De mollige meivis is het drieënnegentigste stripverhaal uit de reeks van Suske en Wiske. Het is geschreven en getekend door Paul Geerts en werd gepubliceerd in TV Ekspres van 27 april 1974 tot 10 mei 1975. De eerste albumuitgave in de Vierkleurenreeks was in november 1975, het verhaal kreeg hier albumnummer 157.

Locaties België, de Mercatorketen langs de Scheldemonde, Rupelmonde, de graventoren, watergat, Duisburg aan de Rijn, kasteel van de hertog van Gilluk, onderaardse ruimte met geheime gangen

Personages Suske, Wiske, tante Sidonia, Lambik, Jerom, professor Barabas, Marie en haar man, bedelaar, bewaker, Geraard de Cremer en zijn vrouw Barbara, Chemismos (kwaadaardig geleerde, alchemist) en zijn mannen, Abi Artolius en zijn dochter Veerle, huisknecht, visser, mandenvlechter, baljuw, dorpelingen, herbergier, Hollanders, Duitsers, Friezen, Spanjaarden, Portugezen, waardin, de hertog van Gilluk, boeren, wachters, soldaten, Kobe (vis)

Het verhaal

Suske, Wiske en tante Sidonia volgen de Mercatorketen langs de Scheldemonde en komen in Rupelmonde. Hier zien ze een standbeeld van de cartograaf Geraard de Cremer, alias Mercator, die hier in 1512 werd geboren. Ze lopen via een onderaardse gang in de graventoren verder naar het galgenveld. Suske vindt per toeval een kaart uit de 16e eeuw van Abi Artolius, die een medewerker was van Mercator. Ze zien een tekst: “ben gevangenen ende ontvoerd…chemismos de alchimist…boot aan oever ende steiger….Artolius”. Wiske maakt een foto van deze kaart. Als professor Barabas later de foto ziet, besluit hij de vrienden met de teletijdmachine naar het jaar 1541 te sturen, om daar te kijken wat ze voor Artolius kunnen doen.

Ze gaan eerst naar Geraard de Cremer. Van hem vernemen ze dat Chemismos, een kwaadaardige geleerde, ook in het dorp is. Chemismos wil de oever van de Schelde compleet verpesten door hier chemische werkplaatsen te bouwen. Lambik vraagt waar Artolius is, waarop De Cremer antwoordt dat die in zijn eigen huis is samen met zijn dochter Veerle. Geraard vertelt ook dat keizer Karel V en de kanselier hem een lutheraanse opdracht hebben gegeven. Geraards vrouw Barbara is bang dat haar man daardoor in de gevangenis terecht zal komen. Als de vrienden even later bij Artolius' huis komen, blijken hij en Veerle net te zijn ontvoerd; ze treffen de vastgebonden huisknecht aan. De vrienden gaan nu naar de Schelde. Daar zien ze Chemismos' kogge, waar Artolius als gevangene is vastgebonden aan de mast. Zijn dochter Veerle wordt bij hem gebracht, en Jerom die alles op afstand ziet wordt meteen verliefd op deze jonge vrouw. Chemismos probeert Artolius te dwingen om te vertellen waar het magische kristal dat Artolius eerder voor de hertog van Gilluk maakte, zich nu bevindt. Met dit kristal kan er in de toekomst worden gekeken, wat Chemismos nodig heeft om zijn bouwplannen beter te kunnen realiseren. Artolius weigert te spreken, waarop Chemismos dreigt Veerle te zullen martelen met zijn karwats. Veerle springt van boord, om te voorkomen dat haar vader uit medelijden met haar alsnog zwicht. Artolius weet zichzelf te bevrijden, maar wordt dan door een van Chemismos' handlangers neergeschoten en van boord gegooid. Chemismos betovert hierop Veerle. Jerom die Veerle was achterna gesprongen komt heel verdrietig aan land, met een meivis in zijn hand. Suske kan intussen de gewonde Artolius uit het water halen. Voordat Artolius het bewustzijn verliest, vertelt hij nog dat op de door hem gemaakte kaart de bergplaats van het magische kristal staat aangegeven. Artolius hield de kaart tijdens het hele verhoor verborgen voor Chemismos, maar de kaart blijkt ongemerkt uit zijn bloes te zijn gevallen. De kogge van Chemismos vaart net weg, dus de schurken hebben de kaart nu in handen.

De Veerle-meivis blijkt te kunnen spreken en de romance tussen haar en Jerom bloeit op. De vrienden krijgen een schuit, de Paviljoenpoon, van een vriend van Artolius. Ze achtervolgen de kogge van Chemismos en worden beschoten, maar Jerom kan de kogels teruggooien. Door een stommiteit van Lambik zinkt de schuit echter alsnog. Chemismos spreekt een nieuwe vloek uit: als Veerle zijn ring niet zal inslikken, zal ze voor eeuwig een vis blijven. Veerle wordt gevangen door een visser, maar Jerom kan haar redden. Ze laten een mandenvlechter een kinderwagen voor de vis maken. Chemismos hoort intussen in het dorp verhalen over de sprekende vis en vraagt waar deze mensen zijn. De visser brengt Chemismos naar de baljuw en geeft hem geld om de "ketters" op te pakken en ze op de brandstapel te zetten. Lambik geeft in het plaatselijke café een rondje, maar als de anderen aanwezigen de vis zien beschuldigen ze de vrienden van hekserij. Dankzij Jerom worden de anderen niet overrompeld, maar de baljuw en diens mannen hebben intussen de herberg omsingeld, die ze in brand steken. De vrienden redden de waardin, die hen via een onderaardse gang naar de Schelde brengt. De vrienden maken een geïmproviseerde helikopter met een grote tobbe en onderdelen van een oude kar en vliegen naar Duisburg aan de Rijn. Daar zien ook de kogge weer. Uiteindelijk bereiken ze het kasteel van de hertog van Gilluk. De hertog vertelt dat het kristal in werkelijkheid een magisch oog is. De hertog is alleen bereid om te vertellen waar het magisch oog is als hij in ruil op Veerle mag jagen. Hij geeft de vrienden een slaapdrank en sluit hen op in zijn kelder. Veerle weet uit handen van de hertog te blijven, die al zijn mannen naar de Rijn stuurt om haar te vangen.

Veerle ontmoet onder water de baars Kobe en ze gaan samen door een geheime gang. De kogge is intussen door toedoen van Jerom tot zinken gebracht, maar Chemismos heeft zich met zijn mannen verborgen in het deel van het schip dat nog boven water is. Ze bestuderen de kaart en zien een oplopende gang naar de grot waar het magische oog wordt bewaard. Ze laten een duikklok dalen naar de bodem van de rivier en duikers gaan naar de gang. Suske en Wiske ontwaken en ontdekken dezelfde gang. Even later zien ze Chemismos en zijn mannen in een enorme ondergrondse ruimte, waarna ze worden betrapt en gevangengenomen. Lambik en Jerom ontwaken ook. Jerom weet Chemismos' mannen te verslaan, maar Suske en Wiske worden nog steeds door Chemismos gevangen gehouden. Chemismos laat een gordijn wegtrekken, en valt dan opeens flauw door wat hij te zien krijgt. Een van Chemismos’ mannen probeert de vrienden nog om te brengen, maar Veerle kan de vrienden losmaken. Jerom is blij Veerle terug te zien en hij kan de mannen verslaan.

Chemismos roept ineens op om het gevecht te staken. In het magische oog zag hij de Schelde in de 20e eeuw, met stenen pijpen die de lucht vergiftigen, stervende vogels en vissen en verdwijnend groen. Chemismos is hier zo van geschrokken dat hij volledig tot inkeer is gekomen; hij wil niet actief meewerken aan het vernietigen van de aarde en geeft de kaart van Artolius dan ook terug. Veerle krijgt nu ook de ring van Chemismos en slikt deze door, zodat ze haar normale mensengedaante terugkrijgt. Net op dat moment is ook de hertog ter plekke, en Veerle wordt nu verliefd op hem. Ze twijfelt of ze voor Jerom of voor de hertog moet kiezen, maar dan wordt Jerom weggeflitst. Ook de andere vrienden worden door professor Barabas naar hun eigen tijd teruggehaald.

Jerom heeft hevig liefdesverdriet. Uiteindelijk lukt het Sidonia om hem op te beuren, door een lekkere maaltijd te maken.

Achtergronden De cartograaf Gerardus Mercator heeft echt bestaan en werd inderdaad in Rupelmonde geboren. Vele kaarten van zijn hand werden in Duisburg vervaardigd. Giluk is geen echt bestaande plaats; vermoedelijk betreft het hier een toespeling op het hertogdom Gulik, dat bestond in de tijd waarin dit verhaal is gesitueerd. Chemismos zegt tegen de baljuw: "Als ik ooit eens iets voor jou kan afluisteren, je kunt me vinden bij 't watergat". Dit is duidelijk een verwijzing naar het Amerikaanse afluisterschandaal Watergate, waardoor de Amerikaanse president Richard Nixon in 1974 moest aftreden.

Uitgaven

Externe link Samenvatting

Categorie:Stripverhaal van Suske en Wiske Categorie:Stripverhaal uit 1975