Giuseppe Domenico Scarlatti (Napels, 26 oktober 1685 - Madrid, 23 juli 1757) was een Italiaanse componist, klavecinist en organist uit de bekende muziekfamilie Scarlatti. Hij is bekend geworden door zijn sonates voor klavier, die door hun stijl en technische eisen een belangrijke invloed hebben gehad op de Spaanse en Engelse klaviermuziek - en indirect op de Duitse, Franse en Italiaanse klaviermuziek.
Levensloop Jeugd, 1685–1702 Scarlatti werd geboren als zesde van tien kinderen van componist en kapelmeester Alessandro Scarlatti (1659 - 1725) en Antonia Anzalone. Over de eerste vijftien jaar van Scarlatti's leven is niets bekend. Zijn naam komt niet voor in archieven van muziekscholen of conservatoria. Op 13 september 1701 werd hij benoemd tot componist en organist van de koninklijke kapel in Napels.
Florence, Napels of Rome, 1702–1707 Over de jaren 1702-1707 lopen de bronnen uiteen. Eén weet te melden dat vader en zoon in 1703 van Napels naar Rome trokken en dat daar onder toeziend oog van de componisten Francesco Gasparini en Bernardo Pasquini de basis zou zijn gelegd voor Domenico's muzikale ontwikkeling. In dat geval zou hij ruim zeventien jaar in Rome hebben gewoond voordat hij in 1720 deze stad verliet.
Een andere bronR. Kirkpatrick, Domenico Scarlatti, Princeton 1953/1983, p. 13 e.v. zegt dat Alessandro en Domenico in 1702 vier maanden met verlof in Florence verbleven in een poging om hem aan een betrekking bij prins Ferdinando de' Medici te helpen. In die stad zou hij Bartolomeo Cristofori (1655-1732) hebben ontmoet, de instrumentenbouwer die juist was begonnen te experimenteren met de hameraanslag (in plaats van het tokkelmechanisme) in het klavecimbel, wat zou leiden tot de pianoforte, de voorloper van de moderne vleugelpiano. Zij zouden Florence echter onverrichter zake hebben verlaten, Alessandro zou in Rome kwartier hebben gemaakt terwijl Domenico naar Napels terugkeerde. Daar zou hij van 1703 tot eind 1704 zijn vaders werkzaamheden hebben waargenomen in het door deze bestierde San Bartolomeo theater. Ook zou hij in 1703 met twee opera's zijn gedebuteerd als componist: L'Ottavia ristituita al trono en Il Giustino, die zich in dat geval vrij onopvallend zullen hebben gevoegd in Alessandro's lange reeks van 115 stuks. Mocht vader tevens de hoop hebben gekoesterd dat zijn zoon hem in Napels ook als kapelmeester zou kunnen opvolgen, dan werd die niet bewaarheid. In plaats daarvan zou Domenico in 1705 zijn functie hebben neergelegd en zich bij vader in Rome hebben gemeld. Deze zou hem echter al in mei en in gezelschap van de twaalf jaar oudere, beroemde castraatzanger Nicolo Grimaldi naar Venetië hebben gestuurd om daar zijn geluk te beproeven. Over zijn verblijf daar is niets bekend: gesuggereerd wordt dat hij er voor het eerst de even oude Duitse componist Georg Friedrich Händel ontmoette, die juist aan zijn vierjarig verblijf in Italië begonnen was, alsook vaders illustere collega's Antonio Vivaldi en voornoemde Gasparini.
Assistent-kapelmeester te Rome en solist op klavecimbel, 1707–1709 In 1707 of 1708 meldde Scarlatti zich in Rome opnieuw bij zijn vader, waar hij diens assistent-kapelmeester werd in de basiliek van Santa Maria Maggiore. In zijn gehele werkzame Italiaanse periode, van 1701 tot 1720, heeft hij zowel voor kerkelijke als wereldlijke werkgevers regelmatig vocale en orkestwerken geproduceerd. Onderscheidde hij zich daarin blijkbaar niet noemenswaard (die werken worden vrijwel nooit uitgevoerd en zijn ook nauwelijks vastgelegd op geluidsdragers), wél stemmen alle bronnen met elkaar overeen dat Domenico snel grote faam verwierf met zijn solo-klavecimbelspel.
Duel met Händel, 1708 Het ging in de salons van die tijd in de eerste plaats om pleziermaken, waarbij improvisatie hoge ogen gooide en dat gold ook voor musici. Scarlatti bezocht regelmatig wekelijkse bijeenkomsten die Accademia Poetico-Musicale (meervoud Accademiae Poetico-Musicali) genoemd werden, georganiseerd ten huize van de muziekliefhebber en gezelschapsman kardinaal Pietro Ottoboni. Daar ontmoetten de beste Romeinse dichters en musici elkaar. Daar ontmoette de 22-jarige Domenico in 1708 Händel, met wie hij - op instigatie van Ottoboni - een improvisatieduel op klavecimbel en orgel hield.
Hofcomponist van de Poolse koningin, 1709–1714 Vanaf 1709 was Scarlatti vijf jaar als maestro (hofcomponist) in dienst van de in zelfgekozen ballingschap levende Poolse koningin Maria Casimira d'Anguin (1641-1716). Toen zij in 1714 haar heil in Frankrijk zocht, had hij voor haar ten minste een cantate, een oratorium en zeven opera's geschreven (die thans nooit meer opgevoerd worden).
Assistent-kapelmeester te Rome, 1714–1719 In datzelfde jaar maakte hij kennis met Markies de Fontes, de Portugese ambassadeur bij het Vaticaan, een ontmoeting die van beslissende invloed zou blijken op Scarlatti's latere leven. Terwijl hij in november 1713 al benoemd was tot assistent-kapelmeester van Tommaso Baj in de Cappella Giulia van de Sint-Pieter, benoemde De Fontes hem rechtstreeks tot kapelmeester voor zijn eigen ambassade. Toen Scarlatti Baj na diens dood in december 1714 opvolgde – hij zou daar tot 1719 kapelmeester blijven – had hij dus plots een dubbele baan.
Over zijn laatste vijf arbeidzame jaren in Italië niets bekend, behalve dat hij op 28 januari 1717 een bewijs van wettelijke onafhankelijkheid van zijn vader verwierf.
Verblijf te Palermo of Londen?,Kirkpatrick zegt over de periode tussen Scarlatti's opzegging als kapelmeester en zijn aankomst in Portugal: 'From this time, until after his arrival in Portugal (the actual date is uncertain), Domenico's movements are impossible to trace.', a.w. p. 65 1720 Een bron meldt dat in Palermo (Sicilië) op 16 april 1720 ene Domenicus Scarlatti is ingeschreven bij de Unione di Santa Cecilia (wat dit ook moge zijn of zijn geweest), die daar ten minste tot december 1722 zou zijn gebleven. Vervolgens zou hij in 1723 zijn opgedoken in Lissabon waar hij kapelmeester werd, maar in 1724 alweer zijn teruggekeerd naar Rome. Hij zou Italië pas voorgoed verlaten hebben na zijn vaders dood in oktober 1725, al zou hij in 1728 nog één keer teruggekomen zijn om te trouwen.
Volgens een andere bron was Scarlatti nooit in Palermo. In plaats daarvan zou hij Händel gaan opzoeken in Londen, waar deze intussen hofcomponist was geworden. Uit niets blijkt echter dat de beide, inmiddels 35-jarige, musici elkaar inderdaad in Londen hebben teruggezien. Domenico's weerzien met Thomas Roseingrave, die hij twaalf jaar eerder in Rome ook ten huize van kardinaal Ottoboni had ontmoet en die zich intussen tot enthousiaste bewonderaar en pleitbezorger van zijn werk in Engeland had ontpopt, ligt meer voor de hand. Roseingrave zou ook degene zijn die jaren later de eerste (en tijdens Scarlatti's leven enige) uitgave publiceerde van een bundel van dertig van zijn sonates: 'Essercizi per gravicembalo' (Londen, 1738-9). Wel werd in The King's Theatre Scarlatti's opera 'Narciso' opgevoerd.
Hofcomponist te Lissabon, 1720–1728 Welke versie ook de juiste is, in Lissabon kwam Scarlatti zeker terecht. Wie hem namelijk niet uit het oog verloor, was Markies de Fontes. Deze zou Scarlatti ertoe hebben weten over te halen om al in hetzelfde jaar 1720 van Londen naar Lissabon te reizen waar hij, mogelijk als resultaat van de opvoering van zijn opera 'Contesa delle stagioni' in de koninklijke kapel, vrijwel direct een aanstelling kreeg als hofcomponist van de Portugese koning João V (1689-1750). Belangrijker was echter dat hij ook privéleraar werd van João's kinderen, met name van diens toen negenjarige dochter Maria Barbara (de Bragança) (1711-1758), die talent voor het klavecimbelspel aan de dag had gelegd. Acht jaar lang, tot 1728, verbleef Scarlatti aan het Portugese hof, waar hij religieuze en wereldlijke muziek schreef, maar waarvan het grootste deel bij de zware aardbeving van 1755 verloren zou zijn gegaan. Niettemin zou zijn besluit om deze aanstelling te accepteren beslissend blijken voor de ontplooiing van zijn muzikale genie: voor Maria Barbara zou hij het merendeel van de sonates schrijven die hem zijn plaats in de geschiedenis van de klaviermuziek bezorgden. Het merendeel van de sonates is dus waarschijnlijk tussen 1720 en 1757 ontstaan.
In Lissabon raakte Scarlatti bevriend met José António Carlos de Seixas, de organist van de koninklijke kapel, die ook klaviermuziek schreef. Ondanks hun vriendschap hebben de twee componisten elkaar nauwelijks beïnvloed; hun muziek is totaal verschillend van karakter.
De vorsers komen weer enigszins op één lijn op het punt waar Scarlatti de laatste malen voet op Italiaanse bodem heeft gezet, zij het dat de ene bron rept van een lang en een kort bezoek, en de tweede van drie korte bezoeken. Zoals we zagen zou hij volgens de eerste versie van 1724 tot de dood van zijn vader op 24 oktober 1725 in Rome zijn geweest, zijn teruggekeerd naar Lissabon en in 1728 nogmaals zijn teruggekeerd om even te trouwen. Omdat een verlof van meer dan een jaar voor de eenvoudige hofcomponist en privéleraar van een Portugese kroonprinses wel bijzonder lang lijkt, ligt versie twee meer voor de hand. Alsdan (hierover zijn alle bronnen het eens), zou het nageslacht aan Domenico's eerste bezoek in 1724 diens eerste ontmoeting danken met de castraatzanger Carlo Broschi (1705-1782), beter bekend als Farinelli, die toen nog niet bevroedde dat hij tientallen jaren later Scarlatti's klavier-nalatenschap voor teloorgang zou behoeden. In november 1725 bezocht Scarlatti Napels – of Rome, hierover bestaat onzekerheid – in verband met de dood van zijn vader voor een tweede maal. Ten slotte keerde hij in 1728 voor de derde en laatste keer terug naar Rome. Hij ontmoette er Maria Caterina Gentili, van wie slechts vermeld wordt dat zij toen 16 jaar oud was, en trouwde met haar alvorens naar Portugal terug te keren. Zij kregen vijf kinderen.
Aan het Spaanse hof, 1729–1757 Maria Barbara en Ferdinand Kort na Scarlatti's terugkeer, op 20 januari 1729, werd zijn 18-jarige leerlinge Maria Barbara uitgehuwelijkt aan de Spaanse kroonprins Ferdinand VI van Spanje (1713-1759). Zij verzocht Scarlatti haar te vergezellen naar het Spaanse hof in Sevilla. Hij accepteerde en verbleef daar met zijn gezin tot 1733 alvorens in haar gevolg naar Madrid te verhuizen, waar hij de rest van zijn leven doorbracht. Hoelang hij daar in de Calle Leganitos gewoond heeft, die nog steeds bestaat, is niet duidelijk. Er hangt een gedenkplaat aan het betreffende huis.
In de beslotenheid van het Spaanse hof, dat overigens danig door het land toerde langs alle paleizen die men bezat – wat Scarlatti de kans bood om in vele streken volksmuziek te beluisteren en die hij in menige sonate zou verwerken –, was sprake van drama's en daarmee samenhangende intriges. Ferdinands vader, koning Filips V van Spanje (1683-1746) was na de dood van zijn eerste vrouw Maria Louisa van Savoye (1688-1714), direct hertrouwd met Elisabetta Farnese (1692-1766), telg uit een roemrijk Italiaans geslacht. Zij was een kordate vrouw, die haar steeds vaker aan depressies lijdende man al snel op alle terreinen overvleugelde. Niet alleen hield zij Ferdinand volkomen onkundig van staatszaken, zelfs belette zij hem en Barbara, aan wie zij de pest schijnt te hebben gehad, om zich buiten het hof te begeven tenzij op ceremoniële feestdagen, en voor het overige maakte zij er evenmin een geheim van dat zij haar eigen oudste zoon Carlos (1716-1788) veel geschikter vond als troonopvolger.
Ferdinand en Barbara, die kinderloos zouden blijven, leefden dus letterlijk in een gouden kooi en in die kooi trad Scarlatti jaar in jaar uit aan met steeds weer nieuwe sonates voor zijn patrones, tot wie hij onbeperkt toegang zal hebben gehad omdat hij immers in het huwelijk was 'meegenomen'. Blijkbaar zag koningin Farnese geen gevaar in deze in en uit wippende muzikant.