thumb|Wapen heren van Amstel
De heren van Amstel (ook geschreven als Heeren van Aemstel) waren een middeleeuws ministeriaal en later adellijk geslacht dat het Amstelland ontgon en het rentmeesterschap voerde over leengoederen in de kerkelijke rechtsdistricten in het noorden en westen van het Nedersticht van Utrecht, eerst in naam van de bisschop van Utrecht en later de graaf van Holland.
Geschiedenis
Oorsprong De vroegste geschiedenis van het geslacht van Amstel, in de Utrechtse Vechtstreek, is voor een groot deel nog in de nevelen van de oudheid gehuld. De Vechtstreek werd in de middeleeuwen Niftarlake genoemd. De gouw Niftarlake strekte zich uit van Utrecht tot aan de kust van de Zuiderzee. De Vecht vormde daarin een belangrijke handelsroute, zowel naar het noorden, gebruikt door bijvoorbeeld de Noormannen, als naar het zuiden, de latere ‘Keulse Vaart’. De beheersing van de mondingen van de handelsvaarwegen Amstel en Vecht en de toegang tot het open IJ waren van groot strategisch belang voor dit gebied. Op verschillende plaatsen werd tol geïnd, in die tijden een belangrijke inkomstenbron. Het is dan ook niet te verwonderen, dat om het bezit van deze regio veel strijd is gestreden. De familie Van Amstel heeft daarin een belangrijke rol gespeeld.
De oorsprong van het geslacht Van Amstel (in bronnen ook vermeld als Amestelle, Amestello, Aemstel, Amestel, Hamstelle) blijkt uit het goederenbezit van de abdij van Werden (Ruhrgebied, D.) op het oude land van Werinon (Nederhorst den Berg) en Dorssen (Vreeland) ten noorden van Utrecht. Werinon, het huidige Nederhorst den Berg, was van oorsprong familiebezit van Liudger, een missionaris en later rooms-katholiek bisschop uit een vooraanstaande Friese adellijke familie. Hij was een van de grondleggers van het christendom in heel Nederland. Liudger erfde van zijn grootmoeder van moeders kant, Adelburga, een grondgebied dat zich uitstrekte van Utrecht tot aan Muiden. Zijn familiegoed, waaronder Werinon, schonk Liudger aan de door hem zelf in 799 gestichte abdij van Werden, waaronder het enkele eeuwen berust heeft. Op dit familiebezit stichtte hij samen met of in opdracht van Adelburga een kerk (de latere Willibrordkerk), de oudste parochie van de noordelijke Vechtstreek.
Deze familie-eigendommen in de noordelijke Vechtstreek werden rond het jaar 1050 door de abdij van Werden overgedragen aan de kerk van Sint Martinus, de domkerk van Utrecht, en toegevoegd aan de uitgestrekte moerassen die in 953 door keizer Otto I aan de kerk van Utrecht waren geschonken. Onder het kerkelijke bisdom ontstond zo in de elfde eeuw het Sticht van Utrecht, waarvan het Nedersticht (de huidige provincie Utrecht) en het Amstelland niet alleen onder de kerkelijke, maar ook onder de wereldlijke macht van de bisschop gingen ressorteren.
De bisschop legde het beheer van Liudgers erfgoederen rond 1080 in handen van het Utrechtse kapittel van Sint-Marie. De goederen werden beschreven als: “Den Berch ter Horst mit 4,5 mergen lands geheten Santvoert, de tienden van Horstweerde, van Overmeer, van de Grote Nesse, van den Cleynen Nesse mit haren smalen tienden ende mit alle haren toebehoren, die visscherije tot Overmeer mit alle haren toebehoren alse gelegen is, ende dat dagelix gericht van Overmeer mitten berch alset gelegen is”. Het Overmeer (het latere Horstermeer) was al zeer vroeg een gewild bezit vanwege de visserij en de jacht op vogels.
Er bestond een gecompliceerde gezagssituatie in Werinon en omgeving. “De Berg van Ter Horst met 4,5 morgen land, dat de Sandvoorde heette” bleek namelijk een afzonderlijk machtsgebiedje te zijn, een zogenaamd ‘mini-gerecht’, waarover het kapittel en dus ook de bisschop niet zomaar konden beschikken. Gezag werd in die tijd ontleend aan het bezit van rechten. Het patronaatsrecht, (het recht de pastoor te benoemen) en het tiendrecht (belastingrecht) behoorden als erfgoed toe aan een familie die daar reeds actief was (in dienst van de abdij van Werden), de pre-Amstels. Deze pre-Amstels hadden waarschijnlijk een familierelatie met Liudger's grootmoeder van moeders kant, Adelburga, en zijn op deze wijze aan dit erfgoed gekomen. Toen de bisschop dan ook het beheer van het bezit afkomstig van de abdij van Werden in 1080 wilde overdragen aan het kapittel van Sint-Marie, hadden de pre-Amstels bestaande rechten in het oude gerecht Horstwaard en lag het oude Werinon al stevig in hun handen. Zij bezaten er de kerk, gingen over het kerkelijke recht en maakten bovendien de dienst uit over het Overmeer en de zo belangrijke visserij.
Met de overdracht van de gebieden in de Vechtstreek kwamen ook de pre-Amstels onder het gezag van de bisschop van Utrecht.
Dienstmannen van de bisschop Bij de instelling van het kerkelijk rechtsgebied van Amestelle (Ame = water, Stelle = verhoogde, veilige plek) omstreeks 1100 had de bisschop van Utrecht een functionaris nodig om namens hem de rechtsmacht uit te oefenen en de verplichte heffingen te innen in het nieuwe dekenaat. De kerkvorst besteedde deze taken uit aan een van zijn dienstmannen uit het oude land Werinon. De eerste bekende ambtenaar in Amestelle of Amstelland was Wolfgerus, die in 1105 optrad als 'Wolfgerus scultetus (schout) de Amestelle' (1075-1131), dienstman van Burchard, bisschop van Utrecht.
Met het toegenomen wereldlijk gezag van de bisschoppen van Utrecht in de elfde eeuw was ook het aanzien van hun onvrije dienstmannen gestegen. Velen van hen stonden daardoor in hoger aanzien dan de vrijen, de liberi homines. De 'meliores servientes episcopi' oefenden functies uit zoals ondernemers, 'locatores', in de grote ontginningscomplexen in de Vechtstreek en nieuw ontgonnen landerijen.
Erfelijk rentmeesterschap en ridderschap Door toedoen van Wolfgers opvolgers Egbert (1105-1172) en diens zoon Gijsbrecht I van Amstel (1145-tussen 1180/1200), kwam hun rentmeesterschap over de bisschoppelijke goederen erfelijk in de familie. Gijsbrecht II van Amstel (1175-1230) kwam daarboven in het bezit van leengoederen van de Benedictinessenabdij van Elten (D.) in Nardinkland (1224) terwijl hij in 1226 uitgebreide leengoederen in het noordelijk Vechtgebied van de bisschop van Utrecht in erfpacht ontving. Hij werd de vierde schout rentmeester van zijn geslacht in Amestelle. De continuïteit van zijn ambt creëerde een bijzondere verhouding tot zijn heer, de bisschop van Utrecht. Zijn functie bewoog zich juridisch tussen die van dienstman in volledige afhankelijkheid en die van leenman, welke een ruime mate van vrijheid en onafhankelijkheid van de landsheer-bisschop toestond. Hij was voortaan vrij van hele of halve horigheid. Zijn promotie valt af te leiden uit de administratie van het bisdom door de vermelding van 'dominus Giselbertus de Amestel', een titel waarmee hij sinds 1222 officieel voorkomt. De vermelding 'dominus' (heer) voor zijn doopnaam toont aan dat hij tot de ridderschap behoorde: hij was 'miles'. In 1227 wordt het familiewapen van Van Amstel waarschijnlijk voor het eerst gevoerd door Gijsbrecht II in de slag bij Ane. Het wapen wordt als volgt omschreven: gedwarsbalkt van goud en sabel, van acht stukken, waaroverheen een Andreaskruis geschakeerd van zilver en keel in twee rijen.
Militie Nadat de leden van het ministeriale geslacht van Amstel aldus tot erfelijke rentmeesters/dienstmannen van de bisschop van Utrecht waren opgeklommen, maakten zij carrière in de bisschoppelijke militie. Dit andere facet van hun dienst aan de kerkvorsten van Utrecht ontstond als gevolg van het voortdurende eigenmachtig optreden van vooral de prefeodale graven van Holland, die het gezag van de bisschoppen in het Nedersticht ondermijnden. Hierdoor waren zij genoodzaakt een militaire macht op te bouwen, waarvoor zij krijgslieden rekruteerden uit de klasse van hun onvrije dienstmannen. Zij formeerden een bereden en gewapende militie die de kern van het permanente bisschoppelijke leger werd. In deze legergroep kwamen nauwelijks prefeodale edelen meer voor. De positie van Gijsbrecht II in het leger van de bisschop blijkt uit zijn opvallende deelname aan de slag bij Coevorden in 1227, waar werd gestreden tussen de ministerieel krijgslieden van de kerkvorst van Utrecht en de opstandige Drentse bevolking.
Heren van Amstel Gijsbrecht III van Amstel (1200-1252) volgde de maatschappelijke stand van zijn vader en had zijn zetel in Utrecht in zijn 'stenen huis' (domum meam lapideam in Trajecto), waarschijnlijk een van de eerste stenen huizen in de stad aangezien het gebruik van steen in plaats van hout voor de bouw van huizen pas eind 13e eeuw op gang kwam). Hij werd bekend als 'heer van Amstel' en bezat leengoederen in de kerkelijke rechtsdistricten Amestelle, Muiden, Diemen, Weesp, Mijdrecht, Legmeer en Wilnis. Bovendien bezat hij landerijen en rechten rond het Bijlmermeer, het Naardermeer en de Ankeveense Plassen. Omstreeks 1235 was hij de machtigste ministeriaal in het noordwesten van het Nedersticht van Utrecht, en bezat zodanige zeggenschap omtrent oude rechten bij Vreeland en Kortenhoef, dat de bisschop van Utrecht niet geheel probleemloos over de tienden van deze gebieden kon beschikken. Zijn inlijving in de ridderschap en zijn huwelijk met een dochter uit het prefeodaal adellijke geslacht Van Cuijk mogen kenmerkend heten voor de toegenomen maatschappelijke status van het geslacht Van Amstel. De heren van Amstel zelf voerden na 1231 consequent de titel van 'dominus de Amestelle' - heer van Amstel. Uit het huwelijk met Van Cuijk werden twee zonen en een dochter geboren, Gijsbrecht IV, Willem en Elisabeth. Uit een tweede huwelijk met een dochter uit het geslacht Benschop werd zoon Arnoud geboren. Ook de broers en zuster van Gijsbrecht IV bekleedden belangrijke maatschappelijke posities.thumb|Zegel Gijsbrecht IV van Amstel
Modernisering waterhuishouding en aanleg Dam in Amsterdam Willem van Amstel (1235-1293) wordt in ongeveer het jaar 1264/65 vermeld als proost van het kapittel van Sint Jan en de aartsdiaken van Utrecht. Van oudsher werd de proost, meestal afkomstig uit de hoge adel, door de kapittelheren gekozen. Deze aanvaardde daarmee ook de wereldlijke positie van heer van de goederen van het kapittel en de proosdij. Vrijwel meteen na zijn benoeming tot kapittelproost, omstreeks 1264, kwam hij in samenwerking met zijn broer Gijsbrecht IV, heer van het aangrenzende Amestelle, met de Hollandse parochies Kalslagen en Nieuwveen tot een overeenkomst waarin deze tegen betaling het recht kregen de afwatering van hun landen via de Amstel te regelen.
Ook de proosdijlanden van Sint Jan en de landen van Amestelle voerden hun overtollig water via de Amstel af. In zijn poging om de aanleg van de dam in de monding van de Amstel te dateren, vermoedde Fockema Andrea, dat de genoemde Hollandse parochies voor 1264 geen afwateringskosten afdroegen omdat de Amstel toen nog een open rivier was. Tot in de late vijftiende eeuw echter werd de aangelegde Amsterdam onderhouden door de dorpen Nieuwer- en Ouder Amstel in Amstelland, de proosdij van Sint Jan en de dorpen Mijdrecht, Wilnis en Kudelstaart.
Op grond van de traditionele regelingen voor onderhoudswerken van waterstaat mag derhalve worden aangenomen dat de dam in de monding van de Amstel op initiatief van de parochies in Amestelle en de proosdij van Sint Jan werd aangelegd en bekostigd. Na de voltooiing van de Amestelleredam (Amsterdam) dienden ook de waterafvoerende dorpen Kalslagen en Nieuwerveen aan de kosten van het onderhoud van de dam bij te dragen, hetgeen in 1267 werd overeengekomen tussen de dorpen, Gijsbrecht IV en zijn broer Willem, de burggraaf van Leiden en Willem van Egmond. Helaas is deze brief in de 14e eeuw verloren gegaan (Van Mieris Charterboek III D. blz. 172).