Het Beleg van 's-Hertogenbosch in 1629 was een door de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden groots opgezette belegering van de onder Spaans gezag staande stad 's-Hertogenbosch tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Het beleg duurde van april tot half september en resulteerde in de inname van 's-Hertogenbosch door de Republiek onder leiding van stadhouder Frederik Hendrik van Oranje. De stad was belangrijk vanwege de strategische ligging. Het was een van de sterkste schakels in de Spaanse omsingeling van de Republiek. Door haar aanzien was een verovering daarom goed voor het prestige van de Republiek en de stadhouder. Spanje ondervond dat jaar problemen en dat bood de mogelijkheid voor deze gewaagde onderneming.

De belegering was moeilijk voor de belegeraars vanwege het drassige gebied rond Den Bosch. Met de aanleg van dijken, kanalen en molens werd dat probleem verholpen en werd het water door het Staatse leger als extra verdediging ingezet. Om de stad volledig te kunnen omsingelen werden op diverse plaatsen versterkte kampementen (kwartieren) ingericht. Deze kwartieren waren onderling verbonden door de circumvallatielinie die de stad afsloot en als verdediging diende tegen een mogelijk Spaans ontzettingsleger. Een contravallatielinie moest de belegeraars beschermen tegen het Bossche garnizoen. De stad werd voortdurend beschoten en vanuit de kwartieren werden approches gegraven om dicht bij de stad te komen om een bres in de vestingwerken te slaan.

Hendrik van den Bergh, de commandant van het Leger van Vlaanderen, heeft nog getracht de stad te ontzetten, maar slaagde hier niet in. Ook werd geprobeerd met hulp van de Duitse keizer het Staatse leger weg te lokken door de Veluwe binnen te vallen. Amersfoort kon worden veroverd, maar het leger moest zich uiteindelijk terugtrekken na de Staatse inname van Wezel. Omdat er geen kans op ontzet was en het Staatse leger een gat in de vestingwerken had geslagen capituleerde de stad. Na de inname werd in 's-Hertogenbosch het katholicisme verboden en verlieten met het Spaanse garnizoen, de geestelijkheid en veel andere katholieke inwoners de stad.

Situering Voorgeschiedenis Sinds 1568 woedde er in de Nederlanden een strijd tegen Spanje. Het veelal katholieke zuiden bleef trouw aan de Spaanse koning. Het veelal protestantse noorden, de Republiek, streed voor onafhankelijkheid. Deze Nederlandse Opstand, later Tachtigjarige Oorlog genoemd, werd in 1621 hervat na een wapenstilstand van twaalf jaar, het Twaalfjarig Bestand.

De jaren vanaf het hervatten van de oorlog in 1621 tot 1628 behoorden tot de somberste in de geschiedenis van de Republiek. (1996):, De Republiek 1477-1806, blz. 531 (1996):, De Republiek 1477-1806, blz. 550 De economie werd geschaad door Spaanse blokkades en embargo's en ook militair gezien zette Spanje de Republiek onder druk.

Sinds 1621 regeerde koning Filips IV in Spanje, met de graaf van Olivares als zijn invloedrijke eerste minister. In de Zuidelijke Nederlanden was landvoogdes Isabella van Spanje officieel soeverein, hoewel Spanje een flinke invloed had. De nieuwe Spaanse machthebbers wilden hun prestige verhogen en het hervatten van de strijd in de Nederlanden bood die kans. Geld werd vrijgemaakt om een snelle offensieve oorlog mogelijk te maken. Een verovering van de Noordelijke Nederlanden werd niet meer als realistisch beschouwd, maar via een oorlog konden wel betere voorwaarden afgedwongen worden voor de katholieken in het noorden. (2008): De Tachtigjarige Oorlog. Opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca. 1560 - 1650), blz. 234 Daarnaast wilde Spanje voor elkaar krijgen dat de Republiek zich terug zou trekken uit de Spaanse en Portugese koloniën en moest de Schelde opengesteld worden. (1996):, De Republiek 1477-1806, blz. 525

De Republiek koos voor een defensieve oorlog waardoor het initiatief bij Spanje lag. Het Spaanse leger stond onder leiding van de befaamde strateeg Ambrogio Spinola. Voor de wapenstilstand had hij al laten zien erg bekwaam te zijn. Zo nam hij Oostende in na een drie jaar durend beleg en veroverde hij tijdens zijn veldtocht van 1605-1606 razendsnel steden in de Republiek. Na de wapenstilstand trachtte Spinola zijn successen tegen de Republiek voort te zetten. In de Duitse hertogdommen Gulik, Kleef en Berg, aan de oostelijke grens van de Republiek, werden verschillende vestingsteden veroverd zoals Gulik in 1622. In de Republiek deed Spinola een mislukte poging om Bergen op Zoom in te nemen. Drie jaar later was het beleg van het sterke Breda wel een succes. Maurits van Oranje, legeraanvoerder van het Staatse leger, had geen antwoord op de zetten van Spinola. Prins Maurits overleed in 1625 en werd als stadhouder en legeraanvoerder opgevolgd door zijn halfbroer Frederik Hendrik, die ook Maurits' prinsentitel overnam. De verovering van Breda had niet het gewenste resultaat voor Spanje. De Republiek werd niet gedwongen te onderhandelen over een vredesverdrag met voor Spanje gunstige voorwaarden. Om geen gezichtsverlies te lijden wilde de Spaanse regering zelf, ondanks aandringen vanuit Brussel, geen eisen laten vallen.

Verschuiving van de krachtverhoudingen in de Nederlanden thumb|De Nederlanden in 1629 op de vooravond van het beleg Vanaf de winter van 1628/1629 keerde het tij voor de Republiek en kwam er een verschuiving van de krachtverhoudingen in de Nederlanden. De positie van Spanje was heel zwak. Een bankroet in 1627 en het verlies van de Spaanse zilvervloot in 1628 door toedoen van Piet Hein, kapitein van de WIC, zorgde ervoor dat de Spaanse schatkist nagenoeg leeg was. (2002): Philip IV and the Government of Spain, 1621–1665, blz. 72 In de Republiek leidde de verovering van de zilvervloot juist voor veel enthousiasme onder de bevolking. Het Spaanse leger werd ingekrompen en moest de aandacht tijdelijk verleggen naar Noord-Italië. Daar raakten de Spanjaarden verwikkeld in een strijd tegen Frankrijk in de Mantuaanse Successieoorlog, die van groter belang was voor de Spanjaarden dan de strijd in de Nederlanden. De Spaanse generaal Spinola wilde niet terug naar de Nederlanden en vertrok naar Italië. Zijn vervanger in de Nederlanden werd Hendrik van den Bergh, een volle neef van Frederik Hendrik. Ook de bondgenoot van de Spaanse koning, de Duitse keizer, had zijn handen vol aan zijn strijd met Christiaan IV van Denemarken in de Dertigjarige Oorlog.

De Republiek kreeg meer financiële ruimte om over te gaan op een offensieve strategie. Het doel van het offensief zou worden het beveiligen van de provincies door de grenzen veilig te stellen en buffers te creëren. (2008): De Tachtigjarige Oorlog. Opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca. 1560 - 1650), blz. 252 Een jaar eerder was het oosten met de innames van Oldenzaal en Groenlo veiliggesteld door het Staatse leger. Nu was het de beurt aan de zuidelijker streken.

Keuze voor 's-Hertogenbosch De keuze viel om meerdere redenen op 's-Hertogenbosch. De vestingstad was gewild door haar strategische ligging dicht bij de grens met de Republiek, haar sterkte, en haar prestige. Niet onbelangrijk waren de problemen die Spanje ondervond. Daardoor brak de mogelijkheid aan voor een dergelijk moeilijk beleg. Twee andere steden Lingen en Wezel, waar Frederik Hendrik onderzoek naar liet doen, hadden niet dezelfde status en er ging niet eenzelfde dreiging vanuit als bij Den Bosch.

Alle drie waren het sterke vestingsteden en belangrijk voor de Spaanse omsingeling van de Republiek. Om de positie van de Republiek te ondermijnen hadden de Habsburgers haar sinds het einde van het Twaalfjarig Bestand zo veel mogelijk afgesloten van haar achterland door een ring van sterke vestingsteden. Zou Den Bosch in Staatse handen vallen, dan zou er een groot gat in het zuiden van die Spaanse verdedigingslinie ontstaan. Moeilijk verdedigbare Zuid-Nederlandse steden als Herentals, Lier en Tienen en belangrijkere steden als Antwerpen of Maastricht zouden in het bereik komen. Daarnaast ging er vanuit Den Bosch, gelegen dicht bij de grens met de Republiek, een constante dreiging uit. Na een verovering zou daar geen rekening meer mee gehouden hoeven worden.

Tevens was 's-Hertogenbosch van belang vanwege haar prestige: het was een van de vier hoofdsteden van het hertogdom Brabant en had een bisschopszetel. Bij de stad behoorde de Meierij: een groot plattelandsgebied met ruim 40 kloosters, 140 dorpen en 200.000 inwoners. (2004): Oorlog, mijn arme schapen, blz. 462 Vanwege de sterkte en het belang van de stad zou een verovering een grote deuk in het prestige van Spanje slaan.

Vesting 's-Hertogenbosch thumb|Kaart van 's-Hertogenbosch in 1649, twintig jaar na het beleg. Na het beleg werd een citadel toegevoegd aan de stad om de bevolking te controleren. In belegeringstechnisch opzicht was 's-Hertogenbosch een onwaarschijnlijk doel voor een campagne. De stad lag midden in een drassig gebied waar de Dommel en de Aa doorheen stroomden. Het land rond de stad stond voor een groot deel van het jaar onder water. Hierdoor was de stad het hele jaar slechts bereikbaar over twee wegen: vanuit Vught en vanuit Hintham. Vanuit Den Dungen, Orthen en Vlijmen was de stad vanwege het water alleen in de zomer bereikbaar.

Tot aan het Twaalfjarig Bestand had de stad nog een verouderde middeleeuwse ommuring. Gedurende de wapenstilstand werd de verdediging gemoderniseerd door nieuwe wallen, zes nieuwe bolwerken en twee bastions aan te leggen. Voor de Hinthamerpoort werd een uitgebreid hoornwerk aangelegd en op sommige plaatsen kwamen aarden ravelijnen. Ondanks deze verbeteringen waren ten tijde van het beleg niet alle moderniseringen voltooid. De verdediging aan de kant van Den Dungen bestond nog uit de middeleeuwse stadsmuur die niet gedekt werd door bastions, maar door rondelen en halfronde muurtorens. Om dit zwakke deel van de stad toch te kunnen beschermen werd op een afstand van 750 meter het vijfhoekige fort De Pettelaar aangelegd, ook bekend als Sint-Michiel. Aan de kant van Vught lagen op een kilometer van de stad twee forten, de Kleine Schans of Sint-Anthonie en de Grote Schans of fort Isabella, om de toegang te beschermen.

De vesting gold als onneembaar en kreeg daarom de bijnaam Moerasdraak - al werden alleen aan de Staatse kant in propagandistische pamfletten en historiewerken vermeldingen als "onneembaar" gebruikt om de grootsheid van de eigen prestatie te benadrukken. (2008): Tranen van bloed: het beleg van 's-Hertogenbosch en de oorlog in de Nederlanden blz. 17 Tien eerdere belegeringen had de stad al weerstaan, waarvan vijf onder leiding van Maurits van Oranje. (2004) Dagboek 1629: ooggetuigen van het beleg van 's-Hertogenbosch blz. 152

De gouverneur van de stad was de ervaren Anthonie Schetz, baron van Grobbendonk. Zijn garnizoen was een van de grootste in de Zuidelijke Nederlanden. Het bestond uit 3392 soldaten, afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden, Duitsland en Bourgondië. Toen duidelijk werd dat Den Bosch het doel werd van het Staatse leger werden snel extra soldaten naar de stad gestuurd. Zo glipten in het beginstadium van het beleg 800 soldaten uit Breda en 45 uit Eindhoven door de omsingeling. Ruiters die niet op tijd konden wegkomen uit de stad gingen dienstdoen als voetvolk. De weerbare burgerbevolking ondersteunde het garnizoen met graafwerk en door wacht te lopen op belangrijke punten.

In de stad waren voldoende levensmiddelen opgeslagen om een lang beleg uit te zitten. Wel was de geringe voorraad buskruit en munitie een probleem voor de verdedigers. Een deel van het kruit was te nat om meteen te kunnen gebruiken. Ondanks aandringen van de gouverneur maakte de regering in Brussel geen geld vrij voor de aankoop van extra voorraden.

Staatse leger en bevoorrading thumb|Uit het handboek "Wapenhandelinghe Van Roers. Mvsqvetten. Ende Spiessen". Een musketier met zijn vuurwapen en een steun, furket genoemd. Het kruit zit in houten kokers, aan een brede band over zijn borst, waarvan een koker precies voldoende kruit bevat voor één schot.