miniatuur|Een Atari 1040STF-computer met aparte Megafile-harddisk miniatuur|Een Atari 1040STF-computer De Atari ST is een homecomputer/pc die van 1985 tot begin jaren 90 populair was. Hij is door Atari uitgebracht in 1985. Officieel staat "ST" voor "Sixteen/Thirty-two", hetgeen betrekking had op de externe 16 bit-bus en interne 32 bitprocessor van de Motorola 68000-chip.
Overzicht De Atari ST was een belangrijke homecomputer, gebaseerd op de Motorola 68000 cpu-chip, met minimaal 512 kilobyte RAM-geheugen en een 3½-inch-diskettestation (floppydiskdrive) als opslagmedium. Hij leek op de Apple Macintosh en de Commodore Amiga die ook gebaseerd waren op de Motorola 68000.
De Macintosh was weliswaar de eerste algemeen verkrijgbare computer met een GUI, maar toch had deze een kleinere monitor met een monochroom scherm. De Atari ST was de eerste computer met een volledige kleuren-GUI. Het bezat een innovatief grafisch subsysteem, bestaande uit één chip (ontworpen door Shiraz Shivji), dat het volledige systeemgeheugen deelde met de CPU. Dat systeem is vergelijkbaar met de oudere BBC Micro en het tegenwoordig gebruikelijke Unified Memory System (UMS). De Atari ST was tevens de eerste homecomputer waarbij standaard geïntegreerde MIDI-poorten waren ingebouwd.
De ST was vooral een concurrent van de Apple Macintosh en de Commodore Amiga. Deze rivaliteit werd vaak benadrukt door de respectievelijke bezitters en werd vooral zichtbaar tijdens demo's. Sterke punten van de Amiga waren onder andere de unieke processoren, waardoor hij standaard gezien beter was in computerspellen, bij de ST moest men wat dieper in het systeem duiken en zo nodig enkele trucjes toepassen om hetzelfde resultaat te bereiken, wat in latere spellen werd gedaan. Het standaardvoordeel van de ST was dat hij uitblonk in de kwaliteit van het hoge resolutie monochrome beeldscherm waardoor het een ideale machine was voor zakelijk gebruik en CAD. Bovendien was hij goedkoper dan de Amiga. Dankzij de ingebouwde MIDI-poorten was hij populair bij muzikanten en werd hij gebruikt in combinatie met MIDI-controllers en software-sequencers. Vaak vervulde hij ook live een rol op het podium tijdens optredens van bands. Met name in Duitsland was de machine ook vertegenwoordigd in het midden- en kleinbedrijf waar hij gebruikt werd in CAD-toepassingen en desktoppublishing (dtp).
De ST werd in latere jaren voorbijgestreefd door de Atari TT (1990) en de Atari Falcon (1992).
Vanaf het moment dat Atari zich terugtrok uit de computermarkt is de interesse gegroeid in computers met een dergelijk besturingssysteem (klonen). Atari kent een enthousiaste aanhang in de "emulator-scene" en dat geldt ook voor andere retrocomputers.
Achtergrond Tramel Technology Bij het computerbedrijf Commodore International ontstond er onenigheid tussen de CEO en grootste aandeelhouder Irving Gould en de oprichter van het bedrijf Jack Tramiel over het feit dat Tramiel grotere invloed van zijn zoons wenste in het bedrijf. Het gevolg was dat de Tramiels in januari 1984 moesten vertrekken bij Commodore.
Tramiel startte onmiddellijk de holding Tramel Technology, Ltd. en ging op zoek naar computerbedrijven in de Verenigde Staten met het doel er eentje op te kopen. Zo kwam hij bij het bedrijf Mindset dat werd gerund door Roger Badersher (voormalig hoofd van Atari's computerafdeling) en ook bij Amiga. Bij Amiga liet hij weten dat hij interesse had in de chipset, maar niet in het personeel. De overnames van Mindset en Amiga gingen uiteindelijk niet door en op 3 juli 1984 nam hij Atari over. Omdat Atari een lening van 500.000 dollar had verstrekt aan Amiga voor de realisatie van de custom chips en Amiga niet in staat leek de lening op tijd terug te betalen, dreigde Amiga eigendom te worden van Atari en daarmee alsnog in handen te vallen van Jack Tramiel. Commodore stak hier een stokje voor door Amiga over te nemen voor een bedrag van 30 miljoen dollar en de lening van 500.000 dollar aan Atari terug te betalen, nog voordat de overname van Atari door Tramiel rond was. Na de overname van Atari ontsloeg Tramiel een groot deel van het personeel en gaf hij zijn chief-engineer Shiraz Shivji (die van Commodore afkomstig was) de opdracht om met spoed een goedkoop high end-computersysteem te ontwikkelen als tegenhanger van de Amiga. In het originele ontwerp werd rekening gehouden met de NS32032-chip, maar de fabrikant National Semiconductor kon de chip niet leveren onder de gestelde voorwaarden qua aantallen en prijs. Dit bleek achteraf maar goed ook, omdat de benchmarks van de 68000-chip beter waren dan die van de NS32032.
Het project kreeg de codenaam RBP wat stond voor rock bottom price (allerlaagste prijs). Tussen april en juli 1984 ontstond het ontwerp dat uiteindelijk zou resulteren in de ST. Het ontwerp was een combinatie van specialistische chips en algemeen verkrijgbare onderdelen in een sterk geïntegreerde configuratie op één moederboard, daarbij voorzien van standaard- en niet-standaardpoorten.
Het contract met Amiga Jay Miner, een van de ontwerpers bij Atari, kon zijn ideeën voor een compleet nieuw computersysteem niet kwijt bij het management en startte daarom in 1982 het bedrijfje dat later Amiga Corporation zou gaan heten. Daar werkte hij verder aan zijn Lorraine-systeem, maar raakte al gauw in financiële problemen. In november 1982 sloten Amiga en Atari een overeenkomst, waarbij Atari beloofde financiële steun (in de vorm van een lening van 500.000,- dollar) te geven voor de ontwikkeling van de custom chips die het hart vormden van het Lorraine systeem. In ruil daarvoor zou Atari gebruik mogen maken van de kennis van Amiga. Atari zou op basis van die kennis een eigen versie van het Amiga "Lorraine" systeem ontwikkelen, genaamd "Mickey". Tijdens het eerste jaar zou "Mickey" alleen als (spel)console zonder keyboard beschikbaar komen en pas daarna zou een keyboard mogen worden toegevoegd. Daarnaast zou Atari alle intellectuele eigendommen van Amiga verwerven indien Amiga de lening van 500.000,- dollar niet uiterlijk 30 juni 1984 zou hebben terug betaald.
Jack Tramiel ontdekte dat Warner Communications het verliesgevende Atari wilde verkopen. In juli 1984 kwamen de onderhandelingen tot een eind en kon Jack zich eigenaar noemen van de Atari Consumer Division, waar ook de computerafdeling onder viel. Direct nadat Tramiel Atari had overgenomen, ontsloeg hij het meeste personeel. Tegelijkertijd wist hij veel werknemers van de computerfabrikant Commodore over te halen om te gaan werken bij het nieuwe Atari Corp. van Tramiel. Dit zette kwaad bloed bij de leiding van Commodore, niet in het minst vanwege concurrentie-issues, waarom Commodore rechtszaken aanspande tegen Atari. In deze tijd ontdekte Tramiel ook het contract dat Atari had afgesloten met Amiga. Tramiel startte daarop een rechtszaak tegen Amiga (en daarmee feitelijk tegen Commodore) om het bedrijf te verhinderen nieuwe technologie uit te brengen op basis van de Lorraine custom chipset, waarvan de realisatie mede mogelijk was gemaakt dankzij een lening van Atari. Na een paar maanden vertraging vanwege deze rechtszaken werd de productie uiteindelijk voortgezet en uiteindelijk kwamen de Atari 520ST en Amiga beide medio 1985 op de markt. De Atari 1040ST volgde in 1986.
In 1987 werd er een schikking getroffen tussen Atari en Amiga, waarmee lopende rechtszaken tot een einde kwamen.
Het besturingssysteem Begin 1985 was de hardware bijna gereed en het werd tijd om na te denken over een besturingssysteem. Microsoft stelde aan Tramiel voor om hun Windows-programmatuur op het systeem te zetten, maar de eerste release van Windows stond gepland voor twee jaar later en dat was veel te laat voor Atari. Een andere optie was het bedrijf Digital Research, dat werkte aan een besturingssysteem met een grafische interface (GUI) genaamd Crystal. Deze GUI werd al gauw omgedoopt tot Graphics Environment Manager (GEM). De derde optie was zelf een nieuw besturingssysteem te bouwen, maar men achtte de risico's daarvoor te hoog.
Digital Research zelf was op dat moment vooral gericht op Intel-computers. Daarom werd er een Atari-team gestuurd naar het hoofdkwartier van Digital Research om samen met hun programmeurs te werken aan het nieuwe besturingssysteem TOS (Tramiel Operating System) voor de ST-computer, onder de codenaam "Project Jason".
Men vond dat ook programmeurs die gewend waren aan DOS moesten kunnen werken met de nieuwe ST en omdat Digital Research op dat moment werkte aan het GEMDOS-systeem besloten ze ook dat mee te nemen met de geplande release in juni.
Het debuut van de ST De nieuwe computer werd in juni 1985 uitgebracht voor Atari gebruikersgroepen en in september kwam hij in de winkels te liggen onder de naam 520ST. Tussen ontwerp en uitgifte zat minder dan één jaar. Oorspronkelijk wilde Atari versies uitbrengen met 128 en 256 kB RAM-geheugen als respectievelijk de 130ST en de 260ST, maar na het inladen van het OS in het RAM-geheugen was er bij deze machines zo goed als geen werkgeheugen meer over. Toch wisten een paar 260ST's de winkelschappen in Europa te bereiken.
Bij vroege modellen werd TOS op floppy bijgeleverd, ook al hadden deze wel al chip-voetjes op het moederboard om de later uit te leveren ROM-versie van TOS te kunnen plaatsen. Al na een paar maanden kwam deze versie uit, en ook de vroege modellen konden nu een upgrade naar het ROM-TOS krijgen. Eind 1985 kwam een versie uit met een RF-modulator voor televisiebeelden, genaamd 520STM.
In eerste instantie wilde Atari tevens het GDOS (Graphical Device Operating System) van GEM meenemen in de uitrol. Met dit besturingssysteem konden ontwikkelaars GEM VDI (Virtual Device Interface) commando's versturen naar aan de computer aangesloten apparaten, puur door op het pictogram ervan te klikken. Op het moment dat de ST uitkwam was GDOS echter nog niet klaar. GDOS werd los meegeleverd bij latere versies van de ST.
De ST was minder duur dan de meeste andere computers (de Macintosh Plus inbegrepen) en hij was over het algemeen ook sneller. Door onder meer de prijs-prestatieverhouding werd de ST vrij populair, met name in die markten waar wisselkoersen de prijsverschillen versterkten. De slogan van die tijd was zelfs "Power without the Price." Een Atari ST met emulatiesoftware was zelfs een stuk goedkoper dan een Digital VT220 terminal, die toen veel gebruikt werd in kantoren met terminal-mainframe-configuraties.
Beschrijving Behuizing De 520ST was een alles-in-één-apparaat, vergelijkbaar met eerdere homecomputers als de Commodore 64. In de tijd dat de 520ST uitkwam eisten consumenten een volwaardig toetsenbord, inclusief cursortoetsen en een numeriek toetsenbord. Daardoor viel de 520ST wat groot uit. Als men het toetsenbord wilde verschuiven moest de hele computer verplaatst worden. Daar kwam bij dat men een fiks aantal dikke kabels moest aansluiten voor de randapparaten (toetsenbord, monitor, floppydiskdrive, etc.). Dit probleem werd deels verholpen bij latere modellen die een geïntegreerde floppydiskdrive bezaten, maar die hadden weer het nadeel dat de muis- en joystick-poorten op onhandige plekken 'onder' het toetsenbord zaten.
Het ontwerp van de kast kwam van Ira Valenski - het hoofd industrieel ontwerp bij Atari. In principe heeft de ST de vorm van een wig, met een aantal luchtroosters aan de achterkant. Het originele 520ST ontwerp gebruikte een externe floppydiskdrive terwijl de 1040ST-kast deze had ingebouwd. Ook de voeding (bij de 520ST een externe 'baksteen') verhuisde naar binnen bij de 1040ST. Het toetsenbord was uiterst gevoelig en van mindere kwaliteit dan dat van de IBM PC's. De functietoetsen hadden een unieke ruitvorm.
Aansluitpoorten De ST bezat een groot aantal aansluitpoorten aan de achterkant. Standaardpoorten: RS-232c seriële poort (DB25 male) Centronics printerpoort (DB25 female) joystick-/muispoorten (DE-9 male) MIDI-poorten (5-pin DIN) ST-specifieke poorten: Monitorpoort (13-pin DIN)