Leviathan is het bekendste werk van Thomas Hobbes. De volledige titel luidt: Leviathan, or The Matter, Forme & Power of a Common-Wealth Ecclesiasticall and Civil. Het werd in 1651 gepubliceerd en heeft een grote invloed gehad op de politieke filosofie.
Context In Hobbes' tijd was er grote politieke onrust. Het werk werd geschreven tegen de achtergrond van de Engelse Burgeroorlog. Aan de belangrijkste thema's die in Leviathan aan de orde komen had hij al aandacht besteed in De Cive, maar in het licht van de recente ontwikkelingen werd datgene wat hij in Leviathan beschreef des te prangender. In die strijd werd koning Karel I geëxecuteerd.
Algemene informatie over het werk De titel van het werk is ontleend aan het zeemonster Leviathan, dat in het Oude Testament (Psalmen 74:13,14; Job 40; Jesaja 27:1) wordt beschreven; het gaat Hobbes om een wezen dat een enorme macht voorstelt. Deze rol ziet Hobbes ook voor de staat weggelegd. Hij benoemt de staat in hoofdstuk 17 van het werk aldus: [...] The Multitude [...] united in one Person, is called a COMMON-WEALTH, in latine CIVITAS. This is the Generation of that great LEVIATHAN, or rather […] of that Mortall God, to which wee owe under the Immortall God, our peace and defence."Hobbes zegt: The Multitude so united in one Person...; het gaat om een zeer bepaalde manier waarop de staat ontstaat. Dit wordt hieronder (Deel 2) beschreven.(De menigte die verenigd is als één persoon wordt staat genoemd, in het Latijn civitas. Dit is de totstandkoming van die machtige Leviathan, of liever van die sterfelijke god, waaraan we in het aanschijn van de onsterfelijke God, onze vrede en verdediging danken.)
Het boek valt uiteen in vier delen; in het eerste deel (hoofdstukken 1 t/m 16) beschrijft hij de mens, in het tweede deel (hoofdstukken 17 t/m 31) gaat het over de staat, in het derde (hoofdstukken 32 t/m 43) over een christelijke staat in het bijzonder en het vierde deel (hoofdstukken 44 t/m 47) over het koninkrijk van duisternis.
Deel 1: Over de mens In dit deel wordt de mens beschreven. Gezien het onderwerp van het werk gaat het daarbij om de positie van de mens in politiek opzicht, maar de analyse is algemeen. In de eerste hoofdstukken besteedt Hobbes aandacht aan de menselijke vermogens, zoals de rede, en geeft hij zijn (empiristische) visie op de manier waarop men kennis verwerft. Voor zijn politieke benadering zijn hoofdstukken 13 t/m 15 het belangrijkste. Hij zet uiteen waarin de motivatie van de mens ligt; het gaat steeds om een Good to himselfe (een voordeel voor zichzelf) (hoofdstuk 14; herhaald in hoofdstuk 15). Dit zal een belangrijk aspect blijken in de totstandkoming van de staat.
Hobbes stelt een aantal natuurwetten op. Hij definieert 'natuurwet' in het algemeen als 'een regel die men door de rede gewaarwordt waardoor het de mens verboden is om iets te doen wat zijn leven schade toebrengt of ervoor zorgt dat het niet kan voortduren en daarnaast om datgene achterwege te laten waardoor zijn leven optimaal kan worden beschermd' (hoofdstuk 14). Hobbes spreekt hier over 'verboden' (forbidden), maar hij geeft de natuurwetten een andere inhoud dan degenen die deze wetten verbinden met de ethiek. Omdat 'goed' en 'kwaad' steeds relatief zijn – deze begrippen hebben slechts betrekking op individuen (hoofdstuk 6) – en er geen hoogste goed (Summum bonum) bestaat (hoofdstuk 11), gaat het er Hobbes niet om vast te stellen wat als zodanig goed zou zijn, maar veeleer wat de mens op grond van een redelijke afweging moet doen. Het moeten heeft dus geen morele gevoelswaarde maar volgt uit de wenselijkheid van de gevolgen.
De noodzaak om de natuurwetten op te stellen ligt in de aard van de mens. Mensen zijn van nature gelijk (uit gelijkheid volgt wantrouwen en uit wantrouwen oorlog)(hoofdstuk 13); zou het zo zijn dat een bepaald individu zo machtig was dat hij alle andere mensen zou kunnen overheersen, dan zou deze persoon op een natuurlijke manier de rest overheersen; dit blijkt in de praktijk niet het geval te zijn. Verder blijken mensen steeds in onenigheden te geraken doordat ze elkaar beconcurreren, onzeker zijn en uit zijn op roem. Op grond van de spanningen ontstaat in de natuurtoestand (status hominum naturalis) – wanneer er (nog) geen soeverein (heerser) is – een oorlog van allen tegen allen (bellum omnium in omnes, of een warre of every man against every man). Dat betekent niet dat men steeds daadwerkelijk strijd voert; Hobbes onderscheidt oorlog (warre) namelijk van strijd (battell): het gaat niet alleen om strijd, maar ook om de tijd waarin de wil om te strijden bekend is. In deze strijd gold wat Hobbes in zijn eerdere werk De Cive had genoemd homo homini lupus est (Latijn: 'de mens is voor andere mensen een wolf').
In deze situatie is er onzekerheid of men van datgene wat men produceert, of het nu gaat om culturele of industriële voortbrengselen, zelf de vruchten zal kunnen plukken – waaraan in deel 2 (hoofdstuk 24) de conclusie wordt verbonden dat in deze toestand zelfs geen sprake kan zijn van eigendom - waardoor men leeft in voortdurende vrees en het leven van de mens eenzaam, armzalig, ellendig, barbaars en kort is (solitary, poore, nasty, brutish, and short).
De natuurwetten zijn van belang om deze situatie op te heffen. Het gaat in totaal om 19 natuurwetten, beschreven in hoofdstukken 14 en 15 (op het einde van het boek, in A Review, and Conclusion, voegt Hobbes hier één natuurwet aan toe). De eerste en belangrijkste is dat eenieder steeds vrede nastreeft als dit verwacht kan worden, en oorlog voert als die vredesverwachting niet mogelijk is. Hieruit volgt de tweede natuurwet: men is ertoe bereid, als dat ook voor anderen geldt, om, in het belang van de vrede, al zijn rechten op te geven. Dit zal het scharnier blijken te zijn voor het tweede deel van het boek. Hobbes zegt dat men zijn rechten in dit geval opgeeft maar maakt een uitzondering voor het recht om het leven te behouden. Dat volgt uit zijn (hierboven genoemde) overweging dat men steeds op een voordeel voor zichzelf is gericht. Maar hij stelt ook (in deel 2, de hoofdstukken 21 en 27) dat geen enkele wet de mens kan verplichten om zijn verdediging op te geven.
De overige natuurwetten zijn gedetailleerde uitwerkingen bij deze twee eerste natuurwetten. Zo geeft de derde natuurwet aan dat men zijn afspraken moet nakomen, de zevende natuurwet dat men bij de overweging of men omwille van iets wraak moet nemen, zich niet laat leiden door het verleden maar door de gevolgen, en de twaalfde natuurwet dat men zaken die niet kunnen worden verdeeld (zoals in de huidige situatie zuurstof) gemeenschappelijk gebruikt.
Deel 2: Over de staat In dit deel gaat het om de fundering en organisatie van de staat. Hobbes knoopt aan bij zijn beschouwingen over het eigenbelang in deel 1 en geeft aan dat individuen zijn gericht op het bevorderen van het eigen bestaan en een tevreden leven, waarbij ze de natuurtoestand willen verlaten. Daarbij is een instantie nodig die er voor kan zorgen dat men zich aan de natuurwetten houdt. Deze zijn namelijk weliswaar door de rede te ontdekken, maar de mens is ook onderworpen aan natuurlijke aandoeningen, die hiermee in strijd zijn, zoals trots. Daarbij zijn de aandoeningen over het algemeen sterker dan de rede (hoofdstuk 19).
Deze instantie moet over werkelijke macht beschikken, want afspraken zonder macht om deze af te dwingen zijn slechts woorden en kunnen iemand in het geheel niet beschermen: Covenants without the Sword, are but Words, and of no strength to secure a man at all (hoofdstuk 17) Zoals uit de tweede natuurwet blijkt, geeft men zijn rechten op; dat houdt in dat er geen vrijheid overblijft, behalve die welke door de soeverein wordt toegestaan: the Liberty of a Subject, lyeth [...] only in those things, which in regulating their actions, the Soveraign hath prætermitted (hoofdstuk 21) Er is dan ook geen vrijheid van meningsuiting (hoofdstuk 18).
Staat eenieder zijn recht om zichzelf besturen af, dan komt de staat tot stand. Dit recht wordt afgestaan aan een persoon of een vereniging van personen; op dat moment ontstaat de relatie soeverein - onderdanen. Daarbij gaat het niet om de situatie dat de onderdanen in spe met de soeverein in spe een afspraak maken, zoals in de latere theorie van John Locke wel het geval is. Dat blijkt uit de manier waarop Hobbes de totstandkoming van een staat op grond van instelling beschrijft: een menigte spreekt af dat men aan een persoon of vereniging van personen het recht geeft om ze te vertegenwoordigen (hoofdstuk 18).
Er zijn drie mogelijkheden om een staat te organiseren: het kan gaan om een monarchie, een democratie of een aristocratie. Hobbes ziet deze als alternatieven, maar geeft de voorkeur aan een monarchie, omdat het persoonlijke en publieke belang daarin samenvallen en er geen onenigheid kan ontstaan, zoals wel kan gebeuren bij een vereniging van bestuurders (hoofdstuk 19).
Bij een staat door verwerving gaat het om het door middel van kracht verwerven van de macht (hoofdstuk 20). Dit kan gebeuren op grond van het ouderlijk gezag of op grond van verovering. Het gaat bij deze vormen van ontstaan van de staat om dezelfde rechten en gevolgen als bij de staat door instelling.
In de staat worden wetten opgesteld; Hobbes noemt deze civil laws (oorspronkelijke spelling: civill lawes). Het gaat dan niet alleen om burgerlijk recht, zoals de titel kan suggereren, maar om de wetten die door de staat worden opgesteld. Dat zegt Hobbes (hoofdstuk 26), maar het volgt ook uit de naam als men bedenkt (Hobbes merkt dit overigens ook zelf op) dat het gaat om wetgeving vanuit de civitas, het Latijnse woord voor commonwealth of staat (zie onder 'Algemene informatie over het werk'). Men is gebonden deze wetten te volgen op grond van het feit dat deze worden uitgevaardigd door een staat.
Alleen de soeverein is wetgever. Zelf is hij niet gebonden door de wetten van de staat, omdat het niet mogelijk is dat hij zich aan zichzelf zou binden. Het bestaan van gewoonterecht wordt door Hobbes niet verklaard uit het feit dat het al lange tijd bestaat, maar uit het feit dat de soeverein er kennelijk niets tegenin heeft gebracht (for Silence is sometimes an argument of Consent); ongeschreven gewoonten (Unwritten Customes) die niet in tegenspraak zijn met het natuurrecht zijn dan ook wetten. Van belang is verder dat natuurwetten (zie onder Deel 1) en civil laws dezelfde inhoud hebben: The Law of Nature, and the Civill Law, contain each other, and are of equall extent. (hoofdstuk 26) Hobbes spreekt hier over 'the' law of nature, maar omdat het ook om 'the' civil law (enkelvoud) gaat, is hier geen sprake van een bepaalde natuurwet, maar van de natuurwetten, of van het natuurrecht; de Engelse term law kan verscheidene betekenissen hebben.
Hobbes maakt een onderscheid tussen natuurlijke (Naturall) en positieve (Positive) wetten. Hij noemt de natuurlijke wetten ook morele (morall) wetten, maar verwijst daarbij naar het feit dat het gaat om het bewerkstelligen van vrede, zodat dit niet in de gebruikelijke morele zin moet worden begrepen (zie ook Deel 1). Omdat hij hierbij naar de beschouwingen in hoofdstukken 14 en 15 verwijst, kunnen de natuurlijke wetten met de natuurwetten vereenzelvigd worden, met dien verstande dat het bij de natuurlijke wetten expliciet gaat om de positieve gevolgen (vrede en eendracht), terwijl deze weliswaar uit de natuurwetten voortvloeien, maar hiermee niet intrinsiek verbonden zijn: het gaat het individu, als het de rede gebruikt, immers niet om deze gevolgen, maar slechts om zijn eigenbelang.
De positieve wetten zijn de wetten die door de soeverein tot stand zijn gebracht. Daarbij gaat het overigens niet alleen om de menselijke soeverein. Positieve wetten kunnen menselijk of goddelijk zijn. De goddelijke positieve wetten zijn door God aan een bepaald volk of aan bepaalde personen geopenbaard.