thumb|Militaire situatie in Irak en Syrië (februari 2015). thumb|Explosie van een autobom in Bagdad, april 2005 Sinds de Amerikaanse inval in 2003 vindt in Irak hevig en gewelddadig verzet plaats, in eerste instantie tegen het nieuwe gezag van de Stabilisation Force Iraq en later tegen de regering van Irak. De toestand was vooral tot 2007 zo ernstig dat westerse media en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties Kofi Annan spreken van een burgeroorlog.Annan noemde de situatie in Irak 'veel erger' dan die in Libanon jaren eerder. Rumsfeld verrast met ideeën voor Irak. Reformatorisch Dagblad, 4 december 2006. URL bezocht op 27 april 2026 De Amerikaanse en Iraakse regering zijn het met deze kwalificatie niet eens.

Aanvankelijk waren bijna alle actieve opstandelingen binnen- en buitenlandse soennitische Arabieren. De soennitisch-Arabische bevolking, 20 procent van de Irakezen, domineerde tot de val van Saddam Hoessein het regime van de republiek. Het aandeel van de sjiieten in het geweld tegen de vermeende bezetter was in eerste instantie minder, maar is de afgelopen tijd groter geworden. Na 2007 werd het rustiger in Irak, maar aanslagen bleven plaatsvinden. Het gebied in het uiterste noorden, waar het Koerdische zelfbestuur een grondwettelijke status kreeg, werd echter nauwelijks door geweld getroffen. In 2008 nam het aantal aanvallen van gewapende groeperingen af, maar er bleven maandelijks honderden doden vallen door geweld. Zowel in 2010 als in 2011 vielen er nog ruim 4000 burgerslachtoffers in Irak. Volgens afspraak verliet het Amerikaanse leger Irak in december 2011. De Iraakse regering was hierna echter niet in staat het geweld te beteugelen, waarvan de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL) gebruik kon maken. In 2014 was ISIL zo machtig geworden, dat de situatie escaleerde tot een volledige burgeroorlog.

Verloop Golfoorlog

Op 20 maart begon de zogenaamde Coalition of the willing de oorlog. Amerikaanse vliegtuigen bombardeerden doelen in Bagdad. De opmars van de Amerikanen, Britten, Polen en Australiërs verliep voorspoedig. Veelvuldig werden vitale werken van infrastructuur, zoals bruggen, opgeblazen. Op 9 april veroverden de grondtroepen Bagdad en op 14 april werd Tikrit, Saddams thuisbasis, veroverd. Op 1 mei verklaarde president George W. Bush dat de oorlog ("major combat operations") voorbij was. Wel verwachtte de coalitie nog wat verzetshaarden aan te treffen. Tot dan toe waren in totaal 130 Amerikaanse soldaten omgekomen. Twee jaar later hadden al meer dan 1500 Amerikaanse soldaten het leven gelaten tijdens de op de oorlog volgende bezetting van Irak.

Op 14 juni 2005 gaf Donald Rumsfeld, minister van Defensie van de VS, toe dat Irak nu niet veiliger was dan in 2003, juist na de val van Saddam Hoessein.

Samenstelling De Iraakse opstandelingen zijn samengesteld uit een tiental grotere verzetsorganisaties en talloze kleinere cellen. Qua ideologie kan het worden onderverdeeld in drie groepen: Ba'athisme, nationalisme en islamisme.

De Ba'athisten zijn samengesteld uit voormalige notabelen van de Ba'ath-partij, de Fedayeen Saddam, een aantal voormalige agenten van de Iraakse geheime dienst en veiligheidsdiensten. Hun doel was, in ieder geval voor de gevangenneming van Saddam Hoessein, het herstel van het voormalige Ba'ath regime. Het Ba'athregime had zijn machtsbasis onder de soennitische moslims, terwijl die groep een minderheid vormt in Irak. Deze privileges zijn door de Amerikanen en de nieuwe Iraakse regering ingetrokken, waardoor veel voormalige Ba'athleden hun baan verloren. Vooral zij zijn erop gebrand de privileges die ze hadden onder het regime van Saddam Hoessein terug te winnen, door middel van gericht geweld tegen de buitenlandse troepen en de Iraakse instanties. Verder hebben deze groepen een aversie jegens sjiieten en Koerden en tegen hen gebruiken ze ook geweld. De nationalistische groeperingen bestaan uit voormalige leden van het Iraakse leger en uit normale Irakezen. Door in mei 2003 het Iraakse leger en andere organisaties te ontbinden, dreef de Coalition Provisional Authority deze groep verder van zich af, wat verstrekkende gevolgen zou hebben.https://web.archive.org/web/20200108134340/https://time.com/3900753/isis-iraq-syria-army-united-states-military/ How Disbanding the Iraqi Army Fueled ISIS. Time 25 mei 2015 URL bezocht op 6 januari 2020 Hun redenen om tegen de bezetting te strijden lopen uiteen van een principiële verwerping van buitenlandse aanwezigheid tot Amerikaans falen om snel de macht over te dragen. Ook Irakezen van wie familieleden gedood zijn door Amerikaanse soldaten maken deel uit van het nationalistische verzet vanwege de Iraakse code van bloedwraak. Behalve het uitdrijven van de buitenlandse troepen uit Irak wordt er geen coherent politiek doel nagestreefd door het nationalistische verzet. De islamitische opstandelingen bestaan uit drie hoofdstromen: Irakezen die behoren tot de salafistische tak van het soennisme, die een terugkeer wenst naar de pure islam uit de dagen van Mohammed en tegen elke invloed van niet-moslims gekant is. Het geloof en de gebruiken van de salafistische islam zijn vergelijkbaar met die van de wahabieten in buurland Saoedi-Arabië, waar Osama bin Laden ook deel van uitmaakte. Behalve tegen de regering en de Amerikanen wordt ook geweld gebruikt tegen sjiieten en religieuze minderheden. Buitenlandse strijders die het land zijn binnengekomen en die Irak zien als het nieuwe "strijdveld van de Jihad" tegen de Verenigde Staten. Er wordt algemeen aangenomen dat de meesten vrijwillige strijders zijn, met waarschijnlijk ook een aantal leden van al Qaida en de aan hen gerelateerde groep Ansar al-Islam. Sinds de opstand begon, hebben de moslims steevast aan invloed gewonnen binnen het Iraakse verzet en sinds de gevangenname van Saddam Hoessein hebben ze de leidende rol in de opstand overgenomen van het afnemende Ba'ath verzet. Abu Musab al-Zarqawi wordt gezien als hun leider. Het conflict wordt door de buitenlandse strijders ook gebruikt als mogelijkheid om met wapens en explosieven te trainen, net zoals in de (eerdere) conflicten in Afghanistan, Bosnië en Herzegovina en Tsjetsjenië. De opgedane kennis en ervaring zou dan later bij aanslagen in hun thuisland gebruikt kunnen worden.Uit zowel een Saoedische, als een Israëlische studie van buitenlandse strijders die naar Irak wensten te gaan, blijkt dat bijna geen van hen voordien banden hadden met Al Qaida of andere terroristische organisaties, maar juist radicaliseerden als gevolg van de Irak-oorlog. Evenals Iraakse salafistische groepen gebruiken ook buitenlandse jihadisten geweld tegen de regering, de Amerikanen, sjiieten en religieuze minderheden. sjiitische moslims onder leiding van Moqtada al-Sadr. Het Mahdi-leger van al-Sadr bezette de Imam Alimoskee in Najaf, maar trok zich na bemiddeling van Ali al-Sistani terug. Ze mochten hun wapens echter houden en blijven een bron van verzet. Een wijk van Bagdad, Sadr-stad, waar zo'n twee miljoen mensen wonen, is ook sjiitisch en staat onder 'los' bevel van al-Sadr. Ook hier zijn opstanden geweest en blijven aanslagen plaatsvinden. Na escalatie van het geweld en de opmars van ISIL hebben veel sjiitische milities een gelegenheidsverbond met de regering gesloten.

Omvang Soennitisch oproer Schattingen van het totale aantal Iraakse guerrilla's lopen uiteen. Het Amerikaanse leger schat dat de kern van de beweging bestaat uit zo'n 5000 vechters, hetgeen samen met actieve sympathisanten en parttime rebellen neer kan komen op 50.000 (volgens een CIA-rapport). De meeste intense rebellenactiviteiten vinden plaats in Bagdad en de driehoek die zich uitstrekt van het westen van de hoofdstad tot aan de stad Ramadi en Tikrit in het noorden, een gebied dat ook bekendstaat als de Soennitische driehoek. Guerrilla-activiteit vindt ook plaats rond al-Qaim in het westen van Irak en rond de steden Mosoel en Kirkoek in het noorden, evenals in een aantal andere gebieden van het land. In de westelijke regio's van de Soennitische Driehoek, inclusief het gebied rond Fallujah en Ramadi, hebben de rebellen ten tijde van april 2004 controle ingenomen over het grootste deel van de stedelijke gebieden.

Sjiitische opstand van april 2004 Tot april 2004 bleef het zuidelijke deel van Irak relatief vrij van het guerrillageweld dat had toegeslagen in de soennitische regio's van centraal Irak (met de noemenswaardige uitzondering van een reeks zelfmoordaanslagen waarvan soennitische moslims verdacht worden). Dit veranderde toen de radicale sjiitische geestelijke Moqtada al-Sadr op 4 april 2004 zijn volgelingen opriep een gewapende opstand te beginnen. Dit was het gevolg van de door de coalitie afgedwongen sluiting van krant van al-Sadr, al-Hawza, en na de arrestatie van een van zijn volgelingen op verdenking van moord. Ook het politieke aanzien van al-Sadr was de maanden daarvoor afgenomen. Dit alles had tot gevolg dat al-Sadr opriep tot een gewapende opstand. al-Sadrs Mahdi-Leger begon gecoördineerde aanvallen op de coalitiemacht in het gehele zuiden en nam op 7 april controle over de steden Najaf, Koefa, al Koet en delen van Bagdad en andere zuidelijke steden. Dit leger telt naar schatting tussen de 3000 en 10.000 man.

Tactiek en methodes van de guerrilla Executies Tientallen Iraakse politiemannen, militairen en medewerkers van ministeries worden vanuit voorbijrijdende auto's of middels sluipschutters doodgeschoten in Irak. Een aanval die in het bijzonder de media haalde, was het doodschieten van 2 van de 14 soennitische leden van het comité dat voor 15 augustus 2005 een nieuwe grondwet voor Irak moet samenstellen. Ten gevolge van deze aanval trokken de overige soennitische leden van het comité zich terug.

Explosieven en bomaanslagen op afstand Typische Iraakse guerrilla-aanvallen tegen de Alliantie nemen de vorm aan van aanvallen op VS-konvooien en patrouilles met geïmproviseerde explosieven (Improvised Explosive Devices, of IED's). Deze bermbommen, zelfgemaakt of vervaardigd van wapentuig van het voormalige Iraakse leger, worden gecamoufleerd verstopt op hoofdwegen en tot ontploffing gebracht met een afstandsbediening of een kabeltje wanneer een konvooi of een patrouille passeert.

Meer en meer blijkt sinds de zomer van 2005 dat de explosieven speciaal gevormde ladingen bevatten om de ontploffingen beter te 'sturen' en zo gemakkelijker door de pantsering van militaire voertuigen te breken. Amerikaanse militairen gaan ervan uit dat deze vaardigheid aangeleerd werd door de Hezbollah, die soortgelijke technieken toepaste tegen het Israëlische leger. Een voorbeeld van de effectiviteit van deze bommen was bijvoorbeeld een aanslag in de buurt van Haditha op 3 augustus 2005, waarbij 14 mariniers het leven lieten.

Aanslagen met bermbommen zijn de hoofdoorzaak van coalitieslachtoffers in Irak. In 2005 is het aantal aanvallen met bermbommen langs voorraadroutes (vertrekkende uit Jordanië, Koeweit & Turkije en gaande naar Bagdad) tegen de coalitietroepen verdubbeld naar zo'n 30 aanvallen per week. Het aantal dodelijke slachtoffers is echter niet evenredig gestegen door verhoogde bepantsering.

Mortieren