thumb|rechts thumb|Gedicht De steen bloeit van schrijver Arjen Duinker in het Tessels. Locatie: Den Hoorn Het Tessels of Texels is het dialect van het eiland Texel. Het wordt door een deel van de Texelse bevolking gesproken en dan vooral in de dunner bevolkte gebieden op het eiland. In het grote dorp Den Burg en het zeer toeristische De Koog wordt het dialect nauwelijks gesproken. Het Tessels is in veel opzichten een conservatief dialect en voor een buitenstaander - inclusief sprekers van het "gewone" West-Fries - bepaald niet makkelijk te verstaan.

Van het Tessels zijn drie woordenboeken uitgegeven. Het meest recente is dat van Gelein Jansen, Tessels Woordenboek: Tessels - Nederlands uit 2006. Uit 1993 stamt, eveneens van Gelein Jansen, het Tessels Woordenboek - met sèèggies. Dit woordenboek is Nederlands - Tessels. Een ouder woordenboek, dat van Keyser, Het Tessels, uit 1951, is alleen antiquarisch nog verkrijgbaar. Een uitgebreide studie naar de grammatica van het Tessels verscheen in 2021: Tessels. Taal over zee door Marcel Plaatsman.

De plaats van het Tessels in ons taalgebied Het Tessels is onderdeel van het West-Fries en is nauw verwant aan het Wierings. Ook het verloren gegane dialect van Vlieland leek, zo blijkt uit bronnen, zeer veel op het Tessels. Binnen het West-Fries zou men een onderscheid kunnen maken tussen "eiland-West-Fries" enerzijds en het "land-West-Fries" anderzijds. De eerste groep onderscheidt zich van de tweede door het behoud van de ie-klank in woorden als kieke (land-West-Fries: kaike of koike) en het behoud van de uu in woorden als huus. In het algemeen is het Tessels conservatiever dan de andere West-Friese dialecten - alleen het Wierings benadert het Tessels in conservatisme.

Het Tessels valt met de andere West-Friese dialecten te karakteriseren als een overgang tussen Fries en Nederfrankisch. Samen met het Wierings heeft het Tessels van alle Noord-Hollandse dialecten de meeste Friese kenmerken bewaard. De 'landdialecten' van Noord-Holland zijn veel sterker naar het AN toe gegroeid. Als kustdialect is het Tessels verder te beschouwen als Ingveoons, en derhalve is het ook te vergelijken met Zeeuws en West-Vlaams.

Ingveoonse kenmerken heeft het Tessels te over. Typerend is de ontronding van de u tot e in woorden als pet, brèg - het West-Vlaams kent zo bijvoorbeeld pit, het Frans-Vlaams kent brigge. De 'eu' van seun (West-Vlaams: zeune) komt ook in zeer veel kustdialecten voor. Ook achtervoegsels als -skip in plaats van -schap en typische woorden als tseen (waterloop, ook geschreven als ceen) maken dat het Tessels als Ingveoons getypeerd wordt.

De plaats van het Tessels op Texel Er bestaat niet één Tessels dialect. Het Tessels verschilt van dorp tot dorp. Iemand uit Oudeschild (Skil) zal iemand van De Cocksdorp (Durrep) niet altijd volledig verstaan, net zomin als iemand van Den Hoorn (De Hoore) iemand van Oosterend (Strend) volledig zou kunnen begrijpen wanneer ze elkaar in dialect aanspreken. Deze verschillen moeten niet worden overschat: over het algemeen begrijpen de eilanders elkaar prima. Wel zal iemand altijd aan de uitspraak van een ander kunnen horen waar hij vandaan komt. De uitspraak van de óó als gerealiseerd door iemand afkomstig van de buurtschap Oost (Óóst) verschilt scherp van die van andere eilanders, en is het handelsmerk van de Ooster - een niet-Texelaar zou het verschil waarschijnlijk niet eens opmerken.

Tot in de jaren vijftig van de 20e eeuw was het Tessels de algemene omgangstaal op het eiland. Nadien heeft het dialect een forse terugval beleefd: reeds in de jaren zeventig was het in Den Burg al zo dat jongeren het dialect nauwelijks nog konden begrijpen als een klasgenoot uit een ander dorp tegen ze begon te praten. Tegenwoordig wordt het dialect vooral in de 'buitendorpen' gesproken: Oosterend, Den Hoorn, Oudeschild, De Cocksdorp. Hier spreken ook jongeren het nog wel, maar lang niet zo algemeen als vroeger het geval was. Het dialect wordt steeds meer een curiosum, dat voor veel eilanders al net zo vreemd klinkt als voor de onwetende toerist.

Tesselse klanken Het Tessels kent meer klanken dan het Nederlands. Om de klank van het Tessels in spelling te benaderen, is het gebruik van accentjes noodzakelijk. Er zijn diverse manieren om het Tessels te schrijven. De hier gebruikte manier volgt in het algemeen de spelling als gebruikt in de woordenboeken van Gelein Jansen.

Klinkers De Tesselse klinkers kunnen als volgt worden ingedeeld:

VOCALEN ongerond gerond voor e, éé, èè, i, ie, ei ee, u, eu, uu, ui midden sjwa, aa òò, aau achter a ò, o, oo, óó, oe, ou

De klankwaarde van deze klinkers kan alleen bij benadering uitgelegd worden. De ee klinkt zo als een combinatie van ee en j, dus ee+j, maar lijkt te beginnen met een ronding, een soort u-klank, en is derhalve een geronde klinker. De éé is duidelijk onderscheidend aan de ee en klinkt ongeveer als de ee van beer, maar dan iets nasaal. In bekende zinnetjes als der legge skepe mit skéépe in de have van Skil is er een betekenisonderscheid tussen ee en éé: er liggen schepen met schapen in de haven van Oudeschild. Dergelijk onderscheid komt veel vaker voor.

De èè is een langgerekte, nasale e-klank als in bèèd (bed). Nasalering van klinkers is een zeer algemeen verschijnsel in het Tessels: de éé, de óó, de òò, de èè, alle zijn zij nasaal. Vóór de n is nasalering bij alle klinkers aanwezig: woorden als kunst, mens, land klinken in het Tessels allemaal nasaal.

De sjwa is de klank die in het AN vaak wordt voorgesteld door e in woorden als lopen, een, naderen etc., maar door ij in woorden als moeilijk, kwalijk en door i in woorden als zalig, karig. De òò is daarentegen een typisch Tesselse klank: het is een nasale, lang aangehouden, geronde a. De klank is de lange versie van de ò, eveneens een geronde a. Ronding van de a komt in het Tessels algemeen voor - alleen voor een k, een ng en een g rondt de a niet tot ò. De aau is onderscheidend aan de ou: de eerste is opener.

De oo en de óó zijn twee heel verschillende klanken. De eerste klinkt als in het AN boom, de tweede als in boor, maar dan iets nasaal. Op Texel is de óó de meest gehoorde variant. In de woorden hóóp en hoop is betekenisonderscheid: hóóp is een hoeveelheid, en hoop is hoop.

Enkele typische Tesselse klinkercombinaties zijn nog niet vermeld. Het meest in het oog/oor springt de uw: in deze diftong van u + w klinkt de u als die van bus en dus niet, zoals een spreker van het AN zou verwachten, als de uu van duur. een ander kenmerk van het Tessels is de mogelijkheid om lange en korte klinkers te onderscheiden. Zo zijn er van de ie twee versies: de ie en de iê. De laatste is langer. Er is zo onderscheid tussen piele (korte ie) en piêle: het eerste woord betekent 'knutselen, spelen met je eten', het laatste woord is het meervoud van piêl, pijl. Ook de andere klinkers hebben een lange en een korte variant.

Medeklinkers Bij de Tesselse medeklinkers vallen een aantal dingen op. Zo worden in het Tessels, zoals in veel Hollandse dialecten, de v en de z nogal eens uitgesproken als f en s. Toch is dit, zeker bij de v, niet altijd het geval: een Texelaar kan zo spreken van een vles in plaats van een fles. Tussen klinkers is de realisatie van v of z vrij algemeen.

De w heeft in het AN twee varianten: een dentolabiaal en een bilabiaal. De laatste komt in het AN aan het eind van woorden voor, zoals in nieuw. Het Tessels kent maar één w-klank en dat is de eerste, de dentolabiaal. Dit is de w die in het AN aan het begin van een woord opduikt. In het Tessels echter kan hij ook op het eind van een woord voorkomen: nuw (nieuw). Ook in het midden is de w niet vreemd: hewwe (hebben) is daar een voorbeeld van.

Heel kenmerkend voor het Tessels is de uitspraak van sk- op plaatsen waar het AN een sch- heeft. Alle West-Friese dialecten kennen dit verschijnsel, en ook het Fries en sommige West-Vlaamse tongvallen doen eraan mee. Verder kan over de Tesselse medeklinkers gezegd worden dat ze scherp gearticuleerd worden. De g is altijd 'hard', zoals in de meeste Noord-Nederlandse tongvallen (dit zoals bekend in tegenstelling tot de Zuid-Nederlandse 'zachte' g). De r wordt altijd voor in de mond, rollend, gearticuleerd: de huig-r en de 'Gooise' r zijn niet mogelijk in de uitspraak van het Tessels.

Tesselse woorden In woordvorming lijkt het Tessels zeer sterk op de andere West-Friese dialecten. Typische samenstellingen als eterstied klinken terug in het land-West-Friese eterstaid en woorden van het type skobberdebonk komen ook op Texel veel voor. Een opvallend Tessels woord van dit type is lieuwerdelaauw, een woord dat zoveel betekent als 'slome duikelaar', 'niksnut'. Verder opmerkelijk zijn woorden als neusiebloed (bloedneus), driewielde wage (driewieler), hapsnurreker (sul, raar tiep).

De meer systematische woordvorming van het Tessels zal hieronder uitgelegd worden.

Het werkwoord Er zijn in het Tessels twee typen regelmatige werkwoorden. De meeste werkwoorden behoren tot het eerste type, werkwoorden eindigend op -e. De vervoeging van deze werkwoorden is als in het Nederlands gebruikelijk: ik weun, jee weunt (weun jee?), hee weunt, wee/jullie/sullie weune (wonen).

Werkwoorden van het tweede type zijn gaan, staan, doen. Zij vallen op doordat de eerste persoon enkelvoud onverbogen is: ik doen, ik staan, ik siên, ik gaan etc. Verder is de verbuiging van deze werkwoorden als in het AN: ik doen, jee doet (doe jee?), hee doet, wee/jullie/sullie doen. Nevenvormen als 'wee doene' komen echter voor.

Er zijn natuurlijk ook onregelmatige werkwoorden in het Tessels.

hèwwe weze kenne selle worre ik hei ik bei (ben) ik kei (ken) ik sel ik wor jee het/ hèjje? jee bent/ bèjje? jee ken/ kèjje? jee sel jee wort/ wor je? hee het hee is hee ken hee sel hee wort w/j/s hewwe w/j/s benne w/j/s kenne w/j/s selle w/j/s worre (hebben) (zijn) (kennen/kunnen) (zullen) (worden)

In bovenstaande tabel zien we de vervoeging van enkele van de voornaamste onregelmatige werkwoorden. Merk op dat het werkwoord 'zijn' ontbreekt in het Tessels: het komt er alleen voor als 'weze'. Het Algemeen Nederlandse werkwoord 'zijn' gaat terug op vier oervormen, nl. de werkwoorden wezen, bennen, zijn en *issen. Van het laatste werkwoord is nooit een infinitief overgeleverd. Het Tessels bewaart van deze vier werkwoorden dus enkel wezen, bennen en *issen.

De verleden tijd van werkwoorden kan in het Tessels, net als in het AN, op twee manieren worden gemaakt. De zwakke werkwoorden krijgen naargelang van de laatste klank van de stam een t of een d. Zoals het Nederlands maakt het Tessels hier onderscheid tussen stemhebbende en stemloze medeklinkers ('t kofschip, of, natuurlijk: 't fokschaap). De vorming van de zwakke verleden tijd verschilt in het Tessels dan ook niet opvallend van die in het AN: ik werrek, ik werrekte, ik hei werrekt. Merk op dat het voorvoegsel ge- niet gebruikt wordt.

De sterke werkwoorden kennen we ook in het AN, maar in het Tessels zijn er meer sterke werkwoorden, en een aantal sterke werkwoorden heeft een andere ablaut dan zij in het AN hebben. Zo gaat het werkwoord hellepe (helpen) met de verleden tijd hollep en niet, zoals in het AN, met 'hielp'. Zo ook zwerreve; zworref; het zworreve (ook: zwurref). Eenzelfde verbuiging heeft merreke (merken): hee morrek in plaats van 'hij merkte'. Verder opmerkelijk is de verleden tijd van worre (worden): wier; het worre.

Er is naast sterk en zwak nog een kleine tussengroep van werkwoorden die eigenlijk zwak zijn, maar toch een klinkerverandering kennen. In het AN wordt deze groep vertegenwoordigd door het werkwoord 'zeggen', dat in de verleden tijd zei, zeiden kent. Net als in de algemene Noord-Nederlandse spreektaal kent het Tessels ook van legge en wulle zo'n verleden tijd: leid; het leid, wou; het wulle.

Het lidwoord