Therizinosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Therizinosauria, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Mongolië. De enige benoemde soort is Therizinosaurus cheloniformis.

De eerste fossielen van Therizinosaurus, een paar reusachtige klauwen, zijn in 1948 gevonden. De typesoort kreeg in 1954 zijn naam, Therizinosaurus cheloniformis, die 'schildpadvormige maaisauriër' betekent. Men dacht namelijk dat het om een dier ging dat op een zeeschildpad leek en met de klauwen zeewier maaide. Pas na nieuwe vondsten in de jaren zeventig begrepen de geleerden dat het in feite een theropode dinosauriër was. Ook toen wist men nog niet goed hoe het dier eruitzag; dat werd eerst in de jaren negentig duidelijk nadat al eerder ontdekte soorten als verwanten herkend werden. Die maken het mogelijk ons een beeld te vormen van Therizinosaurus waarvan op zich nog steeds maar weinig resten ontdekt zijn.

Therizinosaurus was een grote dinosauriër die minstens negen meter lang werd en vijf ton zwaar. Anders dan de meeste theropoden was Therizinosaurus een planteneter in plaats van een vleeseter. Hij had een dikke buik om de planten te verteren. Hij liep op zijn korte stevige achterpoten en brede voeten met vier dragende tenen. Om te voorkomen dat hij voorover zou vallen, hield hij zijn romp opgericht. De korte staart wees dan schuin naar beneden. De hoge romp liep uit in een lange smalle nek. Daarop stond een kleine langwerpige kop met een snavel die hoog in de bomen stukken plant kon afbijten. Die werden door kleine gekartelde tanden verder verknipt, ingeslikt en in de maag door maagstenen vermalen. De voorpoten waren erg lang maar dienden niet om op te lopen. Ze eindigden in drie enorme zeisvormige klauwen van wel een meter lengte. Daarmee kon Therizinosaurus grote roofsauriërs afweren als Tarbosaurus. De klauwen van Therizinosaurus zijn de langste die uit het dierenrijk bekend zijn. Therizinosaurus is de grootste bekende therizinosauriër en zelfs het grootste bekende lid van de Maniraptora, de groep dinosauriërs waartoe ook de vogels behoren. Net als de vogels was Therizinosaurus warmbloedig en had een verenkleed, alleen leken de veren bij hem vermoedelijk meer op haren.

Vondst en naamgeving left|thumb|Een replica van de klauw In 1948 werden tijdens een Sovjet-Mongoolse expeditie in de provincie Ömnögovĭ in de Gobiwoestijn raadselachtige fossiele resten gevonden. De typesoort Therizinosaurus cheloniformis werd in 1954 benoemd en beschreven door de Russische paleontoloog Ewgeni Aleksandrowitsj Malejew. De geslachtsnaam betekent 'maaiend reptiel', vanuit het Klassiek Griekse θερίζειν, therizein, 'maaien', een verwijzing naar de zeisvormige klauwen. De soortaanduiding is afgeleid van het Grieks χελωνός, cheloonos, 'schildpad' en het Latijn forma, 'vorm'.

De reden om het epitheton 'schildpadvormig' te laten luiden kwam voort uit de foute conclusie van Malejew dat het om een dier zou gaan dat op een zeeschildpad leek, een vermoedelijke verwant van de Protostegidae maar nog groter, met een lengte van 4,5 meter en een breedte van 3,25 meter. Hij liet de beschrijving zelfs vergezeld gaan van een tekening van een reusachtige op een oever liggende schildpad die de enorme klauwen gespreid hield. De fout was mede veroorzaakt doordat Malejew dacht dat een lange rib van een sauropode van het specimen deel uitmaakte; hij reconstrueerde het dier zo dat die zijwaarts uitstak.

Het holotype PIN no. 551-483 is gevonden in de 'Witte Lagen' van de Nemegtformatie die dateren uit het Campanien, ongeveer 71 miljoen jaar geleden. Het bestaat uit ribben van de borstkas, een duimklauw, een bovenste duimklauw, een klauw van de tweede vinger, en een fragment uit de middenhand of middenvoet. In 1976 werden er door Rinchen Barsbold verschillende verdere specimina aan de soort toegewezen: IGM 100/15, bestaande uit ribben, de schoudergordel en delen van de voorpoten; IGM 100/16, het uiteinde van een duimklauw; en IGM 100/17, het bovenstuk van een duimklauw. In 1982 volgde IGM 100/45, bestaande uit delen van de achterpoten. Al deze later toegewezen fossielen zijn tegenwoordig of zoek, of maken deel uit van een reizende tentoonstelling, wat het onderzoek bemoeilijkt, hoewel er wel afgietsels van bestaan.

Beschrijving Algemene bouw en grootte thumb|De grootte vergeleken met die van een mens Therizinosaurus zelf is tot nu toe de grootste bekende therizinosauriër. Vroegere schattingen overdreven zijn grootte nogal omdat de hele bouw van de therizinosauriërs slecht bekend was. Er werd gedacht dat het beest wel twaalf meter lang kon worden. Huidige schattingen vallen lager uit. Gregory S. Paul hield het in 2010 op een lichaamslengte van tien meter, een gewicht van vijf ton. Hetzelfde jaar stelde Michael Mortimer dat het holotype 8,3 meter lang moest zijn geweest en 3,9 ton zwaar; IGM 100/15 zou bij een lengte van 9,6 meter ongeveer 6,2 ton hebben gewogen en IGM 100/45 zou 6,5 meter lang geweest zijn en 1,9 ton zwaar. In 2010 extrapoleerden Philip Senter en James Robins vanuit de lengte van het opperarmbeen een schatting voor de hoogte van het heupgewricht van 3001,1 millimeter. Dit is een halve tot één meter hoger dan andere reconstructies zouden doen vermoeden, dezelfde hoogte van reuzen als Carcharodontosaurus en Tyrannotitan, maar Senter en Robins pasten een algemene formule voor theropoden toe, waarbij geen rekening gehouden werd met de relatief korte poten van de therizinosauriërs. left|thumb|De grootte vergeleken met de grootste andere theropoden De algemene bouw is die van de therizinosauriden: tweevoetig met een sterk opgerichte houding, korte achterpoten, korte voorpoten met enorme klauwen, een groot, dik en met primitieve veren bedekt lijf, een lange, dunne nek en een kleine langwerpige kop met tanden van een planteneter; een korte staart. Het was pas in de jaren zeventig dat überhaupt duidelijk werd dat Therizinosaurus zo'n lichaamsbouw had. Zelfs nadat men tot het inzicht was gekomen dat het geen schildpad maar een theropode betrof, bleef de aard van het dier zeer raadselachtig. Men twijfelde erover of de lange klauwen niet aan de voeten zaten en legde een verband met de eveneens mysterieuze vorm Deinocheirus, een andere reusachtige theropode uit dezelfde formatie die vrijwel alleen van zijn voorste ledematen bekend was die ook al enorme klauwen droegen. In feite zijn beide dieren niet nauw verwant.

Diagnose De oorspronkelijke diagnose van Malejew is weinig bruikbaar omdat die het dier met schildpadden vergeleek. Zo achtte hij het een onderscheidend kenmerk dat er geen spoor van een lichaamspantser aanwezig was en dacht hij dat de romp plat en rond was. Latere studies hebben een aantal kenmerken gevonden waarin Therizinosaurus van zijn echte verwanten afweek. Eigenschappen van de achterpoot heeft men daarin niet meegenomen omdat het niet helemaal zeker is of die wel aan Therizinosaurus toebehoort. De omvang is groter dan die van enige andere bekende therizinosauriër. De handklauwen zijn extreem verlengd, tot viermaal de hoogte van hun basis. De handklauwen zijn sterk overdwars afgeplat, waarbij de dikte minder is dan een vijfde van de hoogte. De handklauwen zijn slechts licht gekromd. De eerste handklauw is onderop vrijwel recht. De handklauwen nemen naar hun punt toe slechts geleidelijk in hoogte af. Het opperarmbeen heeft een extreem ontwikkelde deltopectorale kam die zestig procent van de lengte van de schacht beslaat. Er bevindt zich een diepe groeve op de buitenste zijde van het onderste eerste handwortelbeentje. Het onderste eerste en tweede handwortelbeentje zijn vergroeid met de eerste en tweede middenhandsbeenderen. Het eerste middenhandsbeen heeft aan de naar het lichaam gerichte zijde een vergrote kam in de lengterichting.

Skelet Schoudergordel thumb|De kop van Therizinosaurus is onbekend maar zal er ongeveer zo hebben uitgezien Van Therizinosaurus zijn alleen elementen van de schoudergordel en de ledematen bekend. Bij specimen IGM 100/15 heeft het schouderblad een bewaarde lengte van zevenenzestig centimeter; het kan zijn dat er bovenaan een stuk van afgebroken is. Het heeft een groot onderste deel met voor bovenop een goede ontwikkelde processus acromialis, de uitstekende bovenrand die wellicht een tak van het vorkbeen droeg, de bovenste verbinding tussen de twee helften van de schoudergordel. Het eigenlijke blad is vrij kort, dun en afgeplat met een parallel lopende bovenrand en onderrand. Onderaan is het schouderblad dik en bovenaan dun; daar ging het wellicht over in een bindweefsellaag. Aan de voorkant bevindt zich net boven de beennaad met het ravenbeksbeen een grote aderopening. Het ravenbeksbeen, dat de onderste uitloper vormt van het schouderblad, is zesendertig centimeter lang en heeft een groot foramen, een ovale opening die het blad doorboort. Daaronder bevindt zich een uitsteeksel dat de aanhechting vormt voor de bovenste pees van de musculus biceps brachii. Schouderblad en ravenbeksbeen vormen samen het schoudergewricht, bij Therizinosaurus een diepe en brede uitholling aan hun gezamenlijke achterrand. Het gewricht is iets naar beneden gericht en wordt omgeven door dikke randen. Een brede richel aan de bovenkant wordt gescheiden door een verlaging net boven de beennaad tussen beide beenderen.

De arm

In het schoudergewricht past de kop van het opperarmbeen dat een lengte heeft van zesenzeventig centimeter. Anders dan bij veel andere grote theropoden is de arm van Therizinosaurus dus niet bepaald in grootte afgenomen, ofwel gereduceerd. De bovenarm is ook krachtig gespierd geweest zoals blijkt uit de aanwezigheid van een zeer grote beenkam, de crista deltopectoralis, aan de voorrand van het opperarmbeen. Die vormde de aanhechting van de belangrijkste spiergroepen, vooral de musculus deltoideus die de arm naar boven en binnen kon trekken. Deze kam beslaat een uitzonderlijk groot deel van de schachtlengte van het opperarmbeen, wel twee derden. Zijn hoogste punt bereikt hij op een derde van de schachtlengte. Maar ook de onderkant van het opperarmbeen is krachtig gebouwd en sterk verbreed. De beenstijlen die naar de twee onderste gewrichtsknobbels lopen, zijn extra verbreed en verdikt zodat ze zelfs buiten die knobbels uitsteken. Zo kon het gewricht enorme krachten dragen zonder beschadigd te raken. Het opperarmbeen is recht in de zin dat het onderste gewricht niet gedraaid is ten opzichte van de kop. De onderarm zet de krachtige bouw van de bovenarm voort. Het stevigste bot daarin, de ellepijp, heeft een lengte van 620,2 millimeter. Het verbrede onderste uiteinde ervan is zo'n dertig graden naar binnen gedraaid ten opzichte van de bovenkant. Het tweede bot is het licht golvende spaakbeen dat met 550,4 millimeter duidelijk korter is. Beide beenderen kunnen maar beperkt om elkaar heen wentelen met als gevolg dat geen echte pronatie mogelijk is, het naar de grond richten van de hand. De handpalmen van beide handen stonden dus altijd min of meer naar elkaar gericht.

Het polsgewricht werkt als een hefboompunt waarover de hand naar beneden en boven kan klappen. Die heeft daarbij een aanzienlijke bewegingsvrijheid en daartoe zijn de onderste twee handwortelbeentjes in de pols, die aan de middenhand vastzitten, grote elementen: de binnenste of voorste heeft een doorsnede van ruim acht centimeter, de buitenste of achterste een van bijna zes centimeter. De binnenste heeft een diepe groeve in de lengterichting waardoorheen een pees liep. thumb|Een reconstructie van de hand; een breuk in het tweede middenhandsbeen schept de illusie van een extra vingerkootje; de formule is 2-3-4