Het XYY-syndroom of syndroom van Jacobs is het geheel aan kenmerken dat ontstaat ten gevolge van een trisomie van het 23e chromosomenpaar, een chromosomale variatie of aneuploïdie waarbij er naast de normaal aanwezige X-chromosoom en Y-chromosoom een extra Y-chromosoom aanwezig is, het 47,XYY-karyotype. Personen met het XYY-syndroom zijn steeds mannelijk.
Van alle variaties van geslachtschromosomen heeft deze de meeste aandacht gekregen. Oorzaak hiervan was een naar later bleek foutieve suggestie van Patricia Jacobs in 1965 dat het karyotype tot verhoogde agressiviteit leidde. Nadat deze vermeende genetische associatie tot de nodige controverse leidde, verweten wetenschappers uit het veld de media sensationalisme waardoor dit beeld zou hebben kunnen ontstaan. De wetenschappers zelf speelden hierbij echter een vergelijkbare rol. (1985) De suggestie van een crimineel chromosoom betekende namelijk een enorme stimulans voor onderzoek in dit tot dan toe slaperige vakgebied, zodat in de jaren 1960 82% van het onderzoek naar het Y-chromosoom betrekking had op het 47,XYY-karyotype. Het maakte het Y-chromosoom ook het onterechte symbool van mannelijkheid, zoals testosteron dat onterecht was geworden bij de hormonen. (2013) (2019) De bewering dat XYY-mannen agressiever zijn, is wel vergeleken met het hereditarisme of genetisch determinisme van Arthur Jensen die in 1969 stelde dat de gemiddelde achterblijvende prestaties van Afro-Amerikanen op school een genetische oorzaak had. (1969): 'How Much Can We Boost IQ and Scholastic Achievement?' in Harvard Educational Review, Volume 39, Issue 1, p. 1-123 (2002) Beide affaires gaven gedragsgenetica een slechte naam.
Daniel Navon gebruikt het karyotype uitgebreid bij zijn onderbouwing dat genetisering of genoomaanduiding bij sommige genetische en chromosomale variaties wel en bij andere niet leidt tot andere indelingen en zo nieuwe soorten mensen: Genomic designation is the delineation and diagnosis of medical conditions strictly according to observations of abnormal genomes, be it whole chromosome duplications, tiny point mutations, or anything in between. Een succesvolle genoomaanduiding kan bijdragen aan behandeling, identiteitsvorming en sociale mobilisatie van mensen met die variatie. Navon sluit daarbij aan bij het looping effect van filosoof Ian Hacking. Dit effect betekent dat mensen niet alleen op een nieuwe manier gecategoriseerd worden, maar dat die categorisatie weer van invloed is op die mensen. (2007): 'Kinds of People: Moving Targets' in Proceedings of the British Academy, Volume 51, p. 285–318
Niet elke genoomaanduiding slaagt er echter in om buiten het vakgebied bekend te worden en ook niet in elk geval ging dit gepaard met een gestructureerd proces om tot de juiste fenotypische eigenschappen te komen. In het geval van XYY ging het in eerste instantie mis door de criminalisering van het extra chromosoom. Van grote invloed kan de prenatale diagnostiek zijn als deze meer zwangerschapsafbrekingen tot gevolg hebben en daarmee een afname van het aantal mensen met een variatie.
Vaak voorkomende kenmerken Vlak na de geboorte is er bijna nooit iets afwijkends te zien of te merken aan een kind met XYY-syndroom. In de jaren daarna zijn er wel kenmerken, maar deze zijn zo algemeen, dat er vaak geen reden is om verder onderzoek te doen. Hierdoor bestaan er veel jongens met het syndroom die het nooit zullen weten. Als het ontdekt wordt, dan is dat vaak bij toeval. Als er wel kenmerken zijn, dan is onder meer gevonden:; ; ; ; ; ; ; ; ; (2013): '47,XYY syndrome: clinical phenotype and timing of ascertainment' in The Journal of Pediatrics, Volume 163, Issue 4, p. 1085-1094 een lange gestalte, beginnend van een jaar of zes, door het homeobox-gen met kleine gestalte (SHOX-gen) in de pseudoautosomale regio van het extra Y-chromosoom zwaarlijvigheid, vooral buikvet macrocefalie, een groter hoofd macroorchidisme, vergrote teelballen veelal normaal niveau van bij de testiculaire functie betrokken biomarkers als anti-Müller-hormoon en inhibine B. In enkele gevallen is er sprake van een lage inhibine B, wat in de puberteit zou samenhangen met het aantal sertolicellen en de spermatogenese. Een verlaagde inhibine B en verhoogde follikelstimulerend hormoon (FSH) is ook te zien bij het sertoli-cell-only-syndroom, wat een verminderde vruchtbaarheid tot gevolg heeft, al is hier nog veel onbekend hypotonie, een verminderde spanning van spieren clinodactylie, een zijwaartse verkromming van de vingers hypertelorisme, wijd uit elkaar staande ogen een milde tremor, een voortdurende schudbeweging van een of meer lichaamsdelen verhoogde kans op aanvallen, astma, atopie en gebitsproblemen normaal intelligentiequotiënt als er sprake was van een prenatale diagnose, wat lager bij postnatale diagnose moeilijkheden met spraak en taal, motoriek en opleiding; ; ; ; (2010): 'Neurocognitive outcomes of individuals with a sex chromosome trisomy: XXX, XYY, or XXY: a systematic review' in Developmental Medicine & Child Neurology, Volume 52, Issue 2, p. 119-129 een verhoogde kans op een autismespectrumstoornis, vooral bij postnatale diagnose. Bij tot een derde van de XYY-kinderen is dit vastgesteld tegenover 1% in de algemene bevolking. Mogelijk hangt dit samen met het neuroligin NLGN4Y op het Y-chromosoom. normale testosteronspiegels zo'n 50% ADHD tegenover 16% in de algemene bevolking
Deze bevindingen hebben als beperking dat de diagnose veelal pas wordt gesteld nadat er een bepaalde problematiek is vastgesteld, waardoor deze problematiek oververtegenwoordigd zal zijn. Veel XYY-mannen zullen nooit weten dat zij dit zijn en ook niet als dusdanig onderzocht worden.
Bij specifieke testen wordt gevonden:; ; ; ; ; ; ; (2012): 'Behavioral and social phenotypes in boys with 47,XYY syndrome or 47,XXY klinefelter syndrome' in Pediatrics, Volume 4, Issue 4, p. 769-778 een wat lagere general conceptual ability-score (GCA) op de differential ability scales, een maat voor verbaal, ruimtelijk en non-verbaal redeneren niet ver afwijkend, maar wel hogere (minder goede) scores op de child behavior checklist (CBCL), onder meer voor externaliserend gedrag als aandachtsproblemen en agressief gedrag en internaliserend gedrag als teruggetrokken en denkproblemen niet ver afwijkend, maar wel hogere (minder goede) scores op de Conners' parent rating scale–revised-long version (CPRS-R), vergelijkbaar met de resultaten van de CBCL. Vergeleken met DSM-IV was er een verhoogde onoplettendheid en hyperactiviteit/ impulsiviteit, een samenhang met ADHD op de social communication questionnaire (SCQ) waarmee wordt getest op een autismespectrumstoornis (ASS) scoren XYY-kinderen bovengemiddeld de children's depression inventory en revised child's manifest anxiety scale laten geen verhoogde kans op respectievelijk depressie en bezorgdheid zien
Behandeling Meestal dienen jongens met een XYY-syndroom enkel aandachtiger gevolgd en gestimuleerd te worden voor hun ontwikkelingssnelheid en hun schoolprestaties en hun gedrag.
Mannen met het XYY-syndroom zijn normaal vruchtbaar.
Oorzaken 47,XYY wordt veroorzaakt door een non-disjunctie bij de meiose, maar de oorzaak hiervan is nog niet bekend.
Incidentie 1 op 1000 mannen.
Onderzoeksgeschiedenis Vanaf het onderzoek door Theophilus Painter in 1921 tot 1955 werd gedacht dat mensen 48 chromosomen hadden. Het jaar daarop publiceerden cytogenetici Joe Hin Tjio en Albert Levan hun bevindingen die aantoonden dat het 46 chromosomen betrof.; (1956): 'The Chromosome Number of Man' in Hereditas, Volume 42, p. 1-6
Onderzoek naar de effecten van een nucleaire fall-out hadden het slaperige vakgebied van cytogenetica leven ingeblazen en zo werden in 1959 het syndroom van Klinefelter (47,XXY), het syndroom van Turner (45,X), het triple X-syndroom (47,XXX) en het syndroom van Down (47,XX,+21 en 47,XY,+21) ontdekt en in 1960 het XXYY-syndroom (48,XXYY). In 1961 werd bij toeval door Avery Sandberg en zijn collega's ook 47,XYY ontdekt.; ; ; (1961): 'An XYY human male' in The Lancet, Volume 278, Issue 7200, p. 488-489
Mythevorming Grote bekendheid kreeg het XYY-syndroom echter pas door een publicatie van Patricia Jacobs. Zij had in 1959 het syndroom van Klinefelter ontdekt en publiceerde in 1965 een studie waarin het XYY-syndroom in verband werd gebracht met een verhoogde agressiviteit, aangezien er in het State Hospital, het psychiatrisch ziekenhuis in Carstairs in Schotland waar zij onderzoek deed, een bovengemiddeld aantal mensen waren met het XYY-syndroom, 7 van de 197, 3,5%.; ; ; ; (1965): 'Aggressive behavior, mental sub-normality and the XYY male' in Nature, Volume 208, Issue 5017, p. 1351-1352 Het verband met agressiviteit sprak tot de verbeelding en leidde tot een golf van onderzoek. De twaalf gevallen die tussen 1961 en 1965 ontdekt werden, waren toevalstreffers en hadden geen criminele achtergrond. De vijftien jaar daarna zou het onderzoek zich echter vooral op criminelen richten.
Onderzoek in 1966 in de drie andere beveiligde psychiatrisch ziekenhuizen in het Verenigd Koninkrijk – Rampton Secure, Moss Side en Broadmoor – bij lange patiënten leek het beeld van Jacobs te bevestigen.; ; et al. (1966): 'YY chromosomes and antisocial behaviour' in The Lancet, Volume 288, Issue 7468, p. 859-860
In 1967 kwamen William H. Price en Peter Whatmore op basis van de uiteindelijk XYY-mannen die in State Hospital werden gevonden tot de conclusie dat omgevingsinvloeden verwaarloosbaar waren bij hun criminele verleden en dat dit volledig aan het extra Y-chromosoom te wijten was. Wel gaven zij aan dat dit mogelijk niet gold voor de XYY-populatie buiten inrichtingen.; (1967): 'Behaviour Disorders And Pattern Of Crime Among Xyy Males Identified At A Maximum Security Hospital' in The British Medical Journal, Volume 1, No. 5539, p. 533-536
In de Verenigde Staten kreeg het syndroom bekendheid door Mary Telfer die onderzoek deed in penitentiaire instellingen. Zij kwam tot de – waarschijnlijk foutieve – conclusie dat acne een symptoom van het syndroom was.; ; (1968): 'YY syndrome in an American Negro' in The Lancet, Volume 291, Issue 7533, p. 95 Het grote publiek raakte bekend met het syndroom door een serie artikelen van The New York Times, in april 1968 zelfs op de voorpagina waar de moord door de Fransman Daniel Hugon – voormalige staljongen van Jean Gabin en van Aga Khan IV – aandacht trok door het beroep bij zijn verdediging op het extra Y-chromosoom. (1968): 'Genetic Abnormality Is Linked to Crime. Genetics Linked to Violent Crimes' in The New York Times Willam Michael Court Brown – een autoriteit op het gebied van stralingsbiologie – was in 1962 de eerste die stelde dat er bij personen met een chromosomale variatie sprake zou kunnen zijn van verminderde toerekeningsvatbaarheid. (1962): 'Sex chromosomes and the law' in The Lancet, Volume 280, Issue 7254, p. 508-509 Op basis van Telfer suggereerde de krant dat ook seriemoordenaar Richard Speck het hebben van een extra Y-chromosoom aan zou kunnen wenden bij zijn verdediging. (1968): 'Ultimate Speck Appeal May Cite a Genetic Defect' in The New York Times De Australiër Lawrence Hannell zou inderdaad zijn vrijgesproken omdat hij een extra Y-chromosoom had.(1968): 'Extra Chromosome Brings an Acquittal On Murder Charge' in The New York Times Voor Hugon was het beroep tevergeefs. (1968): 'French Murder Jury Rejects Chromosome Defect as Defense' in The New York Times Het bracht de krant op de rand van de criminalisering van het extra chromosoom: The evidence today may neither clinch the validity of the syndrome nor convict all the world's estimated five million XYY's of innate aggression or criminal tendencies. There does, however, seem good reason to keep an eye on it—and them. (1968): 'The XYY And The Criminal' in The New York Times