thumb|Zonnewagen van brons met goudblad. Trundholm, bronstijd, ca. 1000-1400 v.Chr. Nationaal Museum, Kopenhagen. De Germaanse mythologie is het geheel van Germaanse mythen en geloofsovertuigingen. Deze mythologie is voorchristelijk en geldt voor de Germaanse stammen in het algemeen, waarvan de etniciteit vanaf circa 400 v.Chr. bepaald kan worden in zuidelijk Scandinavië.R. Simek, in Murdoch & Read (ed.) 2004, p. 75. Daarmee dient zij onderscheiden te worden van meer specifieke mythologieën, zoals de Noordse, omdat die van latere tijd zijn, zoals het Oudnoords scheppingsverhaal. Desondanks zijn er veel overeenkomsten. Reeds in de oudheid moet echter regionale verscheidenheid bestaan hebben. Dit hangt samen met het gegeven dat Germaanse godsdienst niet was vastgelegd, de cultuur een van mondelinge overlevering was en Germaanse stammen migreerden en zich dus meer verwijderden van direct verwante cultuurgebieden.R. Simek, in Murdoch & Read (ed.) 2004, p. 74.
Bij de formulering van ‘Germaanse mythologie’ kan men niet aan abstractie en hypothese ontkomen. Reeds in de late oudheid hadden Germaanse stammen namelijk een aanzienlijk gebied bezet en vond mettertijd meer differentiatie plaats. Zo wordt de Germaanse oppergod in Scandinavië Odin genoemd, terwijl hij in de continentaal-Germaanse mythologie Wodan genoemd wordt. Dergelijke verschillen komen vervolgens beter tot hun recht in afzonderlijke mythologieën, zoals Noorse, Angelsaksische etc. Tegelijkertijd is er weinig bronmateriaal bewaard gebleven uit de oudheid, en de sprekers van het Proto-Germaans (ca. 500 v.Chr.) waren ongeletterd. Men doet zodoende ook wel een beroep op vergelijkende studies tussen latere, regionale culturen zoals die van de Angelen, Saksen en Noren, om zo tot een reconstructie te komen van een gemeenschappelijke oerbron: de Germaanse mythologie.Zie P. Grappin, in Grimal (ed.)1965, p. 357.
De beschrijving en interpretatie van de Germaanse mythologie wordt daarnaast geholpen door het gegeven dat zij overeenkomsten vertoont met bepaalde andere mythologieën, zoals de Griekse, Baltische, Slavische en Keltische. Dat komt doordat al deze mythologieën een gemeenschappelijke bron hebben, de Indo-Europese mythologie, waarvan aangenomen wordt dat ze leefde onder de Indo-Europese taalgemeenschap (ca. 6000 jaar geleden).McColl Millar 2007, pp. 224-225. Voor comparatieve mythologie, zie Mallory 1991; Watkins 1995; West 2007.
Overlevering thumb|De Proza-Edda van Snorri Sturluson. Achttiende-eeuws IJslands handschrift ÍB 299 4to, nu bewaard in de Nationale Bibliotheek van IJsland. thumb|Handschrift van de Heimskringla. Zeventiende eeuw, vervaardigd door de IJslander Jon Eggertson. Bewaard in de Koninklijke Bibliotheek te Stockholm. Hoewel de kerstening van Europa veel eeuwen in beslag nam, gepaard ging met vallen en opstaan,Le Goff 1987, p. 85-86. en er zeker sprake was van regionaal gedoogbeleid of syncretisme,Kieckhefer 1990, p. 44. betekende verchristelijking op den duur wel een teloorgang van ‘heidense’ denkbeelden. Uiteindelijk blijven uit de vroege middeleeuwen dan ook weinig bronnen over die een blik werpen op voorouderlijke, Germaanse geloofsovertuigingen. In Scandinavië was dit echter anders, waar het christendom pas later ingang vond en het Germaanse erfgoed langer voortleefde.Kinder, Hilgemann, Bukor & Bukor 1965, p. 163. IJsland ging zelfs pas rond 1000 over tot dit monotheïsme, wat echter nog altijd niet het onmiddellijke einde betekende van oorspronkelijk Germaanse denkbeelden. Het was dan ook in deze regio, dat diverse schriftelijke bronnen ontstonden, zoals diverse IJslandse sagas, skaldische poëzie, de Heimskringla, Völsunga-saga, Proza-Edda en de Poëtische Edda. Buiten deze Oudnoorse schriftelijke bronnen zijn er onder andere nog de Angelsaksische Beowulf, Angelsaksische gedichten (de charms), Oudhoogduitse spreuken,Zie N. Voorwinden, in Schipper & Schrijvers (ed.) 1995. de Oudhoogduitse Muspilli en runeninscripties op voorwerpen of in steen (futhark). Een voorbeeld van een Oudhoogduitse, medicinale spreuk is de tweede Merseburger toverspreuk (10e eeuw):
'Phol [= Balder] en Wodan reden naar het bos. Toen raakte de voet van het veulen van Balder/de god gewond.
Toen zong Sinhtgunt tot hem [nml. de voet], Sunna haar zuster; Toen zong Frija tot hem, Volla haar zuster; Toen zong Wodan tot hem, zoals hij goed kon.
Als botkwetsuur, als bloedkwetsuur, als ledemaatkwetsuur: bot tot bot, bloed tot bloed, lid tot ledematen: als gelijmd laten ze zijn.'Opgesteld in een Latijnse codex. Een alternatieve vertaling biedt N. Voorwinden, in Schipper & Schrijvers (ed.) 1995, pp. 129-130:
‘Phol en Wodan reden in het woud.
Toen verzwikte Balders veulen zijn voet.
Toen besprak hem Sinthgunt, de zuster van de zon;
Toen besprak hem Frija, de zuster van de vruchtbaarheid;
Toen besprak hem Wodan, zoals (alleen) hij goed kon:
Of het nu aan het bot, aan het bloed
Of aan de ledematen ligt:
Bot tot bloed, bloed tot bloed,
Ledematen tot ledematen, alsof ze gelijmd zijn.’
Voor een transcript van het origineel, zie http://www.hiltibrant.de/merseburg/text.html.
Deze tekst is een van de vroegste bronnen waarin de godennamen vermeld zijn.R. Simek, in Murdoch & Read (ed.) 2004, pp. 82-83. Een andere, oude bron voor Germaanse cultuur is de Germania van de Romeinse historicus Tacitus (56 – na 117), hoewel er vraagtekens zijn bij de betrouwbaarheid ervan. Er zijn ook diverse latere, christelijke bronnen, zoals de Gesta Hamburgensis ecclesiae pontificum van Adam van Bremen (11e eeuw) en het geschiedwerk Gesta Danorum (‘daden van de Denen’) van Saxo Grammaticus (ca. 1140 – ca. 1220). Andermaal is van dergelijke bronnen de betrouwbaarheid onderwerp van discussie, omdat de geestelijke auteurs zich niet interesseerden voor het heidendom op zich.Zie bijv. Davidson & Fisher 1980, p. 2; P. Grappin, in Grimal (ed.)1965, pp. 358-359.
Al met al blijft het bewaard gebleven bronmateriaal fragmentarisch, nu en dan onbetrouwbaar, en biedt de context niet voldoende informatie om bijvoorbeeld godennamen te duiden. Vroeger wendden germanisten zich vooral tot Scandinavische, schriftelijke bronnen voor de reconstructie van het Germaanse heidendom, maar tegenwoordig is dit minder het geval. Geleerden wenden zich meer tot archeologische data, zoals spelden, inscripties op stenen en votiefstenen. Een voorbeeld zijn de twee Alemannische broches (tweede helft 6e eeuw), bekend als de Nordendorf fibulae. Daarop staan in futhark drie woorden:
LogaÞorn, Wōdan, WīgiÞonar
Laatste twee betreffen Wodan (Odin) en Donar (Thor), hier ‘gewijde Thor’ genoemd (vgl. D. weihen). Wat het eerste deel is blijft echter discussie. Identificatie met de Oudnoorse god Lóðurr (Loki) is problematisch. Het is dan ook wel geïnterpreteerd als een afgeleide vorm van het bijvoeglijke naamwoord logðor ‘arglistig/leugenachtig’. Zodoende kan het geheel geïnterpreteerd worden als beïnvloed door het christendom: betrokken Germanen begonnen zich te distantiëren van de Germaanse goden.Düwel 2001, pp. 63-64.
Vroege goden thumb|Zogeheten guldgubbar, die wellicht regionale godheden laten zien. Vroegmiddeleeuws. thumb|De Hludana-steen, een votiefsteen, opgegraven in het Friese dorp Beetgum.
Kleine, regionale goden In de opeenvolging van het neolithicum, de bronstijd en de ijzertijd is continuïteit te zien in religieuze zaken, maar ook zijn er verschuivingen. Het Noord-Europese en Germaanse religieuze leven kende diverse praktijken en veel goddelijke entiteiten, maar een afgebakend en duidelijk pantheon kende men lange tijd niet. Een concrete, individuele godendienst zoals het christendom was er dan ook niet. Een meer ontwikkelde, complexere aanbidding van goden wordt pas zichtbaar rond het midden van het eerste millennium.R. Simek, in Murdoch & Read (ed.) 2004, p. 81. Voor die tijd zijn afgebeelde figuren, zoals gouden guldgubbar, dan ook moeilijk te duiden, en het is niet onwaarschijnlijk dat het vaak om regionale, kleine goden of halfgoden gaat.
In de eerste eeuwen n.Chr. aanbaden West-Germaanse stammen, zoals de Cimbri en Frisii, velerlei regionale, vrouwelijke goden, getuigen altaren met inscripties uit gebieden onder Romeinse invloed. Meer dan honderd verschillende namen zijn gevonden, en veel komen vaker voor. Die namen kunnen onder andere verwijzen naar plaatsen, zoals Mahlinehae → Mechelen, maar ook naar rivieren en bronnen. Ook andere auteurs suggereren dat de Germanen van oudsher rivieren, bronnen en soms andere natuurfenomenen zoals bomen vereerden, al dan niet expliciet gepersonifieerd in de vorm van nymfen. Dit meldt de Byzantijnse dichter en historicus Agathias (530 – 582/594) bijvoorbeeld van de Alemannen.Zie ook West 2007, p. 278, p. 289. Een andere Byzantijnse bron is Procopius, Bell. Goth. 2. 15. 23. Het gaat mogelijk om vruchtbaarheidsgodinnen die verbonden waren aan lokale dorpsgemeenschappen of stammen.De Vries 1941, p. 112. Evenwel zijn diverse namen niet-Indo-Europees van oorsprong (zie Oud-Europese hydronymie en Pre-Indo-Europees substraat van het Germaans).West 2007, p. 141.
Van de tweede tot en met de vierde eeuw worden op Romeinse altaren nog andere godennamen vermeld, maar meestal komen deze niet voor in latere bronnen. Een voorbeeld is Nehalennia, beschermster van scheepvaart en handel.R. Simek, in Murdoch & Read (ed.) 2004, p. 83; De Vries 1941, p. 112.
Een goed gedocumenteerde godin uit de tweede en derde eeuw is Hludana, waarvan de naam is aangetroffen op inscripties in het Nederrijngebied en Friesland. Zij komt overeen met de Noorse Hlóðyn, de moeder van Thor. Zij wordt ook wel geïdentificeerd met Jörd, 'Aarde', en Thor staat bekend als zoon van de aarde. Hludana is daarom waarschijnlijk een regionale, chtonische godin. Een andere regionale god is Saxnot, ‘gezel van de Saksen’, die in de christelijke Oudsaksische doopgelofte vermeld wordt naast 'Thunaer' (Donar) en 'Uuôden' (Wodan). Zij worden in de tekst afgezworen.R. Simek, in Murdoch & Read (ed.) 2004, p. 83. Zie editie De Boor 1965, p. 367.
Daarnaast treft men de reeds vermelde Wodan en Donar aan in diverse bronnen, o.a. nog in de tweede Merseburger toverspreuk (zie hierboven). De daar vermelde Sinthgund is verder onbekend, Sunna is de zon. Ook Balder, Volla en Frija komen voor. Omdat alle vijf equivalenten hebben in de latere Noorse mythologie (Baldr, Fulla en Freya), lijken deze individuele goden in de negende en tiende eeuw wijdverbreid te zijn. Zo komt van Frija ook een Langobardische vorm Frea voor in Paulus Diaconus’ Historia Langobardorum (1. 8), laat achtste eeuw.West 2007, p. 144. Tacitus (ca. 56-117) beweerde in zijn Germania dat de Germanen vooral Mercurius aanbaden, en daarnaast Hercules en Mars. Dit zijn gevallen van interpretatio Romana, Romeinse interpretaties. Mercurius betekent hier Wodan (Noors: Odin), de Germaanse oppergod. Vandaar ook dat de Romeinse dies mercurii bij Germaanse volken woensdag/Wednesday etc. is geworden. Hercules is vrijwel zeker Donar (Noors: Thor), waarbij de vergelijking berust op respectievelijk Hercules’ knots en Donars hamer, waarmee ze monsters doodden. Later is Donar in bronnen echter wel vertaald met Jupiter, omdat de strijdhamer overeenkomt met Jupiters bliksem. Vandaar dat de Romeinse dies jovi donderdag geworden is. Mars is minder duidelijk. Mogelijk kan hier Tyr bedoeld worden, maar hierover bestaat discussie.R. Simek, in Murdoch & Read (ed.) 2004, p. 82. Mars wordt in de zesde eeuw door Jordanes in zijn Getica (41) niettemin ook genoemd als meest aanbeden god bij de Goten: