species of the World: A Taxonomic and Geographic Reference (3rd ed.). Johns Hopkins University Press. p. 69. .

Beschrijving De roodbuikpademelon heeft een compacte lichaamsvorm, korte oren en een lange vacht, die van boven donkerbruingrijs is en van onder geelachtig of roestkleurig. Gezichtsmarkeringen zijn afwezig, behalve een vage gelige lijn die langs de bovenlip loopt. De snuit is naakt en de taps toelopende staart is bedekt met korte haren. Het gemiddelde gewicht van volwassen vrouwtjes is ongeveer 4,5 kg en dat van mannetjes 6,5 kg. Vrouwtjes dragen een enkel jong in een naar voren openende buidel met 4 tepels. Vrouwtjes zijn kleiner maar verder niet te onderscheiden van mannetjes.

Anatomie De tandformule van de volwassen roodbuikpademelon is , dat wil zeggen drie snijtanden, een hoektand, een valse kies en vier ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en een snijtand, geen hoektanden, een valse kies en vier ware kiezen in elke helft van de onderkaak. Het enige paar onderste snijtanden staat recht naar voren gericht en niet naar boven, een gemeenschappelijk kenmerk van de klimbuideldieren. De roodbuikpademelon eet voornamelijk bladeren met een laag vezelgehalte maar ook wat gras. De snijtanden kunnen bepaalde plantendelen knippen, maar sterk verhoutte nerven van bladeren van tweezaadlobbige planten moeten met de kiezen worden geknipt. De kleine kiezen en ware kiezen, die beide zowel kunnen knippen als malen, liggen in een vlakke rij waarin alle tanden tegelijk hun werk kunnen doen. De neusbeenderen van de schedel hebben rechte buitenranden, waarbij elk bot wigvormig is. Het lange maag-darmkanaal is typerend voor kangoeroes die hun voedsel fermenteren in de zakvormige voormaag, maar dit is niet zo massief als die van andere pademelon-soorten. De roodbuikpademelon verschilt ook van andere pademelon-soorten doordat hij een maagkanaal heeft, een kenmerk dat kan dienen om de ingenomen melk rechtstreeks naar de achtermaag bij jonge dieren te leiden.

Het vrouwtje heeft vier tepels, twee aan elke kant van de buidel. Ovulatie van een enkele eicel vindt gemiddeld elke maand plaats zonder externe trigger, tenzij de dieren drachtig zijn. De zygote ontwikkelt zich tot het blastula stadium, waarna de embryonale groei doorgaat tot een korte implantatie gedurende het laatste derde deel van de zwangerschap van een maand. Baby's blijven fulltime in de buidel tot ongeveer 7 maanden oud, en de jongen worden nog enige tijd met melk gevoed nadat ze de buidel hebben verlaten. De anatomie van het mannelijke voortplantingssysteem is vergelijkbaar met die van andere kangoeroes, met een hangende balzak die voor de opening ligt waaruit de penis tevoorschijn komt. Er is een grote wortelvormige prostaatklier en vier paar Cowperse klieren. De prostaatklier neemt in omvang toe voorafgaand aan de piek in de hoeveelheid paringen in de herfst en in mindere mate die in de lente. De penis eindigt in een stompe kegel en wordt teruggetrokken in het lichaam. Mannetjes zijn meestal vruchtbaar als ze minimaal 4 kg zwaar zijn en veertien maanden of ouder.

Ontwikkeling thumb|Jong bekijkt de wereld vanuit de buidel. De bevalling bij de roodbuikpademelon is typerend voor kangoeroes. De staart van de moeder wordt naar voren gestrekt terwijl ze haar geslachtsopening en buidel likt. Zodra de nieuwgeborene van ongeveer 0,4 g zwaar en 1,6 cm lang de buidel bereikt, hecht hij zich aan een van de vier tepels, waar het diertje zich in bijna 7 maanden zover ontwikkelt dat de buidel kan worden verlaten. De nieuwe baby kiest een van de tepels maar vermijdt de grote tepel die het vorige jong nog gebruikt. Net als bij andere buideldieren, verandert de melk van de roodbuikpademelon van dunne melk in de eerste zes weken van de melkgift (500–800 kJ/ml) in meer geconcentreerde melk in de weken zeventien tot vijfentwintig (550–1.100 kJ/ml), tot een hoogtepunt in de late melkgift vanaf zo'n zesentwintig weken (1.300–2.550 kJ/ml). De hoeveelheden koolhydraten die gedurende de vroege en middenperiode van de melkgift ongeveer gelijk blijft, daalt in het laatste deel van de melkgift, terwijl het gehalte aan vetten en eiwitten juist flink stijgt. De concentratie koolhydraten in melk is altijd hoger in gevangenschap vergelen met roodbuikpademelon in het wild, en groeien jongen in dierentuinen sneller dan die in het wild. Het geslacht van de jongen kan na twee weken met het blote oog worden bepaald door de aanwezigheid van een vroege buidel dan wel een balzak. Hoewel de gepigmenteerde ogen bij de geboorte zichtbaar zijn door de huid heen, zijn de oogleden pas duidelijk vanaf de vijfde week, de haarzakjes van de wimpers kunnen na negen weken worden gezien en de oogleden gaan open tussen achttien en twintig weken. De wimpers breken tegen de vijfde week uit de onderliggende huid, maar zijn pas na achttien tot twintig weken volledig ontkruld. Ook andere aspecten van de ontwikkeling zijn traag, zoals de onderste snijtanden die voor het eerst verschijnen vanaf ongeveer drie maanden en de eerste piepende geluiden ongeveer een week later. Pigmentatie verschijnt op het hoofd, de oren en het puntje van de staart tussen dag twee en vier maanden, en na ongeveer twintig weken is de huid op de rug helemaal gepigmenteerd. Tussen eenentwintig en vierentwintig weken wordt het lichaam bedekt met fijne vacht, waarna een toplaag van dekharen verschijnt. Kort nadat ze goed behaard zijn na ongeveer 21 weken, steekt het jong z'n kop regelmatig uit de buidel. Vanaf die tijd is het jong in staat om te huppen. Het jong komt voor het eerst uit de buidel tussen drieëntwintig en zevenentwintig weken. Na het verlaten van de buidel blijft het jong nog 3 maanden dicht bij de moeder en blijft gedurende deze periode zogen. Het jong wordt gespeend na acht tot tien maanden, bij een gewicht van ongeveer 3 kg. Na permanente buidelvakantie en de geboorte van de volgende pasgeborene, heeft het vrouwtje een buideljong aan 1 speen en een jong aan de voet zogend op een speen van een centimeter lang. Dus hoewel een vrouwtje bijna een jaar besteedt aan het grootbrengen van een nageslacht, heeft ze tegen die tijd ook een buideljong van bijna 4 maanden oud. Als alles goed gaat, brengt een vrouwtje ongeveer elke acht maanden een jongen groot. Jongen die in de winter zijn geboren, overleven beter dan degenen die in de lente of de zomer zijn geboren. Dieren blijven hun hele leven een beetje doorgroeien, waardoor mannetjes uiteindelijk zo'n 11 kg kunnen worden. De levensduur in het wild wordt geschat op vijf tot zes jaar.

Chromosomen De roodbuikpademelon heeft elf sets van twee homologe chromosomen (2n=22), 2 grote, 2 middelgrote en 3 kleine chromosomen waarvan het centromeer dicht bij een van de uiteinden ligt, 1 met het centromeer ongeveer in het midden, en 2 met het centromeer ongeveer even ver van het midden als van het uiteinde, plus de XX of XY geslachtschromosomen.

Verschillen met andere kangoeroes In vergelijking met andere kangoeroes zijn Thylogale-soorten middelgroot, meestal 3-9 kg, met relatief grote voorpoten vergeleken met grotere kangoeroes, lange en fijne vacht en een goed behaarde staart met korte stijve haren die in rust op de grond ligt. Hoewel ze verschillen in kleur en verspreiding, zijn alle soorten vergelijkbaar in grootte, met een kop- en lichaamslengte van ongeveer 60 cm (behalve de kleinere T. calabyi). De staarten zijn ongeveer twee derde van de lengte van kop en lichaam. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes van dezelfde leeftijd. De roodbuikpademelon is de niettemin de grootste soort in het geslacht. De roodbuikpademelon heeft een oranje tot roestrode vacht op de buik, grijzige of bruinige nek and schouders, en kleurrijke markeringen ontbreken op het gezicht en de heup. Het is ook de enige pademelon-soort die op Tasmanië voorkomt, en nergens anders. Bij de roodhalspademelon, die voorkomt aan de oostkust van het Australische vasteland van het midden van Queensland tot het midden van New-South-Wales, ontbreken eveneens kleurrijke markeringen op het gezicht of de heup, maar de nek, schouders en voorhoofd zijn roestig rood terwijl de buik crèmekleurig is. Bij de roodpootpademelon is de buikzijde lichtgrijs van kleur, de nek and schouders zijn grijzig of bruinig, de poten zijn roestig rood, de heupen gelig en is er een wittige vlek bij de snorharen. Deze soort komt zowel voor aan de oostkust van het vaste land van Australië, in zuidelijke richting tot Sydney, als op Papua Nieuw Guinea ten zuiden van de Fly rivier. De filander heeft een volledig witte buikzijde en een donkere snuit, een witte streep onder de neus tot de onderrand van het oog en een donkere vlek bij de bek, lichte voorpoten, een lichte staartpunt en de voorkant van de dijen is licht. Deze soort komt alleen voor in zuidelijk Nieuw-Guinea en op Frederik Hendrikeiland, de Aroe-eilanden en de Kei-eilanden. Thylogale calabyi die alleen voorkomt op enkele geïsoleerde enclaves hoog in de bergen van Papoea-Nieuw-Guinea, is kleiner dan de andere soorten, heeft een grijze buikvacht met een gele punt, een dicht behaarde staart, een duidelijke heupstreep, en kleine stukjes onbehaarde huid in de oksels en liezen. Thylogale browni heeft ook een grijze buik, maar de vacht heeft geen gele pony, geen heupstreep en de plekken met blote huid in de oksels van de ledematen zijn groot. Deze soort komt voor in het noorden van Papoea-Nieuw-Guinea en het noordoosten van Irian Jaya, en is geïntroduceerd in de Bismarck-archipel.

Taxonomie thumb|Afbeelding uit Mammals of Australia gepubliceerd in 1863 door John Gould. De Franse botanicus Jacques Julien Houtou de Labillardière verzamelde het eerste exemplaar van de roodbuikpademelon in 1792 tijdens de expeditie van Antoine de Bruni d’Entrecasteaux naar Van Diemensland (later omgedoopt tot Tasmanië). Deze is voor het eerst beschreven door Anselme Gaëtan Desmarest in 1822 en hij gaf die de wetenschap naam Kangurus billardierii. In 1838 gaf Samuel Frederick Gray de naam Halmaturus (Thylogale) tasmanei en William Ogilby noemde de soort in datzelfde jaar Macropus (Halmaturus) rufiventer. Johann Andreas Wagner gaf de naam Halmaturus brachytarsus in 1842. De roodbuikpademelon wordt gerekend tot de orde Diprotodontia, superfamilie Macropodoidea, familie Macropodidae en onderfamilie Macropodinae. Er worden geen ondersoorten onderscheiden.

Naamgeving