thumb|Kruisen, voor- en keerzijde met en zonder de oorlogsdecoratie thumb|Kruis en ster met Oorlogsdecoratie van een lagere graad. thumb|Ster met Oorlogsdecoratie en civiel grootkruis

De Leopoldsorde (Duits: Leopoldsorden) was een Oostenrijkse Orde die door keizer Frans I van Oostenrijk op 8 januari 1808 werd ingesteld en na de val van de Oostenrijkse monarchie in 1918 werd afgeschaft.

De keizer van Oostenrijk was grootmeester van deze Orde die voor bijzonder verdienste , zij het als burger of als militair, voor de keizer en het vaderland werd verleend. Ook wetenschappelijke verdienste en grote ondernemingen van algemeen nut werden met deze onderscheiding beloond.Wanneer de Leopoldsorde voor verdienste "vor dem Feinde" (Duits: "aan het front" of "oog in oog met de vijand") werd toegekend dan werd zij na 12 januari 1860 voorzien van een grote lichtgroen geëmailleerde lauwerkrans die om het kruis en bij de grootkruisen in goud op of rond de ster werd aangebracht. De Orde volgde in rang op de Hongaarse Orde van de Heilige Stephanus maar had voorrang op de Orde van de IJzeren Kroon.

Het kruis van een ridder in de Leopoldsorde werd aan het voor Oostenrijk kenmerkende driehoekig lint gedragen.

De graden van de Leopoldsorde De Orde had drie klassen en het lint was scharlakenrood met witte biezen. Grootkruis - De grootkruisen droegen een grote ster90 millimeter breed van de Orde op de linkerborst en een kruis aan een wit-rood-wit grootlint van 5 vingers breed102 millimeter over de linkerschouder. Aan deze onderscheiding was ook een keten verbonden. Eerste Klasse - Deze rang werd in 1901 ingesteld. De Ie Klasse droeg een iets kleinere ster75 millimeter breed en een vier vingers breed lint90 millimeter dat rood was met twee witte verticale strepen. Commandeur - De commandeurs droegen een kruis aan een lint van twee vingers breed om de hals. Ridder - De ridders droegen een kruis van de orde aan een driehoekig lint op de linkerborst.

Door de aanvulling van de orde met een oorlogsdecoratie in 1860 en zwaarden in 1916 ontstonden er meer verschillen in rang dan Frans II ten tijde van de instelling van de Leopoldsorde had beoogd. De Oostenrijkse militairen maakten in de nomenclatuur van de rangen streng onderscheid tussen de militairen die de Leopoldsorde in een hoge rang met Oorlogsdecoratie hadden ontvangen en diegenen die de Oorlogsdecoratie in een lagere rang hadden ontvangen en later, voor verdienste in vredestijd, binnen de orde waren bevorderd. De onderstaande lijst maakt geen onderscheid in decoraties met of zonder briljanten.

Ridder Ridder met de Oorlogsdecoratie Ridder met de Oorlogsdecoratie en de Zwaarden - Commandeur Commandeur met de Lagere Oorlogsdecoratie Commandeur met de Lagere Oorlogsdecoratie en de Zwaarden Commandeur met de Oorlogsdecoratie Commandeur met de Oorlogsdecoratie en de Zwaarden - IIe Klasse IIe Klasse met de Lagere Oorlogsdecoratie IIe Klasse met de Lagere Oorlogsdecoratie en de Zwaarden IIe Klasse met de Oorlogsdecoratie IIe Klasse met de Oorlogsdecoratie en de Zwaarden - Grootkruis Grootkruis met de Lagere Oorlogsdecoratie Grootkruis met de Lagere Oorlogsdecoratie en de Zwaarden Grootkruis met de Oorlogsdecoratie Grootkruis met de Oorlogsdecoratie en de Zwaarden thumb|left|400px|De vier graden uit 1901 op uniform

De lagere oorlogsdecoratie werd "niedere Kriegsdekoration" genoemd.

Deze toegenomen reeks van de graden en onderverdeling van de graden leidde tot een groot aantal verschillende uitvoeringen van kruisen en sterren. De particuliere opdrachten aan buitenlandse juweliers en de verschillende juweliers die in Wenen aan de kanselarij van de Leopoldsorde leverden zorgen voor een nog grotere variatie. Er werden ook sterren omgebouwd, dat gebeurde met name in de Eerste Wereldoorlog toen edelmetaal schaars werd.

Na de Eerste Wereldoorlog zijn er dragers van de Leopoldsorde geweest die hun oude ster alsnog aanpasten aan een benoeming die op papier wel was geschied maar waarvan de ster door de chaotische toestanden in het Wenen van vlak na de val van de keizer niet door de kanselarij van de Leopoldsorde kon worden geleverd. Deze sterren zijn soms geïmproviseerde combinaties van oude sterren en op de ster aangebrachte zwaarden.

De versierselen van de Leopoldsorde Zoals in Oostenrijk gebruikelijk kreeg ook de Leopoldsorde zeer kostbare gouden versierselen. De schakels van de keten van de grootkruisen werden in de loop van de 19e eeuw iets lichter. Pas in de loop van de Eerste Wereldoorlog ging met noodgedwongen over op kruisen en kronen van verguld brons in plaats van massief goud. Op de sterren werd nu een bronzen kruis gelegd maar ook toen bleef de ster van zilver. De bronzen kruisen zijn herkenbaar aan een keur in de vorm van een kleine ster. Er zijn geen ketens met bronzen schakels beken.

Het kruis of kleinood van de Leopoldsorde Het kleinood of kruis van de Orde was een donkerrood kruis met een witte rand en gouden bies. Het medaillon had een witte band waarop de Latijnse tekst "INTEGRITATI ET MERITO" (onkreukbaarheid en verdienste) in gouden letters was aangebracht. In het medaillon stond het monogram "FIA" (Fransiscus Imperator Austriae). Op de keerzijde stond in het medaillon "OPES REGUM CORDA SUB DITORUM" (het hart van de onderdanen is het werktuig van de vorst). Boven de kroon was gedurende de latere 19e eeuw en ook in de vroege 20e eeuw als verhoging de met purper gevoerde gouden Rudolfinische Keizerskroon, de " huiskroon" van de Habsburgers, geplaatst.

Tot 1818 waren tussen de armen van het kruis drie lauwerbladeren aangebracht.

De kruisen van de drie rangen verschilden alleen in grote. Het grootkruis bevatte in 1808 goud ter waarde van 9 dukaten of 63 gulden en 240 Kreuzer en kostte inclusief emailleerwerk en arbeidsloon 159 Gulden en 32 Kreuzer. Het commandeurskruis en het ridderkruis moesten respectievelijk 131 en 106 Gulden kosten.

In 1860 werd de "oorlogsdecoratie" ingesteld. Onder de kroon werden twee gouden lauwertakken bevestigd. Wanneer een ridder met oorlogsdecoratie tot commandeur werd bevorderd kreeg deze een commandeurskruis met een groene lauwerkrans in de armen van het kruis.

De oudste kruisen droegen een geperste, vlakke, kroon als verhoging. De rode voering van de rudolfinische keizerskroon of "huiskroon" was niet geëmailleerd. In de loop van de 19e eeuw werd gebruikelijk om de kruisen van een plastisch vormgegeven kroon te voorzien. Daarin werd de rode voering wel geëmailleerd. Er bestaan bij de kleine kruisen overgangsmodellen zonder de onder de armen gelegde gouden lauwerkrans maar mèt de plastisch uitgevoerde deels geëmailleerde kroon.

Het commandeurskruis werd bij kruisen uit het begin van de 19e eeuw op het lint bevestigd. Het lint maakte onder de vlakke gouden kroon een lus waaraan het kruis met een brede ring was opgehangen. Latere commandeurskruisen tonen een gesp waar het lint door werd gehaald. Ring en kroon hangen onder deze gesp.

De kruisen van de Ie Klasse zijn in alle details gelijk aan die van een Grootkruis maar in grote gelijk aan het commandeurskruis. Men vindt ze ook met zwaarden, oorlogsdecoratie of lagere oorlogsdecoratie.

De verschillende juweliers hebben in de loop der jaren steeds naar de voorbeelden en modellen van de ordekanselarij gewerkt maar hun producten waren handarbeid en stukwerk en er zijn kleine verschillen in de uitvoering aan te wijzen. Omdat de kruisen van gestorven en bevorderde leden van de Leopoldsorde aan de kanselarij werden teruggestuurd en de kanselier deze na reiniging en reparatie weer in omloop bracht kan het voorkomen dat een kruis uit het midden van de 19e eeuw een veel oudere kroon als verhoging heeft gekregen. Onbruikbare stukken werden bij de Munt omgesmolten.

De ster van de Leopoldsorde thumb|left|Geborduurde ster uit 1808, metalen ster uit 1817, vroege gebrillanteerde ster, zilveren ster van voor 1872, Gebrillanteerde ster van na 1872, Ster met Oorlogsdecoratie van na 1860, Ster Zwaarden en Oorlogsdecoratie 1917, Ster van de Ie Klasse uit 1901 De ster van de Grootkruisen was een zilveren achtpuntige ster. Daarop was het kruis van de Orde, zonder de kroon, gelegd. In het begin van de 19e eeuw was de ster van de Leopoldsorde geborduurd van rode zijde, goud-en zilverdraad. Later in de eeuw werd de ster van gedeeltelijk verguld en geëmailleerd zilver vervaardigd.

De sterren van de Leopoldsorde volgden de mode. Deze veranderde in de loop van de 19e eeuw.

De eerste sterren uit 1808 waren bijna vierkant en opvallend groot, een bewaard gebleven exemplaar uit de periode van 1810 tot 1815 meet 105 bij 101 millimeter, en werden, wanneer men alleen deze ster droeg, op het hart gedragen. De sterren werden door gespecialiseerde hofborduurders geborduurd waarbij rode zijde, zilverdraad, gouddraad en pailletten werden gebruikten. De ondergrond was vilt of karton en aan de achterzijde werd de ster met patier afgeplakt. De ridders ontvingen bij de verlening een dergelijke ster maar de sterren werden snel vuil, ze verkleurden en versleten.

Een hoveling moest dan ook meerdere sterren laten borduren. De sterren werden met garen aan de jas of het uniform bevestigd. Daarvoor werden kleine oogjes aan de punten van de stralen bevestigd. Een dergelijke ster kon niet gemakkelijk van het ene kledingstuk op het andere worden overgebracht en een Grootkruis in de Leopoldsorde had daarom meerdere geborduurde sterren voor zijn verschillende jassen en uniformjasjes nodig. thumb|Uniform van Frans Jozef met gebrillanteerde ster van de Leopoldsorde op de derde plaats De geborduurde ster werd in het revers, het document waarin iedere ridder moest vastleggen dat zijn decoraties bij bevordering of na zijn overlijden zouden worden teruggestuurd naar de kanselarij in Wenen genoemd. De kanselarij kreeg vaak vuile en versleten sterren terug die niet opnieuw konden worden uitgereikt. Oude sterren werden verbrand waarna het resterende goud en zilver dat van het goud- en zilverdraad overbleef naar de Munt werd gestuurd.

Naar Frans voorbeeld werden in de sterren uit de vroege 19e eeuw metalen onderdelen opgenomen. Bij de ster van de Leopoldsorde zijn de 12 eikenbladeren en de acht eikels tussen de armen gouden plaatjes en balletjes die op de stof werden vastgenaaid.

De eerste metalen sterren uit 1817 waren gelijk aan de geborduurde sterren. De 72 stralen van de zilveren ster waren gebrillanteerd wat inhield dat ze in kleine facetten waren verdeeld. Het opgelegde kruis was van goud en het deel van de kruisen dat rood geëmailleerd zou worden werd door de zilversmid met een machinege guilocheerd zodat het emaille een fraaie structuur kreeg. Op de witte ring stonden als onderbreking van het motto twee stippen en een ster. In 1817 bepaalde Frans II dat de eikenbladeren en eikels tussen de armen van het kruis moesten worden weggelaten. Bij de kruisen was dat in 1815 al voorgeschreven.

Op 23 januari 1860 besloot Frans Jozef I van Oostenrijk dat de Leopoldsorde in het vervolg een oorlogsdecoratie zou dragen. De invoering van deze "Kriegssdekoration für Verdienste im Kampf mit dem Feind" had ook consequenties voor de vorm van de sterren.

Wanneer een lid van de Leopoldsorde eerst een ridder- of commandeurskruis met oorlogsdecoratie had ontvangen werd een latere ster bij een grootkruis versierd met gouden lauwerkrans tussen de armen van het op de ster gelegde kruis. Een grootkruis dat met oorlogsdecoratie werd verleend kreeg een groen geëmailleerde gouden, later gouden of verguld zilveren lauwerkrans waarop de ster zo werd gelegd dat de krans de acht punten van de ster verbond.

In de Eerste Wereldoorlog voelde keizer Frans I behoefte aan kruisen van de Leopoldsorde "met de Zwaarden" voor bewezen dapperheid aan het front.

De in 1871 voorgeschreven sterren onderscheidden zich van hun voorgangers doordat de 72 stralen van de zilveren ster niet langer glad en naald- of lancetvormig waren. De stralen werden nu in talloze facetten verdeeld alsof ze met briljanten waren bezet.