De pekingmens (Homo erectus pekinensis) is een groep fossielen van de uitgestorven mensensoort Homo erectus. Deze werden oorspronkelijk, in 1927, door Black benoemd als het aparte geslacht en soort Sinanthropus pekinensis.Black, D. 1927: "On a Lower Molar Hominid Tooth From the Chou Kou Tien Deposit", Paleontologia Sinica, Serie D, Vol 7 Nr I: 1-28

In het begin van de twintigste eeuw dachten veel onderzoekers dat de mens in Azië ontstaan was. Men ging gericht op zoek naar fossielen van de "ontbrekende schakel". In 1921 vond Otto Zdansky in een grot bij Zhoukoudian nabij Beijing een fossiele mensentand. Toen nog meer tanden opdoken, werd in 1926 besloten de grot helemaal uit te graven, onder leiding van Davidson Black. Tussen 1927 en 1937 werden resten gevonden van een veertigtal individuen, voornamelijk een dozijn schedels. De botten waren aanwezig in een aantal lagen die wellicht zo oud waren als 780 000 en zo jong als 230 000 jaar. Verder werden eenvoudige stenen werktuigen aangetroffen. Indertijd vertegenwoordigden de ontdekkingen de meest uitgebreide vondsten van oermensen die bekend waren en ze zijn nog steeds de belangrijkste bekende overblijfselen van Homo erectus. Ze kregen grote aandacht van wetenschap en publiek, maar gingen in 1941 verloren bij een poging ze onder de Japanse bezetting van China in veiligheid te brengen.

De pekingmens was iets korter dan de gemiddelde moderne mens. Zijn herseninhoud lag met gemiddeld één liter ook een kwart lager. Zijn schedeldak was lager maar langer. Achteraan stak het uit in een punt. De schedel was opvallend zwaargebouwd. Boven de ogen lag een dikke uitstekende beenwal. Op het dak liep een verdikking. Beenringen versterkten de slapen en het achterhoofd verder. De wanden van de schedel waren ook heel dik, meer dan bij zowel vroegere als latere mensensoorten. Hetzelfde gold voor de ledematen. De tanden verschilden niet zoveel van het moderne gebit, maar waren ook weer aan de buitenzijde en binnenkant extra verdikt.

Het landschap waar de pekingmens leefde was meestal koel en vrij droog, een tamelijk open vlakte. Hij zal bessen gegeten hebben en joeg misschien op herten. Zijn werktuigen waren wat simpel gebouwd met een enkele snijrand. Vroeger werd gedacht dat de pekingmens het maken van vuur beheerste. Gespleten mensenbotten zouden wijzen op kannibalisme. Later bleek dat die door reuzenhyenas waren gekraakt. De meeste botten waren door deze roofdieren achtergelaten. Er is geen eenduidig bewijs voor het gebruik van vuur. Er is maar weinig bekend over de cultuur of het gedrag van de pekingmens.

Het was al snel duidelijk dat de pekingmens nauw verwant was aan de eerder ontdekte Javamens. In het midden van de twintigste eeuw begonnen onderzoekers ze samen te voegen tot één soort: Homo erectus. De pekingmens werd soms aangeduid als de ondersoort Homo erectus pekinensis. H. erectus werd beschouwd als een evolutiefase tussen de aapmens Australopithecus en de Neanderthalers, richting de moderne mens. Dat viel goed in China waar de pekingmens vereerd wordt als de directe voorouder van het Chinese volk. In de jaren tachtig werd de Out of Africa II-hypothese populair, dat de moderne mens afstamt van een recente migratie uit Afrika. Dat zou de pekingmens tot een doodlopende zijtak maken zonder nog levende afstammelingen. In de eenentwintigste eeuw wees nieuw onderzoek uit dat de situatie complexer moet zijn geweest met vele migratiegolven en aanzienlijke vermenging tussen populaties. Het is nog onduidelijk wat dit betekent voor de positie van de pekingmens.

Vondst en naamgeving thumb|Davidson Black

Black benoemt Sinanthropus pekinensis In het begin van de twintigste eeuw was nog zeer weinig bekend van de vroegste geschiedenis van de mens. Charles Darwin had in zijn Descent of Man van 1871 voorspeld dat de mens zich in Afrika ontwikkeld had omdat diens nauwste nog levende verwanten, de chimpansees en gorilla's, daar voorkwamen. Veel biologen stond die gedachte echter tegen. Men wilde liever niet afkomstig zijn uit een tropisch gebied of zwarte mensen als voorouder hebben. Daarentegen leek een oorsprong in Azië veel voornamer te zijn. Het harde klimaat in Centraal-Azië zou de motor geweest zijn in de evolutie van de mens en steeds verder ontwikkelde mensentypen hebben opgeleverd, waaronder de voorouders van de Europese volkeren. De "vondst" van de Piltdownmens, in feite een vervalsing die een moderne schedelkap combineerde met de onderkaken van een orang-oetan, deed in Engeland de belangstelling voor de paleoantropologie sterk opleven.Chris Manias, 2014, "Sinanthropus in Britain: human origins and international science, 1920–1939", The British Journal for the History of Science 48(2) De Piltdown Man werd bestudeerd door Grafton Elliot Smith en die had in 1914 als assistent de Canadees Davidson Black. Black nam, mede onder invloed van William Diller Matthew, het voornemen op in China de voorouder van de mens te gaan zoeken.Black, Davidson, 1925, "Asia and the dispersal of primates", Bulletin of the Geological Society of China 4: 133–184 Met dat doel reisde hij in augustus 1919 naar Peking en aanvaardde eind 1920 een baan als professor neurologie bij het Peking Union Medical College. Zijn leerstoel werd echter gefinancierd door de Rockefeller Foundation die strikt controleerde of hij zijn tijd wel besteedde aan het opleiden van Chinese artsen in plaats van het najagen van "fabeldieren in mysterieuze grotten". thumb|left|Tand PMU 25719 in de Zweedse collectie Na de Xinhairevolutie begon de Republiek China sneller te moderniseren. Contacten werden gelegd met buitenlandse instellingen die zo weer de gelegenheid kregen in het land onderzoek te doen. In 1921 begon de Zweedse archeoloog Johan Gunnar Andersson samen met de Oostenrijker Otto Zdansky en de Amerikaan Walter Granger nabij Beijing bij het dorp Zhoukoudian ofwel Choukoutien opgravingen te verrichten op de Chi Ku Shan, de "kippenbottenberg". Plaatselijke steenwerkers vertelden ze dat op de Longgushan, de "drakenbottenberg",Boaz, N.T. & Ciochon, R.L. 2004. Dragon Bone Hill, An Ice-Age Saga of Homo erectus. Oxford University Press, New York fossielen te vinden waren, die binnen de Chinese geneeskunde als heilzame drakenbotten golden.Andersson, J.G. 1922. "Current palaeontological research in China". Bulletin of the American Museum of Natural History 46: 727–737 Die naam was veelbelovend want Andersson wist dat in de collectie van Karl Albert Haberer een fossiele menselijke kies aanwezig was die deze in een apotheek te Peking gekocht had, de indertijd befaamde Chansizahn. Zdansky ontdekte vermoedelijk in augustus 1921 een menselijke tand, specimen PMU M3550, een bovenste derde rechterkies.Puech-Robert, E. 1981. "La découverte de l'Homme de Pékin", Préhistoire et Archéologie, 29: 6-9 Het tijdstip van de ontdekking is niet helemaal zeker omdat zijn aantekeningen in 1923 gestolen werden en hij zich de datum niet kon herinneren; Black dacht in 1933 zelfs dat 1923 het correcte jaartal was.Qian WANG, Li SUN, and Jan Ove R. Ebbestad. 2018. "The Dates of the Discovery of the First Peking Man Fossil Teeth", Asian Perspectives, 57(2): 267-280 Later, wellicht in de late zomer van 1923,Wang Q & Sun L. 2000. "Eightieth year of Peking Man: Current status of Peking Man and the Zhoukoudian site". Anthropological Review, 63: 19-30 dook er nog een op: specimen PMU M3549, een onderste derde linkerpremolaar. In 1918 waren al werktuigen uit kwarts gevonden.Andersson, J.G. 1919. "Preliminary description of a bone deposit at Chou-Kou-Tien in Fang-Shan-Hsien Chihli Province". Geografiska Annaler 1: 265–268Andersson J.G. 1934. Children of the Yellow Earth: Studies in Prehistoric China. Kegan Paul, Trench, Trubner & Co, London Deze tanden waren echter van lage kwaliteit en kregen weinig aandacht. Zdansky bewaarde ze in een glazen potje in zijn werkkamer. Ze werden pas in 1927 door hem gemeld in de wetenschappelijke literatuur.Zdansky O. 1927. "Preliminary notice on two teeth of a hominid from a cave in Chiihli (China)". Bulletin of the Geological Society of China, 1927: 281-284

Black stelde een plan op om de Zhoukoudiangrotten helemaal uit te graven. Het lukte hem echter niet daar fondsen voor te verwerven. Dat veranderde toen de kroonprins van Zweden, de latere Gustaaf VI, in 1926 Peking bezocht. De prins was een enthousiast amateurpaleontoloog en de beschermheer van de Zweedse Onderzoekscommissie die buitenlandse expedities financierde. Black hield op 22 oktober een levendige lezing met de prins als toehoorder, waarin de tanden beschreven werden als de belangrijkste archeologische vondst die ooit door Zweden gedaan was.Black, D. 1926. "Tertiary man in Asia: the Choukoutien discovery". Nature 118: 733–734 Hij kreeg zo de nodige fondsen los, $110 000, en op 27 maart 1927 begon een team van Zweden en Chinezen, ondersteund door zestig arbeiders, met de opgravingen. De Zweed Anders Birger Bohlin vond dat jaar op 16 oktober de derde tand, een onderste eerste linkerkies.Bohlin, B., 1980. "The excavation of the cave at Chou-Kou-Tien in 1927 and 1928: a postscript". In: Konigsson, L. (Ed.), Current Argument on Early Man. Pergamon Press, Oxford, p. 13–14 Black was helemaal extatisch en besloot meteen een nieuw geslacht en nieuwe soort te benoemen: Sinanthropus pekinensis. De geslachtsnaam is een combinatie van het Latijn Sinae, "Chinezen", en het Oudgrieks anthropos, "mens". Hij was gesuggereerd door Amadeus William Grabau. De soortaanduiding verwijst naar de herkomst bij Beijing. Het nieuwe geslacht was strijdig met het oordeel van Zdansky uit 1927 dat de tanden bij een ?Homo sp. hoorden. Black deed er alles aan om de publiciteit voor zijn nieuwe mensensoort te vergroten. Hij reisde in 1928 de wereld rond waarbij de tand in een speciaal messing doosje geplaatst was dat hij aan zijn pols droeg of aan zijn horlogeketting. Deze tand is het holotype, K11337: 3. Overigens gaf Black Zdansky als medenaamgever aan, zodat de soort een Sinanthropus pekinensis Black & Zdansky 1927 werd. Zdansky begeleidde persoonlijk de twee eerst gevonden tanden in januari 1924 naar Zweden. In 1926 werd nog wat materiaal nagezonden en pas tegen 1952 bleek het Zdansky, die na januari 1927 een kwarteeuw in Egypte werkte, dat in de ongeopende kratten nog een derde tand aanwezig was. In juni 1952 meldde hij specimen PMU M3887, een onderste vierde rechterpremolaar.Zdansky O. 1952. "A new tooth of Sinanthropus pekinensis Black". Acta Zoologica, 33: 189-191 Op 21 maart 2011 werd er zelfs nog een vierde tand ontdekt die door Zdansky over het hoofd moet zijn gezien, specimen PMU 25719, een bovenste rechterhoektand.Frängsmyr, Tore. 2012. "Peking Man: New Light on an Old Discovery". In: Buchwald, Jed Z. (ed.). A Master of Science History: Essays in Honor of Charles Coulston Gillispie. Springer. p. 49–62Martin Kundrát, Liu W, Jan Ove Ebbestad, et al. 2015. "New tooth of Peking Man recognized in laboratory at Uppsala University[J]". Acta Anthropologica Sinica, 34(1): 1-14 De vijf in eerste instantie gevonden tanden behoren vermoedelijk aan één individu toe, een meisje van zeven à acht jaar oud. Ze komen uit Laag 5, Locus A.

Schedels worden gevonden thumb|Pei Wenzhong