thumb|150px|Keten van de Orde van de IJzeren Kroon thumb|150px|Commandeur II met oorlogsdecoratie en Ridder met oorlogsdecoratie thumb|150px|Commandeurskruis en Ster thumb|150px|Drie sterren

De Orde van de IJzeren Kroon (Duits: Orden der Eisernen Krone, Italiaans: "Ordine della Corona Ferrea") was een Oostenrijkse Ridderorde. De naam is gelijk aan die van de Orde die door Keizer Napoleon op 5 juni 1805 als Koning van Italië werd ingesteld. Frans I van Oostenrijk voegde de Orde op 12 januari 1816 toe aan de Oostenrijkse Orden. Verschillende bronnen geven daarvoor verschillende data. De Orde van de IJzeren Kroon werd na de val van de Oostenrijkse monarchie in 1918 afgeschaft.

In Italië bleef een in 1868 ingestelde Orde van de IJzeren Kroon, ook “Orde van de Kroon van Italië” geheten, nog tot 1947 bestaan.

Het overnemen van een door de gehate Napoleon ingestelde orde was geenszins vanzelfsprekend. De meeste van de door Napoleon en zijn verwanten ingestelde orden werden zonder meer opgeheven, het dragen van de eretekens was in een aantal landen zelfs verboden. Voor de reactionaire Habsburgers was het democratische karakter van de Orde van de IJzeren Kroon een probleem. Zij namen alleen edellieden op in hun orden en een niet-adellijk persoon verwierf tot 18 juli 1884 met de Orde van de IJzeren Kroon ook adeldom en toegang tot het hof.

De Oostenrijkse, of Lombardo-Venetiaanse, Orde van de IJzeren Kroon De Keizer van Oostenrijk was Grootmeester van deze Orde die voor trouw aan de Keizer en de staat, zij het als burger of als militair, werd verleend. Ook grote ondernemingen van algemeen nut werden met deze onderscheiding beloond.

Wanneer de Orde van de IJzeren Kroon voor verdienste "vor dem Feinde" (Duits: aan het front" of "oog in oog met de vijand") werd toegekend dan werd zij na 12 maart 1860 voorzien van een grote lichtgroen geëmailleerde lauwerkrans, de "Kriegsdekoration" die om het kruis en bij de grootkruisen in goud op of rond de ster werd aangebracht. De Orde volgde in rang op de Hongaarse Orde van de Heilige Stefanus en de Oostenrijkse Leopoldsorde.

De graden van de Orde van de IJzeren Kroon left|250px|Draagwijze De Orde had drie klassen en het lint was goudgeel met groene biezen. Er waren: 20 Ridders der Eerste Klasse - De grootkruisen droegen een ster van de Orde op de linkerborst en een kruis aan een grootlint van 5 vingers breed over de linkerschouder. Aan deze onderscheiding was ook een keten verbonden. 30 Ridders der Tweede Klasse - De commandeurs droegen een kruis aan een lint van twee vingers breed om de hals. 50 Ridders der Derde Klasse - De ridders droegen een kruis van de orde aan een lint op de linkerborst.

Ondanks deze door het statuut van de Orde van de IJzeren Kroon begrensde aantallen waren er in 1856 al bijna 2000 heren, dames kwamen niet in aanmerking, in deze Orde opgenomen.

De versierselen van de Orde van de IJzeren Kroon Het kleinood of kruis van de Orde was een IJzeren Kroon met daarboven een Habsburgse adelaar met twee koppen die op de borst een donkerblauw wapenschild draagt met het monogram van de stichter; een “F”. Op de keerzijde was de stichtingsdatum van de Orde vermeld. Boven de adelaar was als verhoging de met purper gevoerde gouden Rudolfinische Keizerskroon, de " huiskroon" van de Habsburgers, geplaatst.

In 1860 werd de "oorlogsdecoratie" ingesteld. Rond de adelaar werden dan twee gouden lauwertakken bevestigd. Wanneer een Ridder met oorlogsdecoratie tot commandeur werd bevorderd kreeg deze een commandeurskruis met een groene lauwerkrans rond het schild op de borst van de adelaar. De ster van de Grootkruisen was een zilveren achtpuntige ster. Daarop was een medaillon met de ijzeren kroon gelegd. Rond het medaillon is een ring met het motto “AVITA ET AUCTA” (Latijn: “geërfd en vergroot”) aangebracht. Dit motto verwees naar Milaan dat al eeuwenlang bezit van de Habsburgers was. Zij vergroten hun gebied in Noord-Italië later met Venetië en haar uitgebreide bezit op het vasteland.

De oorlogsdecoratie, een lichtgroen geëmailleerde lauwerkrans werd in twee vormen verleend; een brede groene krans rond het medaillon op de ster of een grote gouden krans tussen de armen van de achtpuntige ster. Wanneer een drager van de oorlogsdecoratie het grootkruis kreeg toegekend werd de ster voorzien van groene lauwerkrans rond het medaillon. Grootkruisen die in oorlogstijd voor verdienste aan het front ("oog in oog met de vijand" schreef het statuut van de Orde) werden verleend kregen een grote gouden lauwerkrans in de armen van de achtpuntige ster.

De keten van de Orde bestond uit afwisselende gouden schakels met 12 monogrammen (Fransiscus Primus) van de zogenaamde tweede stichter, 12 ijzeren kronen en 12 kransen van eikenblad. Aan een schakel in de vorm van een palmblad en eikentak hing het kleinood van de Orde.

Het lint van de Orde van de IJzeren Kroon was goudgeel met een smalle groene bies. Het lint was dus niet gelijk aan dat van de napoleontische Orde. left|250px|Onderscheidingen met zwaarden, zwaarden en oorlogsdecoratie en herhalingsgesp met zwaarden. De versierselen ondergingen enige malen een statutaire verandering. In 1866 werd de oorlogsdecoratie toegevoegd. In de Eerste Wereldoorlog werd de Orde van de IJzeren Kroon ook met zwaarden op het lint en in een uitvoering met "Lorbeerkranz und Schwertern" op het lint uitgereikt. Vergulde gekruiste zwaarden en een groen geëmailleerde halve lauwerkrans werden midden op het driehoekige lint gespeld. Ook op de batons werden nu gekruiste zwaarden van verguld metaal aangebracht.

Keizer Karel I van Oostenrijk besloot, met het oog op de enorm toegenomen hoeveelheid onderscheidingen die aan het in de Eerste Wereldoorlog op meerdere fronten strijdende Oostenrijkse leger werden uitgereikt om in het vervolg dezelfde onderscheiding tweemaal of zelfs driemaal uit te reiken. Op het lint werd in deze gevallen een gesp met daarop twee gekruiste zwaarden bevestigd. Bij de tweede herhaling werd een tweede gesp gedragen.

Oostenrijk-Hongarije was in eerdere oorlogen en ook in vredestijd terughoudend geweest met het verlenen van onderscheidingen. In de Eerste Wereldoorlog nam het aantal voordrachten en toekenningen voor Oostenrijk ongekende vormen aan. Daarom werden goedkope onderscheidingen van oorlogsmetaal zoals het Karelskruis ingevoerd. Het door grote economische problemen en materiaaltekorten geplaagde Oostenrijk kon het zich niet veroorloven om steeds weer nieuwe kostbare onderscheidingen te laten vervaardigen. Er zouden door bevorderingen binnen de orden ook te veel commandeurs zijn benoemd waardoor deze exclusieve rang in aanzien zou gaan dalen.

Ordekleding left|240px|mantel met keten De Orde had, zoals in de 18e eeuw gebruikelijk was geweest, rijke ordekleding. Een met eikentakken geborduurde gele met zilver gevoerde wambuis dat met zilveren galons en kwasten was versierd, witte zijden (kuit)broek en kousen, witte met geel band afgezette schoenen waarop blauwe met gouden rozetten, een blauwe zijden hoed met zilveren galon en witte struisvogelveren. Daarbij hoorden dan witte batisten onderkleding en das en met zilver afgezette witte leren handschoenen.

Aan de zijde werd een verzilverde koperen sabel in een blauw-zilveren schede gedragen. De knop van de sabel was met een ijzeren kroon versierd en op het gevest waren palmbladeren, eikentakken en lauwerkransen aangebracht. De mantel van deze Orde was blauw en werd met witte atlaszijde gevoerd. Deze mantel was voor de drie rangen van de Orde van de IJzeren Kroon verschillend; de Eerste Klasse droeg een sleep en een brede geborduurde rand van zilverdraad. De ster van de Orde was in borduurwerk op de linkerschouder aangebracht. De Tweede Klasse van de Orde droeg een mantel tot op de hakken met een iets smallere geborduurde rand en de mantel van de IIIe klasse reikte tot de knie en had een smalle zilvergeborduurde rand.

De kleding was door Phillip von Stubenrauch, kostuumdirecteur van het Weense hoftheater ontworpen. De suggestie van Kanselier Metternich om de kostuums ook in de depots van het theater te laten bewaren werd door de hofmaarschalk van de hand gewezen. De 100 kostbare mantels en de onderkleding werden in een depot in de Hofburg bewaard. Na veel omzwervingen zijn de mantels in 1920 in het Monturdepot van het Kunsthistorisch Hofmuseum beland.

In het midden van de 19e eeuw geraakte deze kostbare ordekleding, net als die van de andere Oostenrijkse orden in onbruik. Alleen Keizer Frans Jozef I liet zich in de tweede helft van de 19e eeuw nog met de mantel van een Oostenrijkse Orde, in zijn geval de Orde van het Gulden Vlies portretteren.

De mantels werden in de Hofburg zorgvuldig bewaard maar ze werden niet gedragen, de schilder mocht de mantel over een paspop draperen om op deze wijze een portret samen te stellen.

In het begin van de 19e eeuw was de ster van de Orde van de IJzeren Kroon geborduurd van goud- en zilverdraad. Later in de eeuw werd de ster van gedeeltelijk verguld en geëmailleerd zilver vervaardigd. De feestdag van de Orde was de 7e april, de dag waarop het door Oostenrijk gedomineerde Lombardisch-Venetiaanse Koninkrijk tot stand kwam.

Geschiedenis van de Orde van de IJzeren Kroon thumb|left|100px|Ridderkruis van de Orde van de IJzeren Kroon.

thumb|left|100px|Ridderkruis van de Orde van de IJzeren Kroon met Oorlogsdecoratie. De officiële stichtingsdag van de Orde van de IJzeren Kroon is 12 februari 1816. Keizer Frans I van Oostenrijk deed het daarmee voorkomen alsof hij op die dag, het was zijn verjaardag, een nieuwe orde had gesticht. Dat was niet in overeenstemming met de bepalingen waarin in de uitwerking van het Verdrag van Wenen de constitutie van het nieuwe Lombardo-Venetiaanse koninkrijk werd geregeld. Daarin werd vastgelegd dat "de koning zich met de oeroude ijzeren kroon zal laten kronen en dat de daarbij behorende orde onder de Oostenrijkse huisorden op te nemen is".Art. 7 Patent van 7 april 1815. De Orde van de IJzeren Kroon en de in de kerkschat van de kathedraal van Monza bewaarde ijzeren kroon worden juridisch aan elkaar verbonden. Het bezit van de een geeft recht op het grootmeesterschap over de ander. In een opdracht aan Kanselier Metternich gelastte de keizer dat de "Österreichisch Kaiserlichen Orden der eisernen Krone" nieuwe statuten moest krijgen. In de officieel voorgeschreven Oostenrijkse heraldiek werd de keten van de Orde van de IJzeren Kroon toegevoegd aan de Orde van het Gulden Vlies, de Militaire Orde van Maria Theresia, de Hongaarse Orde van Sint-Stefanus en de Leopoldsorde waarvan de kruisen en versierselen al als pronkstukken in de tekeningen van het keizerlijk wapen waren opgenomen. Het Weense verdrag en het recht van de oudere ridders van de Orde van de IJzeren Kroon waren moeilijk te rijmen met de nieuwe bepalingen en gedeeltelijk daarmee in tegenspraak. De Habsburgers hebben niet alle Napoleontische benoemingen ook in hun orde overgenomen. Met name het democratische karakter van de orde was voor de reactionaire Oostenrijkse regering onacceptabel. Napoleon had in zijn Orde van de IJzeren Kroon ook verdienstelijke en dappere onderofficieren en soldaten opgenomen. Het Franse Legioen van Eer was daarbij het voorbeeld geweest. In Wenen achtte men het ondenkbaar dat een ondergeschikte een ridderkruis zou dragen. Dat was het geboorterecht van de adel en de - in Oostenrijk adellijke- officieren.

In de literatuur komt ook de eerste januari 1816 voor als stichtingsdatum. De feestdag van de orde werd de eerste zondag na 7 april, op die datum was het Lombardisch-Venetiaans koninkrijk officieel gesticht.