thumb|rechts|250px|Pommerellen eind veertiende eeuw Pommerellen (d.i. Klein-Pommeren, ook wel Oost-Pommeren of Pommeren-Danzig) is een historische regio in het noordwesten van Polen, gelegen tussen de Oostzee en de rivieren Parsęta (Persante), Noteć (Netze) en Wisła (Vistula, Wijssel, Weichsel) met als belangrijkste plaats Gdańsk (Danzig). De regio valt deels samen met Kasjoebië.

Geschiedenis Prehistorie en vroege geschiedenis 300px|miniatuur|Baltische culturen in de ijzertijd In de ijzertijd bevond zich vanaf de 7e eeuw v.Chr. in het gebied de Pommerse gezichtsurnencultuur, ook wel Pommerellencultuur genoemd. De dragers van deze cultuur waren mogelijk van Baltische oorsprong., The Balts, New York 1963 Ook de oeroude barnsteenroute liep van Samland door de delta van de Weichsel tot de Adriatische Zee en verbond zo Pommerellen met het Middellandse Zeegebied.

Verschillende Griekse en Romeinse geografen beschrijven het volk der Veneti dat dit gebied zou bewonen.

Omstreeks het jaar 98 vermeldt de Romeinse historicus Tacitus in hoofdstuk 45 van zijn Germania dat de Goten in het deltagebied van de Wisła woonden. Van de 2e eeuw v.Chr. tot de 1e eeuw AD. bevond zich hier de Oksywiecultuur, opgevolgd door de Wielbarkcultuur. De Wielbarkcultuur is in verband gebracht met het relaas van Jordanes over het vertrek van de Goten uit Scandza (Scandinavië) en hun vestiging in Gothiscandza.

Vroege middeleeuwen Tijdens de Grote Volksverhuizing van 400–600 na Chr. verlieten de Germanen voor een belangrijk deel het gebied en trokken naar het zuidoosten. Wat achterbleef vormde een Germaans-Baltische mengbevolking, zoals de Vidivaren die in de Weichseldelta woonden. Vele plaats- en riviernamen en het feit, dat het Kasjoebisch een Oudpruisisch substraat heeft wijzen er op, dat gedurende deze tijd ook de Pruisen in dit gebied gewoond hebben.

In de 7e eeuw vestigden zich de West-Slavische Pomoranen aan de Oostzeekust, waarvan de huidige Kasjoeben afstammen.

Vanaf de 9e tot de 12e eeuw lieten eerst de Vikingen en vervolgens de Denen duidelijke sporen in Pommerellen na. Namen als Oxhöft, Rixhöft, Heisternest en Hela zijn tot op heden bewaard gebleven en zijn een getuigenis van de duurzame bewoning door de Vikingen. Er zijn talrijke vondsten van Arabische munten van de 8e tot de 10e eeuw in Pommerellen gedaan. Zij leggen getuigenis af van de handels- en rooftochten, die de Vikingen vanuit Pommerellen tot in de Arabische landen hebben gedaan.

De opstellers van de oudste Poolse kronieken, Gallus Anonymus († na 1166) en Vincentius Kadłubek, bisschop van Krakau (* ca. 1150; † 3 maart 1223) en Boguphal, bisschop van Posen (rond 1250) berichten van de Poolse pogingen om Pommerellen te veroveren en zich tegen aanvallen vanuit Pommerellen te verdedigen. Gallus Anonymus noemt de Pommerellen een heidens volk vergelijkbaar met de Pruisen. Boguphal kent ook al de Slavische stam Caszubitae, zijnde de Kasjoeben. In de berichten van deze kroniekschrijvers wordt geen onderscheid tussen West- en Oost-Pommeren gemaakt. Danzig (Gdańsk) wordt in deze kronieken nog niet vermeld. thumb|De heilige Adalbert van Praag (voorstelling uit de 16e eeuw) Het is niet vast te stellen of Bolesław I van Polen (* 967; † 17 juni 1025, van 992-1000 hertog van Polen) tijdens zijn veldtochten verder is gekomen dan het zo nu en dan bereiken van de Oostzeekust. Vermoedelijk heeft hij wel het gebied rond Kolberg (Kołobrzeg) gedurende een korte periode kunnen overheersen.

Het is onduidelijk hoe de machtsverhoudingen rond het jaar 1000 in Pommerellen lagen en of Danzig ook toen al als belangrijkste plaats in Pommerellen beschouwd kon worden. Veel discussies resulteerden uiteindelijk uit het feit, dat Johannes Canaparius in zijn biografie van Adalbert van Praag, Danzig met "urbs" aanduidt. De aanduiding "urbs" (stad) is in die tijd voor het oostelijk deel van Midden-Europa uiterst ongebruikelijk. Men zou "castra" (burcht) of "oppidum" (grote plaats) verwachten.

Toen in het jaar 1000 het aartsbisdom Gnesen (Gniezno) werd gesticht met als suffrane bisdommen Kraków, Breslau (Wrocław) en Kolberg, werd niet Danzig, maar Kolberg – dat bij deze gelegenheid voor het eerst vermeld wordt– de zetel van het bisdom. Het ligt op de plaats waar de Persante in de Oostzee mondt en valt in Pommeren, niet in Pommerellen. De eerste bisschop werd de uit de Hassegau in Saksen afkomstige Reinbern († 1013-1015 in Kiev). Het bisdom Kolberg heeft slechts kort bestaan.

Aan het eind van de 11e eeuw had Danzig een verder niet te duiden vriendschappelijke of afhankelijke relatie met het Koninkrijk Polen. De door Adalbert in Danzig gehouden "preek voor de heidenen" in 997 en het feit, dat Danzig in het jaar 1000 niet tot de zetel voor het nieuwe bisdom werd gekozen maken het onaannemelijk dat Danzig toen onderdeel uitmaakte van het reeds christelijke Polen.

Gallus Anonymus bericht over de lange en harde gevechten van de Polen tegen de Pommerellen. Uiteindelijk vormde de schakel van grensversterkingen van Wyszogród (het huidige Fordon) aan de Weichsel, Nakel (Nakło nad Notecią), Usch (Ujście), Czarnikau (Czarnków), Filehne en Driesen (Drezdenko) de noordgrens van Polen.

Voor de tijd van 997 tot ca. 1185 zijn er geen historische bronnen voor de geschiedenis van Pommerellen. Op het einde van de 11e eeuw stonden in Santok aan de monding van de Netze in de Warthe ( Warta) twee grensburchten, een Poolse en een Pommerse.

In de 12e eeuw vestigden de Greifen hun heerschappij rond Cammin (Kamień Pomorski) en Stettin (Szczecin), in het westelijke deel van Pommeren. In het oostelijke deel rond Danzig heersten vanaf 1118 de waarschijnlijk door de Poolse Bolesław III als leenman van de Duitse keizer geldende Samboriden. Hierdoor werd Pommeren verdeeld in een westelijk deel, dat gaandeweg een onderdeel van het Heilige Roomse Rijk werd en vanaf 1181 direct onder de heerschappij van de keizer viel en een oostelijk deel, dat onafhankelijk was en met onderbrekingen bij Polen hoorde.

Hertogdom Pommerellen

Het vorstenhuis der Samboriden heerste in de periode van 1185 tot 1294 in het hertogdom Pommerellen.

De Pommerelse vorsten bestuurden hun land in beginsel vanuit één vestiging. Meerdere personen uit de lokale landadel stonden de hertog ter zijde. Uit overlevering kennen we de volgende namen: Grimislaus, Gnezota en zijn broer Martin, Zulis en Stropha. De schatmeester en kanselier Heinrich was waarschijnlijk een Duitse priester. De onderdanen waren verplicht dienstbaarheden alsook de militaire dienst te vervullen. Ze moesten van hun visvangst en vee de tienden afdragen.

Sambor begunstigde, evenals zijn vader, de vestiging van Duitse kolonisten en kooplieden. Voor hen stichtte hij in 1190 de Sint-Nicolaaskerk "vor Danzig im Felde". Nicolaas was de beschermheilige van de zeelieden en de (Duitse) kooplieden. Vandaar dat ook in Lübeck, Wismar, Stralsund, Berlijn, Elbing, Reval (Tallinn) en andere plaatsen grote kerken aan de heilige Nicolaas gewijd werden.

Er bestond een goed ontwikkelde zeehandel. In de eerste plaats werden laken (dat destijds ook als betaalmiddel gold) en zout, voornamelijk vanuit het in 1143 gestichte Lübeck, ingevoerd. De uitvoer bestond uit huiden, was, honing en barnsteen. In Danzig werden op de plaats van de latere Lange Markt kraampjes ingericht voor de verkoop van de per schip ingevoerde waren. Bij het Koggentor (de latere Groene Poort) bevond zich een door het klooster Oliva onderhouden aanlegplaats. Als tegenprestatie hiervoor kreeg het klooster een deel van de belastingopbrengsten.

Landinwaarts verliepen de handelswegen van Danzig naar Stargard. Naar het westen verliep de weg over Stolp (Słupsk) en Schlawe (Sławno) naar Kolberg. Voor zulke handelsreizen werden verscheidene voertuigen tot een konvooi samengesteld en vaak vergezeld van gewapende begeleiding. Bij vertrek uit Danzig diende elke voerman aan de penningmeester een tol van vijf el laken en een halve mark in zilver te betalen. Op de verdere reis werd bij iedere burcht met heerlijke rechten een aanvullende tol in natura geheven.

Sinds ongeveer 1240 dienden alle tollen in geld betaald te worden. Er zijn geen bronnen die het bestaan van muntslagerijen in Pommerellen bevestigen. Evenmin zijn er ooit munten afkomstig uit Pommerellen gevonden. Als gevolg van de toenmalige handelsbetrekkingen kwam Deens geld uit Hedeby vooral voor in de kustgebieden. Saksische zilvermunten – afkomstig uit de Rammelsberg bij Goslar – stroomden in groten getale naar Polen en Pommerellen, terwijl ook de Poolse vorsten munten sloegen.

Het einde van het huis Sambor en de strijd om de opvolging Terwijl Polen volgens een leenbrief van keizer Frederik Barbarossa van 1181 geen aanspraken meer op het hertogdom Pommeren kon maken, viel het hertogdom Pomerellen tot 1227 onder Poolse heerschappij, zij het als leen van het Duitse Rijk. Pommerellen ging volgens de regels van het Poolse senioraat uitdrukkelijk over op de oudste der Piasten. Door de dood van zijn oom werd hertog Mestwin II de heerser over Pommerellen. In de daarop volgende strijd met zijn verwanten was hertog Mestwin II voor korte tijd de bondgenoot van de Ascanische markgraaf van Brandenburg, terwijl hij bij het leenverdrag uitdrukkelijk ontslagen was van de heerban tegen Polen. Even later streed hij met de Polen tegen de Brandenburgers, die intussen Danzig veroverden.

Volgens de regels van het middeleeuws leenstelsel kwam zijn land – bij gebrek aan een eerstgeborene erfgenaam – terug aan zijn leenheer Otto V van Brandenburg. Mestwin II die door de dood van zijn oom heerser over geheel Pommerellen geworden was, wilde de teruggave van Pommerellen aan Brandenburg verhinderen. Daarom droeg hij op 15 februari 1282 in het verdrag van Kempen (Kępno) als een donatio inter vios (schenking bij leven) Pommerellen over aan Przemyslaw II.

Przemyslaw II was op 16 juni 1295 door de aartsbisschop van Gnesen tot koning van Polen gekroond. Hij regeerde daarmee – na de dood van zijn oom Bolesław V in 1279 – als opvolger van Hendrik IV van Breslau over Groot-Polen. Met deze gift zou Przemyslaw II – na de dood van Mestwin II – dus tevens de heerser over Pommerellen worden.

De markgraaf van Brandenburg erkende dit verdrag niet, omdat het een aantasting van zijn landsheerlijke rechten betekende.

Mestwin II moest op grond van de uitspraak in de bemiddeling door een pauselijk legaat op 18 mei 1282 het land Mewe (Gniew), de Großen Marienburger Werder en een deel van de Wislaschoorwal aan de Duitse Orde afstaan. Deze toewijzing berustte op een reeds eerder gedane schenking van deze landsdelen aan de Duitse Orde door Mestwins oom, Sambor II in 1276.

De Duitse Orde bouwde nog in hetzelfde jaar het commanderijslot Mewe (Gniew) en zette daarmee voet op de linkeroever van de Wisła.

Op 25 december 1295 stierf Mestwin II en Przemyslaw II breidde onder protest van Brandenburg zijn macht uit over het grootste deel van Pommerellen.

Op 26 juni 1295 werd Przemyslaw II in Gnesen door aartsbisschop Jakub Świnka tot koning van Polen gekroond. Hij heerste daarmee over Groot-Polen en over grote delen van Pommerellen. In februari 1296 werd Przemyslaw II – door oppositionele adellijken – de Zaremba en de Nałęcz – ontvoerd en in Rogoźno (Rogasen) vermoord.

Het vermoeden bestaat, dat Albrecht III van Brandenburg of Wenceslaus II van Bohemen achter deze moord zaten.

De Boheemse Přemysliden en Wladislaus I de Korte thumb|koning Wenceslaus II van Bohemen en Polen (Codex Manesse, 14e eeuw)