UB40 is een reggae- en popgroep uit Birmingham. UB40 werd opgericht in 1978. Tijdens zijn bestaan heeft de band verschillende grote hits gehad, waaronder meerdere nummer 1-noteringen, voornamelijk coverversies. Enkele bekende hits van UB40 zijn "I Got You Babe", "Sing Our Own Song", "Red Red Wine" en "Kingston Town".

Naam en samenstelling De naam UB40 is ontleend aan een voormalig formulier van de Britse sociale dienst om een werkloosheidsuitkering (UB = Unemployment Benefit) aan te vragen. De band heeft een sterk multicultureel karakter, zowel muzikaal als qua afkomst; de leden hebben hun wortels liggen in Engeland, Schotland, Ierland, Jamaica en Jemen.

Bandleden Huidige leden Jimmy Brown – Drums Robin Campbell – Gitaar, zang, keyboard Earl Falconer – basgitaar, synth bass, zang, keyboard Norman Lamont Hassan – Percussie, zang, trombone Laurence Parry – Trompet, bugel, trombone, achtergrondzang Martin Meredith – Altsaxofoon, keyboards, WX7 Matt Doyle – Zang, gitaar Ian Thompson – Tenorsaxofoon, keyboard, percussie Gilly G – Zang (Toasting), achtergrondzang Jahred Gordon – Keyboard, gitaar, bass, saxophone Matt Campbell – Achtergrondzang

Voormalige leden Brian Travers – Tenorsaxofoon Ali Campbell – Zang, gitaar Yomi Babayemi – Percussie Jimmy Lynn – Keyboard Mickey Virtue – Keyboard Astro - Zang (toasting), percussie, trompet Duncan Campbell – Vocals Tony Mullings – keyboards

Voormalige tourneeleden Henry Tenyue – Trombone Patrick Tenyue – Trumpet

Geschiedenis UB40 werd op 1 januari 1978 opgericht door een stel werkloze vrienden die behalve hun jeugd ook een voorliefde voor reggae deelden. Ali Campbell kreeg in een café ruzie met iemand die zijn favoriete muziek afkraakte en tijdens de ontstane vechtpartij verloor hij bijna z'n linkeroog. De schadevergoeding, 4000 pond, die hij kreeg werd gebruikt om de instrumenten van te kopen. Nog voordat ze die überhaupt onder de knie hadden waren Campbell en Travers al bezig om overal posters op te hangen.

Op 9 februari 1979 hadden de Joebies hun eerste optreden op een verjaardagsfeest in een lokale kroeg (de Hare & Hounds). De band bestond dan nog uit de Campbell-broers, Travers, Brown, Falconer en Hassan plus toetsenist Jimmy Lynn en de Nigeriaanse percussionist Tupe Babyemi. Lynn werd al snel vervangen door Michael Virtue terwijl Babayemi terugkeerde naar Nigeria; hij bleef de band volgen en ging later in de Verenigde Staten wonen. Astro was aanvankelijk de roadie die de band aankondigde en af en toe meedeed als praatzingende toaster. Omdat zijn gastoptredens in de smaak vielen bij het publiek kreeg hij in 1980 een vaste plek in de band als trompettist/zanger. Soortgelijke scenario's speelden zich destijds ook af bij Madness en The Specials.

Door regelmatig in het voorprogramma te staan van stad-/streekgenoten The Beat en The Selecter ging de pers ervan uit dat UB40 de volgende band zou worden op het 2 Tone-label van Specials-oprichter Jerry Dammers. UB40 wilde echter niets te maken hebben met de skagolf ("Pure nostalgie") en tekende eerst een contract bij Graduate alvorens een eigen label (DEP International) te starten.

1980-1983 Begin 1980 verscheen hun debuutsingle King/Food for Thought. Later dat jaar volgde het debuutalbum Signing Off. UB40 sneed onderwerpen aan als racisme en werkloosheid, maar bood ook ruimte voor instrumentale nummers en een cover van Randy Newmans I Think It's Going To Rain Today. Als bijsluiter was er een 12 inch bestaande uit Madame Medusa (een aanklacht tegen het beleid van de toenmalige premier Margaret Thatcher), Strange Fruit en Reefer Madness. Deze nummers werden in 1981 samen met onder andere King, Food For Thought en The Earth Dies Screaming gebundeld op The UB 40 File.

UB40 toerde met The Pretenders en bracht in 1981 een tweede studioalbum uit. Present Arms was tevens verkrijgbaar in een dubversie en bracht met het titelnummers en de single One in Ten podiumklassiekers voort. 8 juni 1981 stond UB40 op Pinkpop nadat The Pretenders hadden afgezegd. Ter afsluiting van het festival kwamen de bandleden samen met Madness op het podium bij Ian Dury & The Blockheads.

In 1982 verscheen het album UB44 met de single Love is All is Allright; UB40 toerde onder meer door Afrika en kwam in oktober naar Nederland dat de band al bij het eerste bezoek had omarmd ondertussen. Het muziekprogramma Countdown maakte concertopnamen die begin 1983 werden uitgezonden. Food For Thought haalde dan in een live-uitvoering de Nederlandse Top 40 en de Nationale Hitparade. Op 25 en 26 juni stond de band in het Feijenoordstadion als voorprogramma van David Bowie.

1983-1985 Met het coveralbum Labour of Love ging een langgekoesterde droomwens in vervulling en beleefde UB40 de grote doorbraak. De eerste single Red Red Wine (geschreven door Neil Diamond) werd in september 1983 een nummer 1-hit en liet daarbij in eigen land Madness achter zich. De overige singles op dit album werden Please Don't Make Me Cry, Many Rivers To Cross en Cherry Oh Baby. Ook Labour of Love bereikte de nummer 1-positie en tijdens de Nederlandse tournee van april 1984 kreeg de band een gouden plaat overhandigd.

De opvolger Geffery Morgan, die medio 1984 uitkwam, bevatte weer zelfgeschreven nummers; het anti-Thatchernummer If It Happens Again werd in september Alarmschijf.

1984 werd afgesloten met een Britse kersttournee; tussen de concerten door verleende Ali Campbell zijn medewerking aan de benefietsingle Starvation, een cover van de Jamaicaanse groep The Pioneers waarop ook (ex-)leden van Madness, The Specials en The Beat te horen waren. Starvation werd in januari 1985 uitgebracht, maar wist het succes van Band Aid's Do They Know It's Christmas? niet te evenaren. Als pleister op de wonde doneerde UB40 de opbrengsten van de laatste Afrikaanse tournee.

Wel succesvol was de Sonny & Cher-cover I Got You Babe die de band in 1985 opnam met Pretenders-zangeres Chrissie Hynde; het bracht hen wederom naar de eerste plaats. Het album Baggariddim bracht de hit Don't Break My Heart voort.

1986-1988 In de zomer van 1986 stond UB40 bovenaan de hitlijsten met het anti-apartheidslied Sing Our Own Song; dit was de eerste single van het album Rat in the Kitchen dat later dat jaar uitkwam. Het als opvolger uitgebrachte titelnummer Rat in Mi Kitchen werd door Astro gezongen; de bijbehorende videoclip was in Rusland opgenomen als onderdeel van een concertfilm.

In 1987 bracht UB40 geen nieuwe plaat uit, wel een Best Of en de Jackson Five-cover Maybe Tomorrow. In 1988 scoorde UB40 met samenwerkingsverbanden; Reckless met Afrika Bambaataa en de Dusty Springfield-cover Breakfast in Bed met wederom Chrissie Hynde. Earl Falconer werd veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens het veroorzaken van een aanrijding waarbij z'n broer Pablo Falconer het leven verloor. Bij de promotie van het titelloze album werd hij vervangen door de bassist van afropopband Osibisa.

1989-1990 In 1989 verscheen Labour of Love II, dat ondanks felle kritiek van pers en reggaepuristen wederom een succes werd; er werden ruim zeven singles van getrokken. Here I Am (Come and Take Me) en de nummer 1-hit Kingston Town groeiden uit tot live-favorieten.

In 1990 ging de band de studio in met Robert Palmer om nummers op te nemen voor diens album Don't Explain. De Bob Dylan-cover I'll Be Your Baby Tonight werd een hit.

1993-1995 Pas in 1993 kwam er weer nieuw werk van UB40; op Promises and Lies stonden nummers over de beloftes en leugens uit de jaren waarin Margaret Thatcher aan de macht was. De grootste hit die dit album voortbracht was, naar goed gebruik, een cover; Can't Help Falling in Love.

In 1994 haalden Ali en Robin Campbell de hitlijsten door samen met toaster Pato Banton de Equals-hit Baby Come Back onder handen te nemen.

In 1995, het jaar waarin Ali Campbell zijn eigen platenlabel begon (Kuff Records, later omgedoopt tot Oracabessa) en zijn solodebuut Big Love uitbracht, verscheen er een tweede Best Of UB 40. Naast de hits van de voorbije zeven jaar stonden er ook twee nieuwe nummers op; Superstition van Stevie Wonder en de eigen compositie Until My Dying Day.

1997-2000 In 1997 verscheen de echte opvolger van Promises & Lies; Guns in the Ghetto; de eerste single van dit album was "Tell Me Is It True". In het titelnummer kwam Ali Campbell met de waarschuwing "Young guns don't grow old!"

In 1998 kwamen er twee albums uit; UB 40 Present the Dancehall Album (waarop diverse artiesten uit het genre te horen zijn) en Labour of Love III. Holly Holy (wederom geschreven door Neil Diamond), Come Back Darling (geschreven door Johnny Osbourne) en The Train Is Coming werden op single uitgebracht maar konden de grote successen niet meer evenaren. De optredens daarentegen waren nog wel hits; in april 1999 kwam de band naar Nederland voor twee uitverkochte Ahoy-concerten. Ali Campbell en Brian Travers werden door Bridget Maasland geïnterviewd voor de toenmalige clipzender TMF. Op 11 juli was UB40 weer in Nederland voor een openluchtconcert in Goffertpark in Nijmegen.

In 2000 kwam er een nieuwe Best Of met daarop de Doors-cover Light My Fire. Ter promotie toerde UB40 in november als hoofdact op Night of the Proms.

2001-2007 In 2001 vierde de band haar 21-jarig platenjubileum met een concert in het Goffertstadion in Nijmegen. Daarna vond er een wereldtournee plaats ter promotie van het nieuwe album Cover Up, waarvan het titelnummer in opdracht van de Verenigde Naties was geschreven. The Pretenders gingen ook mee, alleen waren zij nu het voorprogramma. Op 1 december gaf UB40 een Wereldaidsdag-concert in Spanje.

Na vier jaar in de planning verscheen in 2002 UB 40 Present the Fathers of Reggae, een soort omgekeerd Labour of Love waarop klassiekers van de band opnieuw worden ingezongen door reggae-veteranen. Datzelfde jaar nam UB40 tijdens het Montreux Jazz Festival een live-dvd op.

In 2003 kwam er weer nieuw materiaal uit, Homegrown; in december nam UB40 de dvd Homegrown in Holland op tijdens de drie Kerstconcerten in Ahoy.

In 2005 verscheem het album Who You Fightin' For? waarop de Manhattans-hit Kiss and Say Goodbye werd gecoverd,

In juli 2007 toerde UB40 door Zuid-Afrika en gaf daarbij op 07-07-07 een 54 minuten durend concert op Live Earth vlak bij Johannesburg (Wieg van de mensheid).

De beide Best Of's werden verzameld op The Dutch Collection. Eind 2007 gaf UB40 vier concerten in Nederland; drie in een uitverkocht Ahoy en een in Apeldoorn.

2008-2010; vertrek Ali Campbell en Michael Virtue thumb|left|Ali Campbell in 2012 Begin 2008 bracht Ali Campbell zijn tweede solo-album uit; op Running Free stonden duetten met Lily Allen, Katie Melua, Bitty McLean en broer Robin. Met Mick Hucknall zong hij de Smokey Robinson-hit Being With You.

Op 24 januari 2008 werd bekendgemaakt dat Ali Campbell de band ging verlaten en dat hij, tegen zijn belofte in, een solotournee had gepland. In februari gaf hij zijn laatste optredens met UB40 in Australië, Nieuw-Zeeland en Oeganda. Over het waarom van zijn vertrek zei Campbell het volgende:

"Ik kan me niet vinden in de zakelijke beslissingen die er in de afgelopen jaren zijn gemaakt, daarom ben ik uit de band gestapt; ik had geen keus. Het is lullig voor de fans die ons in al die jaren door dik en dun hebben gesteund, maar ik weet zeker dat UB40 ook zonder mij succesvol zal blijven; ze zijn al 28 jaar als familie voor me en ze zullen altijd mijn broeders blijven".

De anderen distantieerden zich van deze uitspraak en kwamen met een persverklaring die zich liet samenvatten in het volgende: "Ali heeft voor zijn solocarrière gekozen en wil niet langer met UB40 werken".

Niet veel later vertrok ook Michael Virtue uit onvrede met het management; hij sloot zich aan bij de Ali Campbell en zou daar tot 2018 blijven spelen. De overige leden verbraken alle banden met Ali Campbell en concerten werden voortaan zorgvuldig gepland.