De Weimarrepubliek (Duits: Weimarer Republik) was de benaming van Duitsland in de periode van 1918/1919 tot 1933, toen het land voor het eerst een volwaardige democratie was.
Inleiding De republiek was de opvolger van het half-democratische Duitse Keizerrijk (1871-1918), dat ophield te bestaan toen aan het einde van de Eerste Wereldoorlog keizer Wilhelm II afgezet werd. De naam verwijst naar de stad Weimar, waar de republiek in 1919 haar grondwet kreeg. In de republiek, die officieel nog steeds het Duitse Rijk heette, gebruikte men aanvankelijk vooral de naam Duitse Republiek. De term Weimarrepubliek werd pas vanaf 1929 gebruikt, veelal met een negatieve weerklank door tegenstanders van de republiek (de conservatieven, de nazi's en de communisten).
In de Duitse geschiedenis staat de Weimarrepubliek wel geboekt als de eerste volledige Duitse democratie (en de Bondsrepubliek Duitsland vanaf 1949 als de tweede). Hervormingen tijdens oktober 1918 (en later), maar ook de Novemberrevolutie van 9 november 1918 hebben het bestuur republikeins (hoewel de meeste partijen aanvankelijk nog wel met een volledig constitutionele monarchie verder wilden) en parlementair-democratisch gemaakt. Aan het hoofd van het Rijk stond niet meer de erfelijke Duitse keizer (de Pruisische koning), maar een direct door het volk gekozen rijkspresident: eerst de sociaaldemocraat Friedrich Ebert, later de conservatieve generaal Paul von Hindenburg. Delen van de Grondwet van Weimar en sommige politieke gewoontes en symbolen uit die tijd leven voort in de Bondsrepubliek (zie 'Nabeschouwing' hieronder).
De republiek was zwaar belast door het Verdrag van Versailles, dat het einde van de Eerste Wereldoorlog bezegelde. Duitsland moest herstelbetalingen doen, zich op grote schaal ontwapenen en grondgebied inleveren. Mede daardoor duurde het lang voordat Duitsland weer een rol in de internationale politiek speelde.
Binnen het land zelf waren er conflicten die op een burgeroorlog leken. Politieke extremisten, voornamelijk communisten en nationaalsocialisten, wonnen veel aanhang, vooral sinds de Grote Depressie (1929 en volgende jaren). In 1933 wist de leider van de nationaalsocialisten, Adolf Hitler, de macht over te nemen en veranderde in zeer korte tijd de Duitse republiek in een totalitaire dictatuur: Nazi-Duitsland.
Geschiedenis Oktoberhervormingen en einde Eerste Wereldoorlog links|thumb|November 1918: opstandige matrozen in Kiel, die een soldatenraad hebben gekozen Sinds 1914 stonden de belangrijkste Europese machten (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Rusland) in een, voorheen ongekend bloedige, oorlog tegenover elkaar. In de eerste helft van 1918 had Duitsland Rusland definitief verslagen en de Vrede van Brest-Litovsk bewerkstelligd, maar het was aan o.a. het westfront langzamerhand aan de verliezende hand. Dat kwam onder meer door de effectieve zeeblokkade van Duitsland door de geallieerden, die steeds grotere tekorten veroorzaakte. Anderzijds waren de geallieerden door het terugtrekken van Rusland (Lenin moest kiezen voor de opbouw van zijn land) een belangrijke medestander verloren. Het tij keerde definitief tegen Duitsland in augustus 1918, toen het Duitse leger uiteindelijk gebrek had aan grondstoffen, munitie, voedsel en manschappen, en zich langzaam uit Frankrijk en België moest terugtrekken door het geallieerde Honderddagenoffensief.
De Duitse legerleiding realiseerde zich dat de directe vooruitzichten hopeloos waren geworden en dat ieder moment de totale instorting van het leger kon volgen, waarop de geallieerden ongehinderd de invasie van Duitsland zouden kunnen inzetten. Zij informeerde de regering op 29 september over de situatie en wilde dat de regering sociaaldemocraten, katholieken van de Zentrum-partij en links-liberalen opnam; die drie hervormingsgezinde partijen hadden de meerderheid in de Rijksdag en hadden al op 19 juli 1917 een resolutie m.b.t. een vrede zonder gebiedsuitbreiding ingediend. De resolutie kreeg een meerderheid in het parlement, maar werd genegeerd door zowel de legerleiding (die toen nog dacht dat een militaire overwinning binnen de mogelijkheden lag en onder invloed stond van de rechtsradicale Deutsche Vaterlandspartei) als door de geallieerden. De nieuwe regering moest dan onderhandelen over een staakt-het-vuren met de Verenigde Staten, die in april 1917 ook bij de tegenstanders waren gekomen, op basis van president Wilsons Veertien Punten van begin 1918. De legerleiding dacht dat een democratischere regering een voor Duitsland gunstigere vrede kon bereiken.
Keizer Wilhelm II gaf op 3 oktober 1918 de partijloze, maar als liberaal geldende prins Max van Baden de opdracht om een nieuwe regering te vormen. Daarin namen ook vertegenwoordigers van de katholieke Zentrum-partij, de links-liberalen en de sociaaldemocraten (SPD) plaats. Vooral het opnemen van de SPD was bijzonder; deze toen grootste partij werd altijd buitengehouden.
Nog in oktober onderhandelde de nieuwe regering met de VS, die gezien werd als de belangrijkste macht onder de vijanden. Een van de voorwaarden die de VS stelden aan de Duitsers, eer men wilde praten over een staakt-het-vuren, was dat het semi-constitutionele regeringsstelsel van het keizerrijk nog verder gedemocratiseerd moest worden. De Duitse sociaaldemocraten en links-liberalen wilden dit ook, eigenlijk al veel eerder, maar hadden daarvoor nooit de kans gekregen door de tegenwerking van keizer Wilhelm II, de legerleiding, de aristocratie en de conservatieve partijen in het parlement. Tijdens de Oktoberhervormingen werd de Duitse grondwet aangepast, zodat de regeringsleider (de rijkskanselier) niet meer alleen door de keizer werd benoemd, maar ook het vertrouwen van het parlement, de Rijksdag, nodig had. De greep van de keizer en de aristocratie op de politiek en het leger werd ingeperkt. Veel hervormingen zouden echter nooit in praktijk worden gebracht als gevolg van de gebeurtenissen die de daaropvolgende weken plaatsvonden.
Novemberrevolutie en afschaffing van de monarchie Eind oktober 1918 wilde de leiding van de Duitse marine eigenmachtig de vloot nog naar Engeland sturen, om "heldhaftig" ten onder te gaan. De matrozen zagen uiteraard niets in het sneuvelen voor een reeds verloren oorlog en rebelleerden onder meer om een vredesakkoord te bevorderen. Ook wilden zij een betere verzorging met levensmiddelen. Van de Noord-Duitse havensteden sloeg de rebellie over naar de rest van het land en bereikte op 9 november de hoofdstad Berlijn, waar de Novemberrevolutie uitbrak. Kanselier Max van Baden vreesde dat een gewelddadige omwenteling zoals in Rusland een jaar daarvoor zou plaatsvinden. Daarom en vanwege diens slechte internationale reputatieWilhelm II werd door de geallieerde propaganda neergezet als de hoofdschuldige aan het uitbreken van de oorlog dwong hij de keizer tot aftreden en gaf zijn kanselierschap over aan de voorzitter van de SPD, Friedrich Ebert. Ook Ebert was tegen een gewelddadige revolutie en wilde de politieke ontwikkeling in geleidelijke banen leiden. Aanvankelijk wilden veel partijen, zoals Eberts SPD, nog wel verder met een volledig constitutionele monarchie en werd gezocht naar een acceptabele verwant van de afgezette keizer die hem zou kunnen vervangen. Alleen de extremere socialisten en communisten eisten een direct einde van de monarchie. thumb|links|Rat der Volksbeauftragten na uittreden van de radicalen. Van links naar rechts: Otto Landsberg, Philipp Scheidemann, Gustav Noske, Friedrich Ebert, Rudolf Wissell. Philipp Scheidemann, een andere vooraanstaande sociaaldemocraat, riep echter op dezelfde 9 november tóch de republiek uit, overigens om de radicale socialisten en de communisten vóór te zijn die op het punt stonden om een eigen radicaal-socialistische republiek uit te roepen. Ebert verweet hem dat, want volgens Ebert was het niet aan Scheidemann, maar aan een constituante (een nationale vergadering) om de keus te maken tussen de bestaande monarchie of een nieuwe Duitse republiek. Maar aangezien de keizer ondertussen naar Nederland was gevlucht en ook de andere Duitse vorsten door de voorbije gebeurtenissen waren afgezet, was het inmiddels onvermijdelijk dat Duitsland sowieso een republiek zou worden.
De regering van Ebert, van 10 november 1918 tot en met 13 februari 1919, heette de "Raad van Volkscommissarissen", omdat uitdrukkingen als regering of ministers te burgerlijk zouden klinken in de oren van de meer linksradicale partijen wier steun men nodig had. In het begin zaten in de Raad drie gematigde sociaaldemocraten en drie meer radicale sociaaldemocraten (van de Onafhankelijke Sociaaldemocratische Partij, USPD). Nadat de Raad met hulp van keizerlijke troepen en ongebonden groepen van soldaten, de vrijkorpsen, linkse opstanden had neergeslagen (o.a. de Spartacusopstand), verlieten de USPD-vertegenwoordigers de Raad. De belangrijkste beslissing van de Raad was het uitroepen van verkiezingen voor de Nationale Vergadering van januari 1919.
Nationale Vergadering en grondwet Omdat in Berlijn burgeroorlogachtige toestanden heersten (straatgevechten tussen links-radicalen, het leger en de vrijkorpsen waren nog aan de gang), kwamen de afgevaardigden voor de Nationale Vergadering samen in Weimar (Thüringen), waar ze in het plaatselijke theater vergaderden. De sociaaldemocraten (SPD) hadden vrij veel stemmen gekregen en ook de links-liberalen van de Deutsche Demokratische Partei (DDP) waren veel sterker vertegenwoordigd dan in eerdere of latere Duitse parlementen. Samen met de katholieke Zentrum-partij vormden zij de coalitie van Weimar. Die coalitie verloor in juni 1920 echter voorgoed haar absolute meerderheid. In bijna alle regeringen tussen 1920 en 1932 zaten het Zentrum en de liberale partijen DDP en Deutsche Volkspartei (DVP), gesteund door de sociaaldemocraten of de conservatieven.
De nieuwe grondwet (Verfassung für das Deutsche Reich, dezelfde naam als haar voorganger) van 11 augustus 1919 was in die tijd een van de modernste grondwetten van de wereld. Deze voorzag onder meer in actief en passief kiesrecht voor vrouwen, wat toen nog vrij uniek was, referenda en de grondrechten van de Duitsers. Belangrijkste auteur was de liberale minister van Binnenlandse Zaken, Hugo Preuß.Heinrich August Winkler: Der lange Weg nach Westen. Deutsche Geschichte 1806-1933, Bonn 2002, pp. 403-407. Het Duitse staatshoofd, voorheen de erfelijke keizer, werd nu 'rijkspresident' genoemd. Die werd voor zeven jaar door het volk gekozen en kreeg de macht om in tijden van crisis gevaar voor de republiek af te weren. De Rijksdag had echter het recht om de maatregelen van de rijkspresident terug te draaien. De regering bijvoorbeeld werd door de rijkspresident benoemd, maar de Rijksdag kon de regeringsleden tot aftreden dwingen. Vanaf haar samenkomen op 6 februari 1919 tot de verkiezingen van juni 1920 fungeerde de Nationale Vergadering als voorlopig parlement. Het verkoos op 11 februari Ebert als eerste rijkspresident en was tevens het eerste Duitse parlement waarin ook vrouwen zaten.
Door de vaak onwerkbare situatie in de regeringscoalities, waarbij de regerende partij altijd gedoogsteun nodig had van andere partijen in het parlement, moest steeds vaker de rijkspresident zelf knopen doorhakken en wetten er per decreet doordrukken. Op den duur was de rijkspresident veel invloedrijker geworden op het regeringsbeleid dan de bedoeling was. Zijn reële invloed op de Duitse politiek was begin jaren dertig niet veel minder dan die van de vroegere keizer.
Verdrag van Versailles