Het begrip vrije verkiezingen geeft aan dat in een land politieke verkiezingen worden gehouden waarbij aan bepaalde regels voldaan wordt. Het houden van vrije verkiezingen wordt door westerse landen vaak als eis gesteld voor het verlenen van ontwikkelingshulp of het opheffen van een boycot.
De hoofdregels De belangrijkste eisen die aan vrije verkiezingen gesteld worden zijn: Algemeen stemrecht Aan deze eis werd bijvoorbeeld niet voldaan in Zuid-Afrika tijdens de apartheid. Vrijheid om zich kandidaat te stellen. Hieraan wordt meestal niet voldaan bij een eenpartijstelsel Geheime verkiezingen Kiezers die niet op de winnaar gestemd hebben hoeven geen vrees te koesteren voor strafmaatregelen. Vrije toegang tot de media Hieraan wordt niet voldaan als de zittende regering als enige toegang tot de media heeft.
Beperkingen In de praktijk gelden vaak beperkingen ten opzichte van de hoofdregels terwijl men toch van vrije verkiezingen spreekt Algemeen stemrecht Volgens de bovenstaande regel zouden de eerste vrije verkiezingen in België in 1945 hebben plaatsgevonden omdat daarvoor geen vrouwenkiesrecht bestond. Verder hebben in de meeste landen alleen staatsburgers stemrecht, ook als de meerderheid van de bevolking uit buitenlanders bestaat, zoals in de Golfstaten. Vrijheid om zich kandidaat te stellen. Met het oog op de openbare orde en de goede zeden kunnen beperkingen aan de kandidaten worden gesteld. Tegenstanders van het toelaten van een partij die de pedofilie wil legaliseren zijn niet noodzakelijkerwijs tegenstanders van vrije verkiezingen. Geheime verkiezingen Rapportage van de verkiezingsuitslagen per wijk kan de geheimhouding in gevaar brengen. In de jaren 1950 kon men bijvoorbeeld in Noord-Brabantse dorpen gemakkelijk nagaan wie niet op de KVP gestemd had. Vrije toegang tot de media Met name in de Verenigde Staten moeten kandidaten grote bedragen uitgeven aan propaganda op radio en televisie. Dit beperkt de mogelijkheid voor partijen die zich vooral op kiezers met de laagste inkomens richten. Geschiedenis De toenemende belangstelling van internationale organisaties voor het toezicht op het correcte verloop van verkiezingen gaat met name terug op de Declaration on Criteria for Free and Fair Elections, die op 26 maart 1994 in Parijs werd aangenomen door de Raad van de Interparlementaire Unie.Declaration on Criteria for Free and Fair Elections, unaniem aangenomen door de Inter-Parliamentary Council tijdens zijn 154e zitting in Parijs op 26 maart 1994. Eerdere internationale mensenrechteninstrumenten erkenden weliswaar reeds het recht op vrije verkiezingen, maar bevatten slechts beperkte voorschriften voor internationaal toezicht op verkiezingsprocedures.
Binnen de Raad van Europa kreeg deze ontwikkeling in 1999 een verdere impuls door een rapport van Georges Clerfayt over het opstellen van een gemeenschappelijke gedragscode voor verkiezingsaangelegenheden en de oprichting van een permanent Europees toezichtsorgaan.Parliamentary Assembly of the Council of Europe, Doc. 8327 van 10 februari 1999.
De Europese Commissie voor Democratie door Recht stelde vervolgens de Code of Good Practice in Electoral Matters van 2002 opCode of Good Practice in Electoral Matters.. De code kreeg formele steun van de instellingen van de Raad van Europa: de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa bekrachtigde haar met Resolutie 1320 (2003), terwijl het Comité van Ministers van de Raad van Europa haar in 2004 erkende.Resolutie 1320 (2003) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 30 januari 2003 en verklaring van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 13 mei 2004.
Voetnoten
Categorie:Kiessysteem