thumb|thumbtime=1:15|Canon van Zeeland over Henriëtte van der Meij
Henriëtte Rosina Dorothea van der Meij (Harderwijk, 21 december 1850 – Laren, 26 augustus 1945) was een Nederlands journalist, redacteur, publicist en feministe. Zij geldt als de eerste vrouw in Nederland die een vaste, betaalde betrekking kreeg op de redactie van een dagblad. Van 1884 tot 1896 werkte zij voor de Middelburgsche Courant, waar zij onder meer buitenlandse politieke berichtgeving, kunst- en literatuurkritiek en verslaggeving van de Provinciale Staten van Zeeland verzorgde.
Naast haar journalistieke werk speelde Van der Meij een rol in de Nederlandse vrouwenbeweging en arbeidersbeweging. Zij was in 1895 medeoprichtster en voorzitster van de Middelburgse afdeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht en zette zich in voor vrouwenkiesrecht, onderwijs en economische zelfstandigheid van vrouwen en wettelijke bescherming van vrouwenarbeid. Na haar vertrek naar Amsterdam werd zij redacteur van het feministische tijdschrift Belang en Recht en organiseerde zij scholingsactiviteiten voor vrouwelijke arbeiders. Later schreef zij jarenlang over arbeidswetgeving, vrouwenlonen en kinderarbeid voor onder meer het Weekblad van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond.
Van der Meij behoorde tot de eerste generatie Nederlandse vrouwen die journalistiek als broodwinnend beroep uitoefenden. Haar werk verbond journalistiek met vrouwenemancipatie en sociale hervorming, waarbij zij bijzondere aandacht had voor de positie van arbeidersvrouwen.
Levensloop Jeugd en opleiding
Van der Meij werd op 21 december 1850 geboren in Harderwijk als dochter van George David van der Meij, beroepsofficier, en Henriette Rosina Dorothea Costers, die van Duitse afkomst was. Zij groeide op in een Nederlands-hervormd gezin. Door het beroep van haar vader verhuisde het gezin regelmatig.
Van der Meij had aanvankelijk belangstelling voor geschiedenis, maar koos voor een opleiding in het Duits. Daarbij speelde mee dat zij de taal door de Duitse afkomst van haar moeder al goed kende en tijdens haar opleiding bij familie in Duitsland kon verblijven.
In 1875 behaalde zij als een van de eerste vrouwen in Nederland de akte Middelbaar Onderwijs voor de Hoogduitse taal- en letterkunde. Een jaar later behaalde zij de akte hulponderwijzeres en in 1878 die van hoofdonderwijzeres. Vanaf september 1876 werkte zij als lerares Duits en Nederlands aan de Middelbare School voor Meisjes in Goes. Zij bleef daar werkzaam tot januari 1885. Volgens haar biografe Mies Campfens was Van der Meij een gewaardeerde lerares; bij haar vertrek schreven voormalige leerlingen dat zij vooral haar lessen Duits en haar vermogen om leerlingen te begrijpen zouden missen.
Onderwijzeres en eerste publicaties
Tijdens haar jaren als onderwijzeres begon Van der Meij ook te publiceren. In 1882 stelde zij het Deutsches Lesebuch für höhere Töchterschulen samen, een bloemlezing uit de Duitse literatuur die bedoeld was voor het onderwijs aan meisjes. Volgens haar biografe Mies Campfens onderscheidde het boek zich doordat Van der Meij de teksten zelf selecteerde en niet overnam uit bestaande bloemlezingen.
In hetzelfde jaar publiceerde zij onder het pseudoniem Enrichetta haar eerste literaire kritiek in De Portefeuille. Nieuwe Kunst- en Letterbode. Daarna verschenen bijdragen van haar in onder meer De Amsterdammer, De Lantaarn, Nederland, De Nederlandsche Spectator en De Dageraad. Aanvankelijk schreef zij daarbij soms onder een pseudoniem; naast Enrichetta gebruikte zij ook de naam Itor.
Van der Meij beperkte zich niet tot literatuur en kunst. In Vragen des Tijds schreef zij in 1884 over de positie van onderwijzeressen en pleitte zij voor de oprichting van een tehuis voor onderwijzeressen. Zij vond dat onder meer gepensioneerde, alleenstaande en zieke onderwijzeressen die niet zelfstandig in hun huisvesting konden voorzien ondersteuning moesten kunnen krijgen.
Haar publicaties trokken ook buiten het onderwijs de aandacht. Willem Doorenbos, hoofdredacteur van De Amsterdammer, merkte haar literaire bijdragen op en moedigde haar volgens Historiek aan om de journalistiek in te gaan.
Middelburgsche Courant
In 1884 solliciteerde Van der Meij naar een functie als redacteur bij de vooruitstrevend-liberale Middelburgsche Courant. Op 14 oktober 1884 maakte de krant bekend dat zij was benoemd. Daarmee werd zij de eerste vrouw in Nederland die als journaliste in vaste loondienst trad bij een dagblad. Zij werd verkozen boven meer dan tien mannelijke sollicitanten.
Van 15 december 1884 tot 1 september 1896 werkte Van der Meij op de redactie van de Middelburgsche Courant. Zij verzorgde onder meer de algemene overzichten van het buitenlandse nieuws en de rubriek Kunst en Letteren. In haar buitenlandoverzichten behandelde zij politieke ontwikkelingen in onder meer Londen, Parijs en Berlijn. Daarnaast verving zij hoofdredacteur Van der Pauwert wanneer deze afwezig was.
Tot haar werkzaamheden behoorde ook het maken van de officiële verslagen van de vergaderingen van de Provinciale Staten van Zeeland. Omdat zij een vrouw was, moest daarvoor afzonderlijk toestemming worden gevraagd aan het provinciebestuur. Van der Meij vertelde daar in 1930 over dat de aanwezige mannen haar telkens met verbazing aankeken als een „feministisch phenomeen”.
Haar journalistieke werk kreeg ook buiten Zeeland aandacht. De linkse pers nam haar buitenlandbeschouwingen volgens haar biografe Mies Campfens geregeld met instemming over. Haar kunstkritieken werden door Jan Veth en Jan van der Valk aangehaald als voorbeelden van een nieuwe geest in de provinciale kunstkritiek. Van der Meij schreef bij de Middelburgsche Courant onder haar eigen naam.
Ook als politiek commentator verwierf zij bekendheid. In haar beschouwingen over Duitsland was zij kritisch over keizer Wilhelm II, die zij als een mogelijke bron van internationale spanningen beschouwde.
Sociale kring en maatschappelijk werk in Middelburg
Naast haar werk voor de Middelburgsche Courant maakte Van der Meij deel uit van een vooruitstrevende kring in Middelburg. Tot haar contacten behoorden onder anderen Floor Wibaut, Mathilde Wibaut-Berdenis van Berlekom, C.M. Ghijsen, advocaat M.J. de Witt Hamer en Pieter Lodewijk Tak. Binnen deze kring werd gesproken over de positie van arbeiders en over maatschappelijke hervormingen. Van der Meij raakte er vertrouwd met socialistische en fabianistische ideeën, zonder zich in deze periode bij een socialistische partij aan te sluiten.
Van der Meij was daarnaast actief op maatschappelijk terrein. In 1889 behoorde zij tot de initiatiefnemers van de Vereeniging tot het verschaffen van warm voedsel aan arme schoolgaande kinderen. Volgens Luscombe en Lanting werkte zij daarbij onder meer samen met M.J. de Witt Hamer. De vereniging wilde ondervoede kinderen ondersteunen met voedsel en andere voorzieningen, vanuit de gedachte dat goede voeding en rust noodzakelijk waren om op school te kunnen functioneren.
Ook haar maatschappelijke betrokkenheid raakte steeds sterker verbonden met de positie van vrouwen. Van der Meij was lid van de Vereeniging Onderlinge Vrouwenbescherming en hield zich bezig met de sociale en economische positie van vrouwen en meisjes.
In Middelburg onderhield zij bovendien een hechte band met Petronella Johanna de Witt Hamer. De twee woonden samen en trokken in de stad aandacht doordat zij zonder mannelijk gezelschap de zomerconcerten in de tuin van sociëteit Schuttershof bezochten en daar samen thee dronken.
Vrouwenkiesrecht
In 1895 was Van der Meij samen met Mathilde Wibaut-Berdenis van Berlekom betrokken bij de oprichting van de Middelburgse afdeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Van der Meij werd voorzitster van de afdeling; Mathilde Wibaut trad aanvankelijk op als secretaris.
Binnen de vrouwenbeweging pleitte Van der Meij voor algemeen kiesrecht voor zowel mannen als vrouwen. Haar opvattingen beperkten zich daarbij niet tot het formele kiesrecht. Zij verbond politieke gelijkheid ook aan onderwijs, economische zelfstandigheid en de positie van werkende vrouwen.
De Middelburgse afdeling kende al vroeg interne spanningen. Volgens Luscombe en Lanting verschilden Van der Meij en Mathilde Wibaut op onderdelen van inzicht met prominente feministen als Aletta Jacobs en Wilhelmina Drucker. Die verschillen hielden onder meer verband met de vraag hoe de vrouwenbeweging zich moest verhouden tot sociale hervormingen en de positie van arbeidersvrouwen.
Van der Meij bleef ook na haar vertrek uit Middelburg actief binnen de vrouwenbeweging. Haar inzet voor vrouwenkiesrecht vormde vanaf dat moment steeds nadrukkelijker onderdeel van een bredere belangstelling voor de maatschappelijke en economische positie van vrouwen.
Vertrek naar Amsterdam en Belang en Recht
In 1896 verliet Van der Meij de Middelburgsche Courant en verhuisde zij naar Amsterdam. Volgens haar latere herinneringen speelden zowel de hoge werkdruk op de redactie als haar wens om meer tijd aan sociaal en maatschappelijk werk te besteden daarbij een rol. Zij had moeite met het tempo van de dagbladjournalistiek, waarbij zij haar stukken soms nauwelijks kon nalezen voordat deze naar de drukker gingen.
Op verzoek van Jeltje de Bosch Kemper trad Van der Meij toe tot de redactie van het nieuwe tweewekelijkse tijdschrift Belang en Recht. Het eerste nummer verscheen op 16 oktober 1896. Het blad vertegenwoordigde een gematigde richting binnen het feminisme en richtte zich op de maatschappelijke en rechtspositie van vrouwen.
In Belang en Recht schreef Van der Meij onder meer over vrouwenkiesrecht, arbeidsbescherming, vrouwelijk toezicht bij arbeidsinspecties en de geschiedenis van de vrouwenbeweging. Zij verdedigde algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen en besteedde veel aandacht aan de kwetsbare positie van arbeidersvrouwen.
Haar standpunten brachten haar dichter bij de sociaaldemocratische arbeidersbeweging, maar zij trad tijdens haar werk voor Belang en Recht niet openlijk toe tot de SDAP. In 1902 vroeg zij Henriette Roland Holst om advies over een eventuele toetreding. Roland Holst raadde haar volgens Campfens af om zich op dat moment openlijk bij de partij aan te sluiten.
Arbeidersvrouwen en vakbeweging
In Amsterdam raakte Van der Meij via Pieter Lodewijk Tak en Henri Polak nauwer betrokken bij de georganiseerde arbeidersbeweging. Zij richtte haar aandacht in het bijzonder op vrouwen in laagbetaalde en kwetsbare beroepen. Volgens haar kregen de belangen van arbeidersvrouwen binnen delen van de vrouwenbeweging onvoldoende aandacht.
In 1897 organiseerde Van der Meij ontwikkelingscursussen en bijeenkomsten voor vrouwelijke diamantbewerkers, onder wie roosjessnijdsters en -slijpsters. Carry Pothuis-Smit gaf daarbij onder meer les in Nederlands en aardrijkskunde. Deze activiteiten vormden het begin van Van der Meijs langdurige betrokkenheid bij de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB).
In 1903 zette zij samen met Pothuis-Smit en met steun van de Amsterdamsche Bestuurdersbond ontwikkelingsavonden op voor onder anderen cacaobewerksters, sigarettenmaaksters, breisters en pettenmaaksters. De bijeenkomsten combineerden scholing met sociale activiteiten en waren bedoeld om de ontwikkeling en organisatie van vrouwelijke arbeiders te bevorderen.
Van der Meij hield zich daarnaast bezig met de arbeidsomstandigheden van vrouwen. Zij gaf cursussen aan vrouwen die als inspectrice van de arbeid wilden werken en kaartte in 1899 bij socialist W.H. Vliegen het seksuele misbruik van vrouwelijke werknemers door hun werkgevers aan. Vliegen erkende volgens Campfens het probleem, maar verwachtte dat slachtoffers vanwege schaamte moeilijk bereid zouden zijn hierover verklaringen af te leggen.
Ook zette Van der Meij zich in voor dienstboden. Zij was lid van de commissie van beheer en later presidente van het in 1902 in Amsterdam opgerichte Bemiddelingsbureau tot plaatsing van dienstboden.