thumb|right|200px|Voor- en keerzijde van het kleine kruis thumb|right|200px|Maria Theresia als Grootmeesteres De Orde van de Heilige Stefanus (Duits: Königlich Ungarischer Orden des Heiligen Stephan, Hongaars: Magyar királyi Szent István lovagrend) was van 1764 tot 1918 de nationale orde van het koninkrijk Hongarije. De orde werd in 1764 gesticht door koningin Maria Theresia. Het koninkrijk Hongarije was voor Maria Theresia erg belangrijk. Toen zij in 1740 na de dood van haar vader in politieke problemen kwam omdat veel Europese landen niet bereid waren om zich aan de eerder met haar vader gesloten Pragmatieke Sanctie (1713) te houden zocht Maria Theresia steun in Hongarije. De Habsburgers waren daar impopulair maar de Magyaren waren zo onder de indruk van de charmante en wilskrachtige erfgename van hun troon dat zij haar tot koningin uitriepen en haar zaak steunden. De Hongaarse steun betekende dat Maria Theresia haar erflanden, op Silezië na, kon verdedigen en behouden.
Als motto koos de koningin "Stringit amore". Het kan met "verbonden door de liefde" worden vertaald.Lexique Pallas.
Er waren: 20 grootkruisen (Duits: "Großkreuze) 30 commandeurs (Duits: "Kommandeure") 50 kleine kruisen (Duits: "Kleinkreuze) Daarbij werden geestelijken niet meegerekend. De Kleinkreuze worden ook wel ridder genoemd.
De Orde van de Heilige Stefanus was een van de meest vooraanstaande en prestigieuze van de grote Europese ridderorden. De meeste leden ontvingen het kruis niet vanwege verdienste, dat telde in de 18e eeuw nog weinig bij het toekenen van ridderorden. De orde was een verbond tussen de Hongaarse koning en zijn edellieden. In de statuten wordt gesteld dat ".. diegenen die door de roem van een oud geslacht of de waarde van voortreffelijke diensten de majesteit en het aanzien van het Habsburgse Huis hebben gediend voor het grootkruis en het commandeurskruis in aanmerking komen. Het grootkruis en het commandeurskruis zijn voornamelijk aan deze personen te verlenen".
Over het commandeurskruis wordt in de statuten opgemerkt dat de dit kruis ook "aan anderen die de hoogste ambten aan het hof, in de koninkrijken en provincies niet bekleden afhankelijk van de mate van hun verdienste kan worden verleend".
Over het kleine kruis merken de statuten op dat dit kruis voor "de overige zeer verdienstelijke edellieden de beloning zal vormen en dat het bezit van een van de lagere graden in de orde van de Heilige Stefanus het bereiken van een hogere graad voor diegenen die dat verlangen gemakkelijker maakt".Artikel 6 van de statuten.
De geschiedenis van de orde In 1741 was voor het eerst sprake van een Orde van Sint Stefanus. De abt van Dömölk stelde tijdens de Hongaarse Landdag voor om een Hongaarse orde in te stellen en daarmee Sint-Stefanus te eren.Mihály Hórvath, Magyarhorszag történelme 1873 I, p. 348. Hongarije bezat sinds de ondergang van het Huis Anjou en de verovering van het grootste deel van het land door de Turken geen nationale ridderorde meer. De ooit zo vermaarde Hongaarse Orde van de Draak was al eeuwen in vergetelheid geraakt.
In 1760 liet Maria Theresia op advies van graaf Ferenc Estherházy de Gálantha een ambtelijke studie verrichten naar het instellen van een burgerlijke orde van verdienste die naast de in 1757 ingestelde Militaire Orde van Maria Theresia zou staan. De in het Frans opgestelde plannen voor een met Stefan van Hongarije verbonden orde bevatten 25 concept-artikelen voor een ordestatuut maar ze werden nadat ze door graaf Rudolf Chotek waren beoordeeld zonder dat het tot het instellen van een orde kwam weer ad acta gelegd. Van een dergelijke orde kwam het pas toen de regering in Wenen in 1760 de steun van de Hongaarse magnaten moest verwerven voor een nieuwe verdeling van de staatsschuld.
De hoge kosten van de Zevenjarige Oorlog maakten de Habsburgse heerseres afhankelijk van de goede wil van de machtige Hongaarse grootgrondbezitters. Om deze magnaten gunstig te stemmen zou volgens het advies van Graaf Chotek, die in 1762 Kanselier van Hongarije was geworden, het beproefde middel van een aanzienlijke ridderorde kunnen worden gebruikt. Koningen in heel Europa hadden met dergelijke orden hun edelen aan zich weten te verplichten.
De Hongaarse Landdag was op de 17 juli 1764 bijeengeroepen. Met behulp van de in de archieven teruggevonden voorstellen waren de statuten van een Orde van Sint Stefanus al op 30 januari 1764 in het Duits en het Latijn, de officiële bestuurstaal van de Hongaren, gereed. De koningin heeft in de marge van het voorstel een paar aantekeningen geschreven en de verder onveranderde statuten vervolgens met haar handgeschreven "placet" tot wet gemaakt. De verdere uitwerking van de regelingen zou, met inachtneming van de wensen van de vorstin, door haar vertrouweling Kanselier Kaunitz worden uitgevoerd. In de statuten werd nadrukkelijk vastgelegd dat het grootmeesterschap met de Hongaarse kroon verbonden was.Artikel II van de Statuten van 1764.
Graaf Esterházy werd op 20 februari tot eerste kanselier van de Koninklijk Hongaarse Orde van de Heilige Stefanus benoemd.
Op 26 maart noemde kanselier Esterházy de namen van een aantal Hongaarse kandidaten die voor benoeming in aanmerking kwamen. De Hongaar achtte zich niet bevoegd om de verdiensten van niet Hongaarse edelen te beoordelen. In Wenen hadden graaf Friedrich v. Hatzfeld en graaf Johann Wendelin v. Paar al om opname als ridder-grootkruis in de nieuwe orde verzocht. Een dergelijke reclame was in die tijd niet ongebruikelijk.
De Weense Munt liet met spoed gouden versierselen smeden. Er waren ordeketenen, geborduurde en zilveren sterren en geëmailleerde gouden kleinoden nodig. Er werden ook met spoed vijftien mantels, hoeden en andere onderdelen van de ordekleding vervaardigd. Het benodigde geld, men begrote 63 309 gulden en 29 kreutzer kwam ten koste van de persoonlijke kas (de "Privatschatulle") van de koningin. De orde zelf beschikte nog niet over fondsen. Het getal van vijftien mantels kwam niet overeen met het aantal ridders bij de stichting, mogelijk is dat aantal op het laatste moment verhoogd.Attila Pandula. thumb|left|330px|De eerste verleningen van de orde op 6 mei 1746 Aan het Weense hof werd over het nut van het instellen van een Magyaarse ridderorde sterk getwijfeld. Met name keizer Frans I Stefanus verzette zich tegen alles wat de positie en het aanzien van de oudere Orde van het Gulden Vlies en de Militaire Orde van Maria Theresia kon schaden.
De plechtige instelling van de orde vond op 5 en 6 mei 1746 plaats. De vorstin liet zich daarbij door een gevolg van uitsluitend Hongaarse edelen vergezellen en de Hongaarse lijfgardisten vormden de erewacht. De keizerin en apostolisch koningin droeg een Hongaars kostuum. Haar brede rokken hadden, zoals op een contamporaire afbeelding te zien is, in de kleur van de onderkleding van de orde, purperrood geborduurd met goud. Om haar schouders droeg zij een groene mantel.
Tijdens de ceremonie werd benadrukt dat het om het herstel van een veel oudere, nog door Stefanus zelf ingestelde orde ging. Dat was een onwaarheid. In de dagen van Sint-Stefanus waren er nog geen ridderorden. Van een oudere Orde van de Heilige Stefanus is in de archieven ook nergens sprake. Het was in de 17e en 18e eeuw niet ongebruikelijk dat bij het instellen van een nieuwe ridderorde naar veel oudere, maar historisch niet aantoonbare, orden werd verwezen, Dat gebeurde ook bij de Deense Orde van de Dannebrog, de Zweedse Orde van de Serafijnen en de Schotse Orde van de Distel. Een dergelijk mythisch verleden moest de nieuwe orde meer aanzien verschaffen.
Op een ter gelegenheid van de stichting van de orde geslagen medaille staat op beide zijden nadrukkelijk dat "de aloude Orde van de Heilige Stefanus door Maria Theresia Apostolisch Koningin van Hongarije werd hersteld".
De ceremoniën van de orde werden gehouden op de dagen die al voor de verering en de cultus van Sint-Stefanus waren aangewezen. De dag van zijn heiligverklaring, dat geschiedde op de twintigste augustus 1083, was in het vervolg ook de dag van het ordefeest.
De andere kroonlanden van de Habsburgers zoals Oostenrijk, de Nederlanden (tot 1792) en Bohemen kregen tot in de 19e eeuw geen eigen orden van verdienste en waren daarmee niet gelijkgesteld aan het Koninkrijk Hongarije. Het Lombardo-Venetiaans Koninkrijk kreeg wel een eigen ridderorde, de Orde van de IJzeren Kroon.
De orde van de Heilige Stefanus werd vanaf de eerste dagen al aan niet-Hongaren verleend. De nadruk lag bij het decoratiebeleid op Hongaren maar hoge ambtenaren en geestelijken uit de andere delen van de uitgestrekte monarchie kwamen ook voor de Orde van de Heilige Stefanus in aanmerking.
Toen keizer Frans op 18 augustus 1765 plotseling stierf besloot Maria Theresia dat zij het grootmeesterschap van de Orde van de Heilige Stefanus over zou dragen aan haar zoon en opvolger Jozef die al snel tot keizer Jozef II zou worden gekozen. Hij werd haar co-regent en volgde zijn moeder in 1780 op als alleenregerend apostolisch koning van Hongarije. Omdat hij zich niet heeft laten kronen werd hij de "Koning met de hoed" (Hongaars: "kalapos király") genoemd.
In 1918 werden de Habsburgers van de troon vervallen verklaard. De afgezette keizer Karel slaagde er niet in om Hongarije weer onder zijn gezag te brengen. Volgens hun dynastieke en legalistische opvattingen bleven de Habsburgers de Orde van Sint-Stefanus in de eerste jaren en in ieder geval gedurende Karels leven als hun dynastiek bezit beschouwen. De keizer en zijn zoon Otto droegen ook in ballingschap de versierselen van deze Hongaarse orde.
Zoals in de 18e eeuw gebruikelijk was moesten de ridders een adelsproef afleggen. Zij moesten zestien kwartieren adeldom bezitten wat inhoudt dat hun zestien overgrootouders van adel moesten zijn. Alleen stiftsadel, geslachten met een grafelijke of baronale (freiherrlichen) titel werden daarbij erkend. De geslachten moesten in Hongarije gevestigd zijn geweest. De koningen hebben vaak van deze strikte regels afgeweken. De orde werd al vanaf het begin een orde van verdienste die overal in de Habsburgse landen, zij het vooral in de landen van de kroon van Sint-Stefanus, werd toegekend.
Grootkruisen werden door de Hongaarse koning aangeduid en aangesproken als "Mon Cousin" oftewel "Mijn neef". Zij deelden deze eer met de hertogen.
Voorstellen om de orde in de een of andere vorm in Hongarije te herstellen daargelaten heeft de Orde van de Heilige Stefanus in 2011 na 247 jaar opgehouden te bestaan. In dat jaar overleed het laatste grootkruis, aartshertog Otto van Habsburg, de laatste erfprins van Hongarije op bijna 100jarige leeftijd. Ster en grootkruis lagen naast zijn opgebaarde lichaam.
De orde in het Hongarije van het interbellum In een andere vorm heeft de in 1938 door regent Miklós Horthy vernieuwde orde tot 1944 voortbestaan. De orde diende als beloning van talent en bijzondere burgerlijke verdienste en werd in drie klassen verleend. De regent droeg de versierselen zelf maar verleende de orde slechts driemaal. Op 26 september 1940 aan Graaf Pál Teleki, op 12 februari 1943 aan István Uray en in 1944 aan een hoge katholieke geestelijke, Jusztinián Serédi, primaat van Hongarije.
De benoemingen tussen 1750 en 1918 Maria Theresia benoemde in het eerste jaar van de orde tussen 1764 en 1765 veertien grootkruisen, 14 commandeurs en 18 ridders. Onder hen bevond zich één vreemdeling die het grootkruis ontving. Jozef II benoemde tussen 1765 en 1790 drieënveertig grootkruisen, 51 commandeurs en 92 ridders. Onder hen bevonden zich vier vreemdelingen die het grootkruis ontvingen en twee vreemde commandeurs. Leopold II benoemde tussen 1790 en 1792 vier grootkruisen en 2 commandeurs. Onder hen bevond zich één vreemdeling die het grootkruis ontving.