thumb|Hospitium van het voormalig klooster van Aduard. Het gebied van de huidige provincie Groningen, ofwel het toenmalige "Friesland ten oosten van de Lauwers", kende tot de reformatie 34 kloosters.
Kaart thumb|left|500px|Schematische weergave van de spreiding van kloosters in de Middeleeuwen in de provincie Groningen Deze kloosterkaart van Groningen geeft op schematische wijze de spreiding van de belangrijkste kloosters en hun voorwerken in de periode 1200-1600. Er zijn in die periode meer kloosters geweest, maar dit overzicht is beperkt tot de kloosters die een grote activiteit aan de dag hebben gelegd bij het in cultuur brengen van de grond in dit deel van Nederland. Met name de orde van de Cisterciënzers en de orde van de Norbertijnen waren in die periode actief. Ze bezaten meer grond dan welk ander klooster en waren bovendien betrokken bij allerlei inspanningen op het gebied van de waterbeheersing. De abten van de kloosters van Aduard en Wittewierum waren eerstverantwoordelijk voor respectievelijk het Aduarderzijlvest en het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen.
De gegevens voor deze kaart zijn voornamelijk ontleend aan het werk van Schoengen (1941-42), terwijl gegevens over het grondbezit ontleend zijn aan Feith (1902). Deze gegevens zijn verder aangevuld met data uit de Nieuwe Groninger Encyclopedie (1999). Het meest complete overzicht van het kloosterbezit is gepubliceerd door Siemens (1962). Vergelijking met de Atlassen van Stadslanden en Provincielanden uit de 18e eeuw laten echter zien dat Siemens niet altijd zorgvuldig te werk ging en dat diens gegevens soms niet volledig zijn. Het overzicht van Bruins (2006) moet met voorzichtigheid gehanteerd worden.
Benedictijnen Feldwerd Dit dubbelklooster (ook wel Oldeklooster bij Den Dam genoemd) werd vermoedelijk rond 1183 gesticht vanuit Utrecht door de heilige Hatebrand van Feldwerd (ov. 1198). Het klooster was gewijd aan Maria, Petrus en Paulus. De kloostergebouwen lagen op de wierde van Feldwerd (Oldenklooster), ten noordwesten van Holwierde. De uithoven van het convent bevonden zich te Garsthuizen (Garsthuizervoorwerk), Groot Lasquert (bij het Schildmeer), Oosternieland (Hornerij, nu boerderij Den Hoorn), Kolhol bij Zijldijk, Hoogwatum, Godlinze (boerderij Lippenhuizen in het zuidoosten van het dorp) en Siddeburen. Ook was er een voorwerk vlak bij het klooster. Het totale bezit aan cultuurgrond bedroeg ongeveer 1260 ha. Als patroonheiligen dienden de Heilige Maagd en Petrus en Paulus.
Bij het klooster bevond zich in 1598 onder andere een korenmolen, wellicht te Katmis, waar in 1473 een molen wordt vermeld. Verder een grote Friese schuur van elf vakken lang, een koestal van 48 vakken (goed voor bijna tweehonderd stuks vee), een molenhuis, een dobbe met een gemetseld waterreservoir en een brouwhuis met stallen voor mestvee en varkens.
Het klooster had - volgens parochielijsten van omstreeks 1475 en 1559 - de status van een zelfstandige parochie, wellicht samenhangend met het naburige dorp Katmis. In 1334 was sprake van vier priesters, die kennelijk nabijgelegen kerken en kapellen bedienden. Het klooster bezat de Nicolaaskapel te Watum en kort voor 1505 verkreeg het de parochiekerk van Bierum. Vermoedelijk had het klooster tevens collatierechten te 't Zandt en Holwierde, waar in de zestiende eeuw (oud-)kloosterlingen als pastoor fungeerden. De abt van het klooster speelde een belangrijke rol bij de waterstaat in het gebied ten noorden van het Damsterdiep; de dijkrechters vergaderden jaarlijks in het klooster.
Het klooster had een refugium aan de Carolieweg te Groningen, genoemd in 1476. Daarnaast bezat het klooster een tweede refugium op de hoek van de Jacobijnerstraat en de Walburgstraat, dat in 1609 werd verkocht. De kloostergebouwen werden tussen 1588 en 1594 tijdelijk verlaten en werden daarna weer in gebruik genomen. Gereformeerde predikanten uit Holwierde, later Bierum verzorgden de kerkdiensten. De kloostergemeenschap werd pas omstreeks 1617 ontbonden.
Ten Boer Het nonnenklooster van Ten Boer wordt voor het eerst genoemd in 1301; vermoedelijk hebben de kloosterlingen een oudere parochiekerk in gebruik mogen nemen. Wegens armoede werd het klooster tussen 1465 en 1485 geïncorporeerd bij Thesinge. Tussen deze twee kloosters bestond ook al lang daarvoor een speciale band; al in 1399 en 1408 waren beide geünieerd, maar kort daarna was Ten Boer weer zelfstandig. De kloosterkerk bleef als parochiekerk fungeren; de overige gebouwen werden afgebroken. De abt was overste schepper van het Scharmer Zijlvest en gaf samen met zijn collega van Wittewierum tevens leiding aan de organisatie van de Acht Zijlvesten.
Thesinge Het dubbelklooster Germania, gewijd aan de Zeven Broeders, lag op de plek van het huidige dorp Thesinge en is vermoedelijk omstreeks 1185 gesticht. De naam zou een verbastering zijn van Germerawald (Garmerwolde), de naam van een klooster dat is gesticht door de heilige Hatebrand van Feldwerd (ov. 1198). De oudste vermelding van Thiasingacloster in 1283 komt uit de Kroniek van Bloemhof. Het klooster bezat ongeveer 1400 ha cultuurgrond met het Roggenvoorwerk te Garmerwolde en mogelijk ook voorwerken te Den Haver bij Onderdendam en Barghuis (Borchues) te KantensAldus Damen en Roelfsema. De provincieadministratie rekende Barghuis bij het klooster Rottum.; verder veenderijen in de omgeving van Kolham. In 1284 droegen de inwoners van Bedum de parochierechten aan het klooster over. Het collatierecht van Bedum was in de 16e eeuw omstreden. De Hoofdmannenkamer besliste in 1568 dat het klooster hierop geen aanspraak kon maken. Wel werd de parochiekerk van Ten Boer tussen 1465 en 1485 geïncorporeerd, samen met de rest van het benedictinessenklooster aldaar. Thesinge komt omstreeks 1475 niet voor op een lijst van parochiekerken, zodat we mogen aannemen dat de omwonenden ter kerke gingen in Steerwolde. Deze kerk raakte echter in verval, zodat de abt in 1470 toestemming gaf aan het Olde Convent om op de uithof van het convent in Stuurwolde een nieuwe kapel te bouwen, een begraafplaats aan te leggen en de sacramenten te bedienen. Het klooster nam zelf vermoedelijk de zielzorg voor de overige inwoners van Thesinger Buyre op zich.O.D.J. Roemeling, 'De 'Wolde' parochies tussen Ten Boer en Bedum’, in: Driemaandelijkse Bladen 30 (1978), pp. 55-74, hier p. 62Roemeling, Heiligen en heren, p. 134, stelt daarentegen dat het om de kloosterkerk van Thesinge ging. Dit zou betekenen dat het klooster eerder geen eigen kerk heeft gehad, wat uitermate onwaarschijnlijk is. Het klooster had een refugium in de Herestraat, dat in 1600 werd verkocht. De kloostergebouwen werden tussen 1584 en 1594 tijdelijk verlaten, maar daarna weer in gebruik genomen. De laatste nonnetjes stierven kort na 1627. Gereformeerde predikanten verzorgden de kerkdiensten, maar in het geheim werd ook de mis opgediend.
Rottum Het klooster Juliana (gewijd aan Juliana van Nicomedië) was een monnikenklooster, dat voor het eerst wordt genoemd in 1226. Het klooster Rottum bezat ongeveer 1180 hectare aan cultuurgrond en daarnaast twee derde van het eiland Rottumeroog (het derde deel was in handen van het Oldeklooster bij Kloosterburen). De veenderijen van het klooster lagen in Scharmer, Kolham en Kropswolde. Het klooster had voorwerken te Uithuizen (Papekop), Rottum (Bethlehem), Doodstil (Langenhuis), en mogelijk ook Helwerd (NienhuisHet voorwerk Nienhuis bij Usquert moet niet verward worden met Nijenhuis bij Oterdum, dat een voorwerk was van Oosterwierum. Volgens Tromp was Nienhuis een voorwerk van Kloosterwijtwerd, volgens Siemens van Rottum.) en Berg- of Barghuis (Borchues) te KantensDe provincieadministratie rekende Barghuis bij het klooster Rottum, volgens Damen en Roefsema viel het onder Thesinge.. Het voormalige voorwerk Bethlehem herbergde in de vijftiende en zestiende eeuw een begijnenconvent. Het klooster bezat het collatierecht van de parochie Eelswerd, waarvan de kerk op het kloosterterrein stond. De parochiekerk werd geïncorporeerd bij het klooster en kreeg vervolgens in 1568 de status van een kapel. Het stenen doopvont verhuisde naar de kloosterkerk. Parochierechten te Kropswolde gingen verloren, nadat ze in 1338 - volgens het klooster onrechtmatig - waren overgedragen aan de persona van Groningen. In 1458 (feitelijk 1474) verkreeg het klooster de proosdij Usquert met de boerderij Kruisstee. De abt trad verder op als scheidsrechter bij rechtszaken in het Hunsingoer Oosterambt. De kloostergebouwen werden na een brand in 1586 en plundering in het jaar daarop verlaten. De monniken namen hun intrek in het refugium aan de Oude Ebbingestraat in Groningen, dat in 1607 werd verkocht.
Selwerd De benedictijnerabdij Siloe was een dubbelklooster, gewijd aan Catharina van Alexandrië, en het lag iets ten noorden van de stad Groningen op de wierde Selwerd. Het klooster is vermoedelijk tussen 1207 en 1217 gesticht op een uithof met een kapel van het Mariaklooster te Ruinen. De eerste vermelding dateert van 1254. In 1469 trad het toe tot de Congregatie van Bursfeld. Het klooster bezat ongeveer 1500 ha aan cultuurgrond plus delen van het Zuidlaarderveen, waar een voorwerk werd gesticht. Als voorwerk diende verder het bisschoppelijke hof te Rasquert bij Baflo, dat het klooster in 1458 in leen kreeg. Ook was er een voorwerk Nienhuis in de Koningslaagte bij Zuidwolde. Daarnaast verkreeg het klooster omstreeks 1215 de parochierechten te Dorkwerd. Selwerd had ook een rol in de waterstaatsorganisatie in het gebied rondom het Reitdiep. Het maakte deel uit van het Aduarder Zijlvest en stelde in 1464 met de kloosters van Rottum en Thesinge de zijlbrier van het Winsumer- en Schaphalsterzijlvest vast. Het bezat vermoedelijk een korenmolen te Ranum. Het klooster bezat sinds het midden van de 15e eeuw een stadswoning in de Oude Ebbingestraat. In 1582 werden de kloostergebouwen verlaten, de nonnen vonden in 1585 onderdak in het Vrouw Sijwenconvent, de abt ging in de Sint Jansstraat wonen. Daarnaast werd een huis in de Boteringestraat aangekocht.
Cisterciënzers of bernardijnen Ook Grijze monniken of Schieremonniken genoemd. In tegenstelling tot de andere kloosterorden hielden de cisterciënzers zich niet bezig met de zielzorg. In de parochies waar zij het collatierecht hadden, werden seculiere priesters benoemd.
Aduard Het monnikenklooster van Aduard werd volgens de overlevering gesticht in 1192. De cisterciënzers waren wars van weelde en legden de nadruk op soberheid en handenarbeid. De monniken moesten zelf aan de slag op het land en men zocht daarom als vestigingsplaats voor een klooster nog niet ontgonnen gebieden. Vanuit het klooster Klaarkamp bij Rinsumageest werd de wierde van Aduard uitgekozen als vestigingsplaats voor een dochterklooster dat in de loop van de tijd zou uitgroeien tot het rijkste in de Nederlanden. Het bezit werd onder andere verkregen door schenkingen. Wanneer men intrad moest men goederen of geld inbrengen en zeker in de beginjaren van het klooster werd zodoende land ingebracht.
Het klooster bezat aan het einde van de zestiende eeuw ongeveer 5500 hectare aan grond in de provincie Groningen. Feith, 1902, 5. Op een enkele uitzondering na bestond het bezit uit productieve in cultuur gebrachte landerijen. Bij dit bezit moeten nog de uitgestrekte venen en bossen in het noorden van de provincie Drenthe worden gerekend. Na 1570 moet hierbij nog het grondbezit van Termunten en dat van Trimunt worden geteld. Het klooster bezat ook geruime tijd de nu verdwenen eilanden Corresant, Heffesant en Bosch die in de buurt van Rottum waren gelegen. Deze waren van belang voor de opbrengst van de strandvonderij en voor de visserij.