thumb|Middeleeuwse spoelput voor de lakenindustrie te Zierikzee De lakenindustrie in de Lage Landen was een industrie die zich bezighield met het maken van wollen lakenstoffen. Tussen 1150 en 1400 vond de voornaamste productie plaats in diverse Vlaamse steden, maar na 1400 groeide de lakenindustrie van Leiden en Gouda uit tot de belangrijkste in Europa.
Geschiedenis In de kustgebieden van de Lage Landen hielden de bewoners van oudsher schapen. De stoffen uit wol en katoen werden van oudsher als huisnijverheid verwerkt tot kleding en dekens, voor eigen gebruik en soms voor een kleine klantenkring.
In de Romeinse tijd zou er al een belangrijke wolnijverheid hebben bestaan in de Civitas Atrebatum (dat eeuwen later het Graafschap Artesië zou worden). In 301 vaardigde keizer Diocletianus het Edictum de pretiis rerum venalium ("edict over de prijzen van koopwaren") uit als prijscontrole, waarin werd gepoogd om een lange lijst van goederen een vaste prijs te gegeven; in het hoofdstuk over verschillende soorten wol werd "wol van de Atrebates" op een bedrag van 200 denariën per pond gezet. In de derde eeuw schreven Romeinse bronnen over de kwaliteit van de mantels uit Turnacum (Doornik) en Nemetocenna (Arras/Atrecht).
De lakennijverheid werd al spoedig een zaak van gespecialiseerde ambachtslieden. De lakennijverheid had de neiging zich in bepaalde gebieden te concentreren, zoals Noord-Frankrijk (graafschap Artesië, Frans-Vlaanderen), het graafschap Vlaanderen en later het hertogdom Brabant en het graafschap Holland. Tot halverwege de 13e eeuw was de enige op export gerichte lakennijverheid in de Lage Landen te vinden in de grote Vlaamse steden. Vanaf 1250 kwam de lakenindustrie ook op in de kleinere Vlaamse steden, verbreidde zich naar Brabantse steden zoals Brussel en Leuven en kwam ook elders tot ontwikkeling zoals Mechelen en Maastricht. Hoewel er in steden zoals Maastricht al wel bewijs is van textielfrabricage in de 11e en 12e eeuw, wordt er pas van stedelijke textielindustrie gesproken wanneer de arbeidsdeling tussen stad en platteland enerzijds en binnen de stad zelf anderzijds voldoende is ontwikkeld (in Maastricht vanaf ongeveer 1276). Productiecentra specialiseerden zich vaak in één of enkele kwaliteiten en kleuren om de herkenbaarheid te vergroten.
Graafschap Vlaanderen Opkomst Vlaamse lakennijverheid (11e–13e eeuw) thumb|De 13e-eeuwse Lakenhalle van Ieper is een van Europa's grootste burgerlijke gebouwen in gotische stijl. (foto 2004) In de elfde eeuw beleefde de Vlaamse lakenindustrie haar opgang, met Atrecht als koploper. Technologische vooruitgang en de internationale handel, waarvan het graafschap een van de centra was, droegen hieraan bij. Aan het einde van de 11e eeuw stonden steden verder noordwaarts in het graafschap voorop bij de ontwikkeling: (Rijsel, Dowaai en Sint-Omaars). Vanaf einde 11e eeuw zorgden de kruistochten ervoor dat het Vlaams laken bij heersers en de hoge adel van vele landen bekend raakte. De inventaris van een koning van Napels uit die tijd vermeldt lakens uit Aalst.
Halverwege de 13e eeuw waren Ieper, Wervik, Nieuwkerke, Brugge en Gent de bekendste Vlaamse lakencentra. Elke stad probeerde in een of andere specialiteit of variëteit uit te blinken. In de plaats Duffel werd een vervaardigingsproces ontwikkeld voor een dikke wind- en waterdichte wollen stof die bekend werd als Duffelse stof, naamgever voor de duffel jas of Leidse zeeduffel. Veel Vlaamse steden getuigen nog van de welvaart die de lakenindustrie bracht.
Voor de Vlaamse wevers kwam de beste wol uit Engeland. Er ontstond een intense wolhandel tussen Engeland en Vlaanderen. Die afhankelijkheid van de Engelse wol brak de Vlamingen vaak zuur op. Het stadje Veurne kende in de 12e en 13e eeuw een zeer snel groeiende lakennijverheid, waaraan echter een abrupt einde kwam tijdens een Engels-Vlaams conflict rond 1270. Vanaf 1300 probeerde men dan ook alternatieve aanvoerroutes te realiseren. Die werden gevonden in Schotland, waar met name vanuit Veere op gevaren werd.
Gent
Tot eind 13e eeuw werd het Gentse stadsbestuur beheerst door een kleine groep pratricische families, bekend als de 39 Gentse schepenen, waartegen de textielarbeiders vanaf ongeveer 1275 zich tegen gingen verzetten. Na de Guldensporenslag (1302) tijdens de Vlaamse Opstand (1297-1305) verwierven de ambachten, met name de wevers, een belangrijke plaats in het nu door burgers beheerste stadsbestuur. In 1320 werden de wevers uit het Gentse bestuur gestoten en moesten belasting betalen.
Engelse koningen bemoeilijkten soms de uitvoer van wol of zetten deze tijdelijk stop om politieke druk uit te oefenen. Zo hief Jan zonder Land (regeerde 1199–1216) een accijns op de uitgevoerde wol en Eduard III kreeg te maken met ontevreden wolexporteurs toen hij de export verbood bij het uitbreken van de Honderdjarige Oorlog in 1337, omdat de Vlaamse graaf partij koos voor de koning van Frankrijk. De Vlaamse lakenindustrie drong er daarom op aan om juist een verbond te sluiten met Engelsen om de wolinvoer veilig te stellen. Dit leidde tot de Gentse opstand onder leiding van Jacob van Artevelde (1338–1345), die met steun van de wevers uit Gent (en later Brugge en Ieper) aan de macht kwam en in maart 1338 zijn belofte inloste om na het sluiten van een verdrag met de Engelse koning de wolimport te laten hervatten. Bovendien bereikte Artevelde dat Engeland schadevergoedingen betaalde voor de geleden schade aan de Vlaamse lakenindustrie en de belofte om neutraal te blijven in het Frans-Engelse conflict; tegelijkertijd schold de koning Filips IV de Vlaamse schulden aan de Franse kroon kwijt om te voorkomen dat het graafschap in het Engelse kamp werd gedreven. De pro-Engelse Artevelde botste echter steeds meer en de pro-Franse Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers (die in 1342 naar Frankrijk vluchtte), vanaf 1340 gingen Vlaamse soldaten toch aan de Engelse zijde meevechten in de oorlog en ondertussen raakten het weversgilde en het voldersgilde op 2 mei 1345 op de Vrijdagmarkt slaags over hun tegenstrijdige economische belangen. Tijdens het gevecht op deze 'Quaden Maendach' vielen vele doden en de zegevierende wevers raakten in een machtsstrijd met Artevelde en vermoordden hem uiteindelijk. Bij een nieuw gildengevecht op Goede Disendach in 1349 versloegen de volders de wevers en kon de nieuwe graaf Lodewijk van Male zijn gezag herstellen, terwijl een uittocht van wevers de gehele textielsector van Gent in ernstige problemen bracht. Mede door toenemende concurrentie met Engelend verergerde het verval van de Gentse lakennijverheid na 1350. Tijdens de Bourgondische tijd zorgde onrust onder gilden in Gent voor nog enkele andere Gentse opstanden waarin de wevers en volders een belangrijke rol speelden.
Armoede, toen de aanvoer van wol vanuit Engeland weer opgedroogd door Oorlog van de Liga van Cognac, stimuleerde sterk de opkomst van anabaptisme en later het calvinisme. De Tachtigjarige Oorlog begon in het Westkwartier onder het textielproletariaat.
Geleidelijk verval Vlaamse lakennijverheid (14e–16e eeuw) In de loop van de 14e eeuw begon de Ieperse lakennijverheid te vervallen. Het West-Vlaamse Tielt had een bloeiende lakennijverheid in de 13e en 14e eeuw, maar nadat het in 1383 tijdens de Gentse Opstand (1379-1385) door de Oost-Vlaamse Gentenaren werd platgebrand en ook van de 16e tot 18e eeuw regelmatig door oorlogsvoering werd geschaad, heeft de industrie zich er nooit kunnen herstellen. Kortrijk was vanaf de late middeleeuwen tot de 16e eeuw een belangrijk productiecentrum van goedkoop laken en schakelde daarna met succes over tot een vlasmarkt van de Leiestreek en behield tot in de 20e eeuw een aanzienlijke nijverheid voor fijn linnen. Laatbloeier Hondschote bereikte haar hoogtepunt van pas in de 16e eeuw en de lakenwevers ('saaien') van Hondschote speelden een belangrijke rol in de Reformatie.
Hertogdom Brabant thumb|Lakenhalle van Leuven in de 16e eeuw Vanaf het midden van de 13e eeuw kwam de lakennijverheid sterk op in Brabantse steden zoals Brussel en Leuven. Begin 14e eeuw was Brabant een belangrijke concurrent van Vlaanderen geworden, maar vanaf midden 14e eeuw zijn er aanwijzingen dat de lakenindustrie langzamerhand begon te vervallen. De neergang van de Leuvense lakenindustrie zorgde tussen 1360 en 1383 voor vele social onlusten in de stad, die haar politieke leidersrol in Brabant verloor, maar door de stichting van de Universiteit Leuven in 1425 (waarbij de Lakenhalle de Universiteitshal werd) werd zij in plaats daarvan het intellectuele centrum van de Nederlanden. De textielindstrie van Herentals in Midden-Brabant floreerde nog tot de 16e eeuw; de restanten van de 15e-eeuwse Lakenhal heten het Belfort van Herentals.
Brussel
In de 14e eeuw was het Brusselse laken een luxeproduct waarmee men zich aan de Europese hoven kleedde. Niet lang na het ontstaan van de stad, in de 12e eeuw, werd er waarschijnlijk al laken gemaakt in Brussel. Vochtige gronden in de omgeving waren ideaal voor schapenteelt. De nijverheid groeide en was vanaf de tweede helft van de 13e eeuw internationaal vermaard. Gearchiveerde historische documenten signaleren in 1265 een levering aan Venetië, en ook de Avignonse pausen en de Franse koningen bevoorraadden zich met Brussels laken. Wol werd geïmporteerd uit Engeland en Ierland, verfstoffen en aluin uit andere landen. In gans Europa was het Brusselse laken op het hoogtepunt in de 14e eeuw dé referentie. Daarna ging het vrij gestaag bergaf onder druk van Engelse en Normandische concurrentie. Brussel schakelde met succes over op de luxe-industrie van de wandtapijten, zoals eerder Atrecht en Doornik.
Lier Lier had een bloeiende laatmiddeleeuwse lakennijverheid die eind 15e eeuw in verval raakte. De stad wist in de eerste helft van de 16e eeuw succesvol over te schakelen naar de nieuwe draperie met goedkopere lakens en linnenweverijen, waarmee de borduurwerkers uit Lier wereldberoemd werden, mede door de nabijheid van de economische metropool Antwerpen. Handel en industrie stortten in de tweede helft van de 16e eeuw in.
Prinsbisdom Luik Hasselt In Hasselt, de hoofdstad van het Graafschap Loon (in 1366 ingelijfd door Luik), was er al sinds minstens het jaar 1303 sprake van een weversambacht. De Alde Lakenhalle was op de hoek van de Hoogstraat en de Fruitmarkt gevestigd; dit pand kreeg halverwege de 15e eeuw een andere functie. De Hasseltse lakennijverheid ging in de 16e eeuw ten onder; de nieuwe 15e-eeuwse Lakenhalle van Hasselt op de Grote Markt kreeg vanaf 1670 ook een reeks andere functies (waaronder stadhuis en rechtbank) en is sinds de 18e eeuw het Vergaderhuis van het Literair Genootschap.
Verviers Het Prinsbisdom Luik (met uitzondering van het Loonse gebied) beleefde vanaf 1500 een economische renaissance, waarbij verschillende exportindustrieën waaronder de lakennijverheid rondom Verviers tot bloei kwamen. Luik ondervond echter toenemende concurrentie vanuit het buitenland, voornamelijk toen vanaf de 18e eeuw de regering van de Oostenrijkse Nederlanden de invoerrechten steeds duurder maakte om de eigen industrie met mercantilisme te beschermen en met de aanleg van een degelijke wegennet de binnenlandse logistiek bevorderde. Om de hoge importtarieven te omzeilen en omdat de Luikse regering te weinig middelen had om goede wegen aan te leggen, vervoerden veel Luikse exporteurs hun goederen via de rivier de Maas, die daardoor overbelast raakte. De wolnijverheid van Verviers en de omliggende Vesdervallei bleef nog lang bloeien tot de jaren 1960, waarna deze aftakelde.
Overige Zuidelijke Nederlanden Maastricht