Sappho (Attisch: Σαπφώ, Aeolisch: Ψάπφω, "Psappho", uitspraak in het Nederlands 'sap-foo') — ca. 630 – ca. 570 v.Chr. — was een lyrische dichteres uit het oude Griekenland. Anacreon noemt haar "de zoetzingende", Lucianus "de honingzoete glorie van Lesbos", en een aan Plato toegeschreven epigram (Anthologia Palatina IX 506) noemt haar de "tiende muze":</p>
Ἐννέα τὰς Μούσας, φασίν τινες· ὡς ὀλιγώρως· ἠνίδε καὶ Σαπφὼ Λεσβόθεν, ἡ δεκάτη.
Er zijn negen Muzen, zeggen sommigen — hoe kortzichtig: er is ook nog Sappho van Lesbos, de tiende.
Leven Biografie thumb|Vrouwenhoofd, vermoedelijk van een standbeeld van Sappho door Silanion (circa 340–330 v.Chr.) Volgens André Lardinois zijn er drie soorten bronnen over Sappho. Ten eerste Sappho's (bewaarde) gedichten zelf, ten tweede de testimonia, 'een verzameling verzinselen' zoals Lardinois ze noemt, van een aantal antieke auteurs en ten derde is er de 'historische context', alles wat we weten over de tijd waarin Sappho leefde, namelijk de Archaïsche periode. Het is nodig voorzichtig met deze bronnen om te gaan, aangezien het moeilijk te achterhalen is in hoeverre ze te vertrouwen zijn. Zo is het onderscheid tussen het Ik in haar gedichten en het historische Ik zeer onduidelijk te maken. Men weet met andere woorden zelfs niet of haar poëzie wel als historische bron betrouwbaar is.
Een van de bronnen die biografische gegevens vermeldt, is de tiende-eeuwse Byzantijnse encyclopedie Suda, ongeveer vijftienhonderd jaar na Sappho. De Suda meldt dat zij haar floruit (bloeitijd) bereikte in de periode van de 42e Olympiaden (612 - 609 v.C.) en dus rond 630 v.Chr. moet zijn geboren. Haar sterfdatum is onbekend (omstreeks 580, 570 v.Chr.). Ze was afkomstig uit Lesbos en haar geboortestad zou Mytilini of Eresos zijn. De Suda noemt acht mogelijke namen voor haar vader, waaronder Scamander (Σκάμανδρος), en haar moeder zou Kleïs (Κλέϊς) heten. Verder worden drie broers, Larichus (Λάριχος), Charaxus (Χάραξος) en Eurygius (Εὐρύγιος) genoemd. Al deze gegevens zijn uiteraard zeer onzeker, aangezien dit geen contemporaine bron is.
Haar familie maakte deel uit van de lokale aristocratie en was actief betrokken bij de politiek in Lesbos. Als gevolg van de staatsgreep op het eiland na de opstand door Pittacus verbleef Sappho in het buitenland (Syracuse), maar uiteindelijk keerde ze in 581 v.Chr. naar Lesbos terug.
Seksualiteit Het beeld van Sappho als lesbische dichteres dat zeker tot de 19e eeuw gangbaar was bij het brede publiek, vindt zijn wortels waarschijnlijk bij een gedicht van Ovidius, waarin Sappho een brief schrijft naar Phaon en impliciet haar liefde voor de meisjes uit haar kring vermeldt. Tot de 19e eeuw dacht men dat deze brief oorspronkelijk van Sappho zelf was en dat Ovidius hem vertaald heeft. Dat Sappho lesbisch was, werd dus al eeuwen aangenomen op basis van een fictieve brief.
Sappho's poëzie is ambigu wat betreft haar seksuele geaardheid, aangezien ze zowel over heteroseksuele als homoseksuele verhoudingen schreef.
Dat er in haar poëzie geen expliciet fysieke uitingen van homo-erotische gevoelens bestaan, is niet bevredigend als argument dat ze niet homoseksueel zou zijn, aangezien de mannelijke dichters uit dezelfde periode niet in twijfel getrokken worden wanneer zij over hun pederastische relaties schrijven.
Ook haar gevoelens kunnen geen uitsluitsel geven over haar geaardheid, omdat het in de oudheid niet de gewoonte was uiterst persoonlijke gevoelens te beschrijven. Als dit toch werd gedaan, dan werden ze altijd aan een god toegeschreven.
Er valt verder nog een kleine kanttekening te maken. In de tijd waarin Sappho leefde, de Archaïsche periode, werd geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen homo- en heteroseksualiteit. Sappho 'lesbisch' noemen, is dus een anachronisme. Pas na de Klassieke periode begon men dit onderscheid wel te maken en werden pederastische gevoelens steeds minder aanvaard. Lardinois concludeert hieruit dat “zolang dit onderscheid niet absoluut is, kan men in Sappho een algemeen erotische vrouw zien”. Page Dubois beweert zelfs dat men zo weinig weet over de omstandigheden waarin Sappho's gedichten werden opgevoerd of over haar leven, dat er eigenlijk niets kan afgeleid worden uit haar poëzie en dat zelfs de naam Sappho als persoon of personage onzeker is.
In de negentiende eeuw kwam volgens DuBois de mythe in de mode dat zij bij haar terugkeer een kostschool voor aristocratische meisjes stichtte. Sappho zou de meisjes in haar kring voorbereiden op het huwelijk door hen een opleiding te geven in poëzie, muziek en dans. Volgens Claude Calame kan Sappho's homo-erotische poëzie vanuit deze context verklaard worden: Sappho bereidde hen ook seksueel voor op het huwelijksleven. Sappho's homoseksualiteit zou dan ingebed zijn in een sociale en educatieve context.
De sfeer van intimiteit tussen Sappho en meisjes in haar gedichten bezorgde haar de reputatie de vrouwenliefde aan te hangen, vandaar het woord "lesbisch" letterlijk "afkomstig van het eiland Lesbos". Als zodanig werd ze ook in menige Atheense komedie opgevoerd. Uit Sappho's gedichten spreekt eerder een biseksualiteit, van romantische bindingen binnen een groep als in de poëzie van Alcaeus en later Pindarus. Het is niet duidelijk of haar gedichten autobiografisch bedoeld zijn.
Vermeende zelfmoord In de komedie Leukadia (Het meisje van Leukas) van Menander wordt beweerd dat Sappho zelfmoord zou hebben gepleegd door van de Leukadische kliffen te springen na een onmogelijke liefde voor de jonge veerman Phaon, maar dit lijkt een verzinsel.
Mogelijke dochter thumb|Portret van Sappho uit Hellenistische periode Volgens de Suda was ze getrouwd met de rijke koopman Kerkylas van het eiland Andros; dit kan echter een grap zijn, want "Kerkylas van Andros" betekent "Stijve van man". Mogelijk had ze een dochter, Kleïs, naar Sappho's moeder genoemd zoals toen gebruikelijk. Maar in haar geschriften spreekt ze ook over ene "Kleïs" als haar "'pais", het Aeolische woord dat vaker gebruikt werd om een slaaf of een (dienst)meisje aan te duiden dan een dochter. Daarom gebruiken vertalers als Diane Rayor en David Campbell het neutrale woord "child" ("kind").
Plaatsgenoten Sappho was een tijd- en plaatsgenoot van collega-dichter Alcaeus (Ἀλκαῖος) en politicus/filosoof Pittacus (Πιττακός, een van de Zeven Wijzen). Zij oefende haar beroep uit tot haar dood — nog op haar sterfbed schreef zij een gedicht waarin ze haar leerlingen - als ze die had - berispte:
Want het is niet gepast dat er in een Muzen-erend huis Geweeklaag is: dat zou niet juist voor ons zijn (Fragment 150 (Lobel-Page 150) vert. A. de Weerd)
Werk Aard en omvang thumb|Zogenaamde Sappho, jonge vrouw met schrijfstift en wastafel. Romeins fresco in de vierde stijl, 45-100 n.Chr., Pompeï, Regio VI, Insula occidentalis thumb|Sappho van Enrique Simonet Sappho schreef in het Aeolische dialect van het Grieks, voornamelijk lyrische poëzie, liederen om gezongen te worden onder begeleiding van de lier. Haar werk kenmerkt zich door de verfijning van warme gevoelens. In een heel eigen stijl, getuigend van grote originaliteit, bezong zij haar eigen vrouwelijke wereld: de vertrouwelijke omgang met meisjes, muziek, feest, liefde, de natuurbeleving. De "diepste roerselen van haar ziel" wist zij zeer direct te verwoorden.
Naast deze persoonlijke gedichten schreef zij ook epische poëzie, epigrammen en bruiloftsgedichten.
Sappho's lyrische gedichten bevatten de oudste bewaard gebleven persoonlijke expressie in de literatuur: eerdere poëzie, zoals die van Hesiodus en Homerus, handelde over de werken van goden en helden, of waren lofzangen voor de eredienst. Ook als musicus schijnt Sappho belangrijke innovaties te hebben gedaan: aan haar wordt de uitvinding van het plectrum toegeschreven en ze zou een aantal muzikale modi hebben bedacht.
Tekstoverdracht door de eeuwen thumb|Romantische verbeelding van Sappho, 1883 In de Hellenistische tijd, ruim vijfhonderd jaar na haar dood, werden haar gedichten door de Alexandrijnse bibliothecarissen geklasseerd naar metrum (versmaat) en onderwerp. Dit resulteerde in een verzameld werk van tien boeken (negen naar metrum en één boek bruiloftsgedichten). Van dit omvangrijke werk zijn slechts enkele fragmenten bewaard gebleven, tot voor kort merendeels in citaten van andere schrijvers. De laatste overblijfselen, die waarschijnlijk zelf ook kopieën waren van verloren papyri, dateren van de zesde en zevende eeuw n.C.
Sappho's poëzie is uiteindelijk volledig verloren gegaan rond het begin van de Middeleeuwen. Vanaf dat moment begon de legende te circuleren dat de eerste christenen daarvoor gezorgd hebben. Dit wordt onder andere verklaard doordat de Kerk, in de Middeleeuwen de belangrijkste bron van wetenschappelijke en culturele continuïteit, niet veel ophad met de lesbische reputatie van Sappho, en dat haar werk daarom niet meer werd overgeschreven.
Vooral in de renaissance werd deze legende op de spits gedreven door verschillende humanisten zoals Joseph Scaliger (16e eeuw). Hij beweerde dat alle lyrische poëzie uit de oudheid in 1073 verbrand werd door Paus Gregorius VII.
Dat de Kerk als grote schuldige kan aangeduid worden is niet correct, maar helemaal onjuist is het ook niet. In de middeleeuwen was er namelijk weinig interesse om Griekse teksten, inclusief Sappho, te kopiëren. De kloosters hadden toen het monopolie op tekstoverlevering en schreven voornamelijk Latijnse teksten over, waardoor Grieks werk dus niet of onvoldoende overgeleverd werd. Daarnaast werden heidense auteurs veel minder gelezen dan christelijke.
Classica Margaret Williamson noemt nog twee andere oorzaken die de overlevering van Sappho's werk mee de das om hebben gedaan. Enerzijds was het in de Byzantijnse periode de mode enkel in het Attisch te schrijven en alle andere Griekse dialecten, waaronder ook het Aeolisch van Sappho, werden verbannen uit de schrijfcultuur. Het Aeolisch werd bovendien als zeer moeilijk ervaren, waardoor het nog minder aantrekkelijk werd om Sappho te lezen en te kopiëren. Sappho werd soms wel in bepaalde werken opgenomen om bepaalde uitzonderlijke grammaticale constructies of woorden uit te leggen. Dankzij die auteurs is Sappho op indirecte wijze toch deels overgeleverd.
Anderzijds was de retoriek in dezelfde periode aan een opmars bezig, waardoor poëzie steeds meer naar de achtergrond werd verdrongen. Poëzie werd enkel nog gereciteerd als retorische oefening.
De twintigste eeuw heeft echter een belangrijke uitbreiding van haar werk opgeleverd in de vorm van papyrusvondsten in Egypte. Zo is fragment 2 uitgebreid van twee door Hermogenes geciteerde losse regels naar drie complete coupletten (en naar het zich laat aanzien nu op een paar woorden na volledig).
Momenteel is er slechts één compleet gedicht, dat het openingsgedicht van haar verzamelde werken was en als zodanig in zijn geheel door een Hellenistische literatuurwetenschapper werd aangehaald, en zijn er een stuk of tien nagenoeg complete gedichten. De rest van de fragmenten, 200 in getal, wordt gevormd door papyrusfragmenten of citaten door andere auteurs (variërend van een regel of drie tot soms niet meer dan een los woord). In totaal zijn er niet meer dan circa zestig fragmenten van twee of meer regels bewaard gebleven.
In de 18e eeuw bedoelde men met een "sappho", een vrouw die orale seks (met een man) bedreef. Zo vinden we uitdrukking "Une vraie Sappho" ("een echte Sappho") in de memoires van Casanova.Giacomo Casanova: Een voyeurscene in Ancona
Moderne uitgaven thumb|Gedicht van Sappho, geschilderd op een muur van een gebouw op de hoek tussen de Oude Singel en de Volmolengracht in Leiden. Vertaalpoging:Maar je zult altijd dood liggen, en er zal geen herinnering aan jou / Zijn dan en later. Want je hebt geen deel aan de / Rozen van Pieria. Maar als onbekende zelfs in het huis van Hades / Zul je zwerven fladderend tussen de schimmige doden.