Het Beleg van Breda was de belegering van de stad Breda tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Deze sterke vestingstad, gelegen in Staats-Brabant in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aan de grens met Spaans hertogdom Brabant, werd in 1624 en 1625 belaagd door Spaanse troepen onder leiding van Ambrogio Spinola. Verovering van Breda zou de Spanjaarden een uitvalsbasis verschaffen om gemakkelijker andere Staatse steden te veroveren en het gevaar voor de Spaanse steden verminderen. Verder wilde Spinola Spanjes eer herstellen en zijn reputatie als veldheer redden. Beide hadden aanzienlijke schade geleden na het mislukken van het Beleg van Bergen op Zoom en het gedrag van de Spaanse troepen na de geslaagde list met het turfschip van Breda.
Spinola verraste door laat in het seizoen de stad te belegeren. Snel werd de stad omsingeld en met een circumvallatie en een contravallatielinie afgesloten. Prins Maurits, en later zijn opvolger Frederik Hendrik, kwamen Breda te hulp door de bevoorrading van de Spanjaarden te verstoren en door te proberen de stad te bevoorraden en te ontzetten. Hun pogingen liepen echter op niets uit en de stad moest zich na een beleg van 11 maanden op 2 juni 1625 overgeven vanwege het gebrek aan voedsel onder de burgerbevolking en de uitzichtloosheid.
Voorgeschiedenis Na het Twaalfjarig Bestand De jaren na het Twaalfjarig Bestand behoren tot de somberste in het bestaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. p. 531 De economie van de Republiek stond onder zware druk door Spaanse rivierblokkades op de Waal, Maas, Rijn, Schelde en Eems. Ook de verhoogde activiteit van de Duinkerker kapers, aanvallen op de haringvloot, Spaanse aanvallen in West-Indië en de teruglopende handel met het Iberisch Schiereiland, de Levant en het Baltisch gebied droegen bij aan de economische teruggang. Spanje had de Republiek in de tang van Vlaanderen tot Lingen en om de verdedigingsgordel te kunnen behouden moest het Staatse leger worden versterkt van 30.000 man tot 48.000 man. Dat kostte veel geld, zodat de belastingen verhoogd moesten worden.
Bovendien raakte de Republiek ook in een diplomatiek isolement. Frankrijk en Engeland, die met de Republiek in 1596 nog een alliantie hadden gevormd, sloten vrede met Spanje en ook de betalingen uit die landen stopten. Daarnaast bleven de Nederlandse betalingen aan de protestantse legers in het Heilige Roomse Rijk gedurende de Dertigjarige Oorlog doorgaan om te voorkomen dat de legers van de Katholieke Liga aan de landsgrenzen kwamen.
Prins Maurits liet – om verwarring te veroorzaken en om tijd te winnen – geheime boodschappen uitlekken over mogelijke vredesonderhandelingen met Spanje. Hoewel niet van plan serieus te onderhandelen, deed de Republiek alsof zij dit was om ondertussen – terwijl de onderhandelingen voortduurden – op sterkte te komen. De Spanjaarden wilden wél een langdurig bestand sluiten, want Spanje was financieel ook verzwakt. Toch wilde ze pas praten als twee harde eisen ingewilligd zouden worden; het openstellen van de rivier de Schelde en godsdienstvrijheid voor de katholieken in de verenigde provinciën. Deze eisen maakten alleen een kans om ingewilligd worden als de Republiek onder druk kon worden gezet. p. 535 Sommige raadsheren van koning Filips IV vonden dat Spanje moest gaan onderhandelen over een bestand, maar Gaspar Olivares, een invloedrijk man aan het Spaanse hof, meende dat Spanje niet sterk genoeg zou staan bij eventuele onderhandelingen.
Maurits en het gewest Holland wilden na het bestand verdergaan met het voeren van oorlog, terwijl de overige gewesten vanwege de hoge lasten de voorkeur gaven aan vrede met Spanje. De Republiek koos voor een verdedigende strategie, waarmee het initiatief voor een aanval aan de Italiaanse strateeg in Spaanse dienst Ambrogio Spinola werd gegeven. Maurits vertrok met zijn leger naar het oosten van het land, omdat hij aanvallen verwachtte vanuit de Spaanse steden Groenlo, Oldenzaal en Lingen. Spinola stuurde inderdaad zijn generaal Hendrik van den Bergh met een leger naar het oosten en toen Maurits vervolgens met zijn troepen naar de Schenkenschans marcheerde, sloeg Spinola het beleg om Bergen op Zoom. Omdat Maurits bleef vrezen voor de oostelijke grens, stuurde hij na twee weken een klein deel van zijn leger naar die stad en ging pas eind september zelf met de rest van het leger naar het zuiden, waarna Spinola het beleg moest opbreken.
Nu ging Maurits niet het vluchtende leger van Spinola achterna, maar trok hij met vierhonderd schepen richting Hulst of Antwerpen. Door de slechte weersomstandigheden werd zijn tocht echter een grote mislukking. Toen in 1624 Hendrik van den Bergh opnieuw met een deel van het leger naar het oosten van de Republiek trok, gevolgd door Maurits, maakte Spinola zich in Brussel op voor zijn laatste belegering in de Nederlanden. p. 455
Spaanse motieven Spinola vond het veroveren van Breda zo belangrijk dat hij verklaarde:es el fin de una hazaña tal, que a mi me ha de costar la vida, o a de quedar Bredá por el Rei de España "[het doel is van een onderneming zo belangrijk, dat die mij het leven zal kosten, als de koning van Spanje geen meester wordt van Breda]" deel I, p. 36
Er waren verschillende motieven om Breda te belegeren. Spaans Brabant zou beter beschermd zijn, wanneer Breda veroverd zou worden, doordat vanuit de sterke frontstad de Nederlanders regelmatig invallen deden in Spaans Brabant. Daarnaast zouden naburige steden in Staatse handen als Bergen op Zoom voor de Spanjaarden eenvoudiger te veroveren zijn met een steunpunt als Breda. en blz. B4
Een andere belangrijke reden was het gedeukte prestige van het Spaanse leger. In 1590 was Breda door de list met het turfschip veroverd op Spanje waarbij het Spaanse leger, bestaande uit Spanjaarden maar ook Italianen, zich niet heldhaftig gedragen had: ondanks hun numerieke overmacht waren ze na de verrassing door de Staatse soldaten smadelijk op de vlucht geslagen. Deze schandvlek zou met de verovering van een goed verdedigde stad als Breda uitgewist kunnen worden. En Spinola zelf voelde de mislukking van het beleg van Bergen op Zoom van 1622 als een smet op zijn blazoen.
Bovendien wilde Spanje sterk staan in de onderhandelingen over een mogelijke vrede. Door een verovering van Breda zou Spanje hardere eisen kunnen stellen over de godsdienstvrijheid voor katholieken in de Republiek en de opheffing van de blokkade van de Schelde.
Situering thumb|350px|De ligging van Breda. Het noorden is aan de rechterkant
Vesting Breda Breda was een van de sterkste steden in de verdedigingslinie van de Republiek tussen het Staatse Holland en Spaans Brabant. De stad was strategisch gelegen aan een bevaarbare rivier, de Mark, en verschillende wegen. p. 539 en blz. A17
Hendrik III van Nassau, die van 1509–1538 heer van Breda was geweest, had in opdracht van keizer Karel V door Europa rondgereisd. In Italië was hij in aanraking gekomen met moderne verdedigingswerken. Daardoor geïnspireerd liet hij de middeleeuwse ommuring van Breda in 1531 vervangen door een volgens de nieuwste inzichten versterkte vesting. en blz. A20 Later in 1587 en 1622 werden de verdedigingswerken nog eens uitgebreid.
thumb|left|Kaart van Breda en de verdedigingswerken, uit omstreeks 1625/1626.
De vesting Breda bestond uit een zeer hoge aarden hoofdwal met vijftien bastions en tegen de gracht een lage onderwal met een bedekte weg. Op twee courtines waren katten aangebracht. De 55 tot 117 meter brede grachtG. G. van der Hoeven: Geschiedenis der vesting Breda, op Google books Uitgever: Schiedam : Interbook International, was anderhalve meter diep en werd gevoed met water uit de rivier de Mark, en blz. A21 die via een doorgang in de wal door de stad stroomde. De toegang tot de stad was mogelijk door vier bakstenen stadspoorten. In de gracht waren halvemanen en ravelijnen aangebracht. Voor de poorten en voor het klooster Sint-Catharinadal werden hoornwerken opgeworpen, waar de troepen werden geplaatst die een uitval vanuit de vesting moesten doen. Voor de hoornwerken werden palissades aangelegd om bestorming door ruiters en voetvolk te bemoeilijken; tevens werd zo desertie voorkomen. en blz. A28 De grachten van de hoornwerken waren 23 meter breed. De vestingwerken in het geheel bevonden zich in voortreffelijke staat en waren een schoolvoorbeeld van krijgskunde en vestingbouw.
In de omgeving van Breda vormden de bossen een obstakel voor ruiters en artillerie, en bij een hoge waterstand van de Mark ook voor het voetvolk. De rivieren de Mark en de Aa en andere stromen vormden een hindernis voor belegeraars. Door een inundatiesluis nabij de Ginnekense poort te openen kon het gebied ten zuiden van Breda onder water gezet worden. Aan de noordkant had een sluis nabij het dorp Terheijden die functie. en blz. A29
Omdat de Staten van Holland wisten dat Spanje wellicht een poging zou wagen om Breda te veroveren, lieten zij de stad bevoorraden met levensmiddelen en wapens, genoeg voor een beleg van een jaar. Het stadsbestuur weigerde echter meer voedsel in te slaan dan nodig was voor een beleg van negen maanden. Niemand wist welke tactiek Spanje zou toepassen; daarom werd er ook rekening gehouden met een bestorming. Om te zorgen dat Spinola niet genoeg soldaten zou kunnen vrijmaken voor een bestorming, werd een Staats leger in de buurt van Breda gehouden. en blz. A67
Garnizoen in Breda Het garnizoen in Breda bestond in vredestijd uit zeventien compagnieën die elk bestonden uit 65 man voetvolk en vijf eskadrons van elk zeventig ruiters. Toen het gerucht ging dat de stad belegerd zou worden, werden de eskadrons aangevuld met nog eens dertig ruiters per eskadron. Het voetvolk werd aangevuld met 28 compagnieën van 135 man. Om voedsel te besparen werden kort voor de omsingeling drie eskadrons naar Geertruidenberg gestuurd. De uiteindelijke troepenmacht bestond inclusief de kasteelbezetting van circa 100 man uit ongeveer 5200 soldaten. De mannelijke inwoners van Breda tussen de 20 en 70 jaar, zo'n 1800 man sterk, werden ook bewapend om de soldaten te ondersteunen. en blz. A41
De gouverneur van de stad was Justinus van Nassau (1559–1631), een buitenechtelijke zoon van Willem van Oranje. Zijn plaatsvervanger was Cornelis Dyrcx van Oosterhout, maar diens rol was tijdens de belegering onbelangrijk. en blz. A40
Naast de soldaten verbleven ook andere lieden in de stad. Uit de omgeving waren boeren naar de stad gekomen om bescherming te zoeken tegen de Spanjaarden. Verder verbleven in de stad burgers en soldatenvrouwen en -kinderen. De taak van de soldatenvrouwen was het koken en wassen voor de soldaten alsook het verzorgen van zieken en gewonden. Het totaal aantal inwoners in de stad bedroeg 13.111, en zij waren gehuisvest in ongeveer 1200 huizen. en blz. A43
Spaanse leger + Samenstelling Spaans leger en blz. A45 Percentage Afkomst Functie 38% Zuid-Nederlands voetvolk 24% Duits voetvolk 10% Italiaans voetvolk 9% (voornamelijk) Spaans ruiters 9% Spaans voetvolk 5% Frans voetvolk 5% Brits en Iers voetvolk thumb|Ambrogio Spinola, opperbevelhebber van het Spaanse leger door Peter Paul Rubens. circa 1630
Door tegenstrijdige en onvolledige gegevens is het niet mogelijk de troepensterkte van het Spaanse leger precies te berekenen. Op 30 september was het aantal waarschijnlijk 40.000 man. Het leger werd steeds versterkt tot maar liefst zo'n 80.000 man op 2 mei 1625, van wie er ongeveer 25.000 gelegerd waren langs de bevoorradingscorridor. 25.000 man werden gebruikt voor de insluiting van de stad en 30.000 dienden als algemene reserve. en blz. A54
Dit was, volgens de tekst op de kaart van Blaeu: