Louis Constant Westenenk (Semarang, 3 februari 1872 - Wassenaar, 2 mei 1930) was een Nederlands diplomaat, taalkundige en bestuursambtenaar. Hij was ridder in de Militaire Willems-Orde, ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Familie Westenenk was een lid van het in 1942 in het Nederland's Patriciaat opgenomen geslacht Westenenk. Hij was de zoon van de planter Jan Constantijn Westenenk (1827-1894) en Françoise Josephine Emilie Louise Wardenaar (1839-1905). Hij groeide op bij zijn tante, Philippine Henriette Westenenk (1830-1893), in Deventer, getrouwd met de arts dr. Jacobus ten Sijthoff (1815-1885).

Hij trouwde in 1897 met Ada Joanna Adriana Nering Bögel (1870-1928); uit dit huwelijk werden vier kinderen geboren. Hij hertrouwde in 1929 Digna Nering Bögel (1890-1959); uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.Nederland's Patriciaat 28 (1942), p. 344-347.

Loopbaan Vroege loopbaan Westenenk stond bekend als de algemeen erkende Indisch specialist op het gebied van de Minangkabau, sprak die taal vloeiend en was bekend met de adat van het volk. Hij studeerde in Delft Indologie en vertrok na zijn grootambtenaarexamen in 1892 per stoomschip Batavia naar Nederlands-Indië. Aldaar werd hij ter beschikking gesteld van de directeur van het binnenlands bestuur om werkzaam te worden gesteld in het binnenlandse bestuur.Algemeen Handelsblad, 20 december 1892 Hij werd vervolgens als ambtenaar voor de burgerlijke dienst toegevoegd aan de controleur van de controleafdeling Noord-Bandoeng, afdeling Bandoeng.Java-bode, 24 december 1892 In april 1893 werd hij bevorderd tot controleur der tweede klasseJava-bode, 29 april 1893 en vervolgens overgeplaatst van de residentie Soerabaja naar de residentie Lampongse districten.De Tijd, 6 juli 1893 In september 1895 kreeg hij het bestuur over de onderafdeling Semitau, afdeling Sintang en daarnaast het bestuur over de onderafdeling Boven-Kapoeas (Borneo).Bataviasch Nieuwsblad, 30 september 1895

Verwikkelingen te Sintang thumb|left|300px|Sintang De hoofdpersoon in de onlusten te Sintang in 1896, Raden Pakoe, stond bij het gouvernement niet zeer gunstig bekend, hoewel hij wel enige diensten had bewezen. Hij werd door resident Tromp te Pontianak geïnterneerd en onder toezicht gesteld, terwijl zijn vrouw en kinderen te Sintang bleven. Raden Pakoe vroeg en kreeg verlof om deze te Sintang te bezoeken maar ontdekte aldaar dat vrouw en kinderen naar een negorij aan de Melawi waren vertrokken. Hij reisde hen vervolgens na en liet aan de controleur weten dat hij niet van plan was terug te keren. Aan de rivier Melawi had hij veel invloed, zodat al snel twee grote Dajakse stammen zijn kant kozen en de streek in volle opstand was. De resident, van Sintang komend, wilde er 25 man heensturen maar na overleg met het militair commando aldaar werd er uiteindelijk 75 man en een veldstuk gezonden. Behalve de resident en majoor La Feber gingen ook een kapitein, een luitenant en een arts mee. Aangezien de opstand groter bleek dan eerst gedacht werd er versterking gevraagd en uiteindelijk was er 250 man ter plaatse.

De Tebidah-Dajaks werden opgeroepen tegen hun eerdere vijanden onder commando van Westerenk dienst te doen als hulptroepen. Raden Pakoe gaf zich, nadat zijn bende een verlies van vijf doden en vier gewonden had geleden, de 21ste april met de rest van de bende over aan Westenenk, die met pradjoerits en een bevolkingspatrouille de versterkte woning aan de Lemasan had omsingeld.De Tijd, 7 mei 1896Het Nieuws van de Dag: kleine courant, 14 maart 1896 Voor zijn optreden als controleur in de westerafdeling van Borneo werd hij bij Koninklijk Besluit van 5 december 1896 nummer 51 benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde; dat was met name omdat hij de opstandige Raden Pakoe gevangen wist te nemen. Raden Pakoe werd naar Batavia overgebracht maar acht van zijn zonen zwoeren wraak.De Tijd, 25 maart 1897 Westenenk werd in juli 1897 benoemd tot controleur van de onderafdeling 50 (L) kotta's (Borneo) en werd aan het einde van dat jaar overgeplaatst naar het gouvernement aan de westkust van Sumatra.De Locomotief, 18 juni 1897 Aldaar deed hij met zijn paarden mee aan de Padangse paardenraces'De Padangse races', in De Locomotief, 9 juni 1898 en was hij buitengewoon substituutgriffier buiten bezwaar van den lande bij de rechtbank te Pajakombo.Soerabajasch Handelsblad, 13 juni 1898 In deze tijd schreef hij in het Tijdschrift voor Inlandse Taal- Land- en VolkenkundeAflevering 3 en 4, deel XLI, onder redactie van dr. J.H. Abendanon en dr. L. Serrurier een artikel Bijdrage tot de kennis der folklore van West-Borneo en in het Bataviaasch Nieuwsblad een stuk getiteld: De folklore van West-Borneo.'De folklore van West-Borneo door L.C. Westenenk', in Bataviaasch Nieuwsblad, 29 september 1899 Hij was tevens lid van het Bataviaasch Genootschap.

Activiteiten op Sumatra thumb|right|350px|Westkust van Sumatra Westenenk werd in september 1900 overgeplaatst naar het bestuur over de onderafdeling, gebied buiten de sagi's (Blora Atjeh), en ter beschikking gesteld van de assistent-resident van Groot-Atjeh M. Fosch.Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 3 september 1900 In januari 1901 werd hij overgeplaatst naar de onderafdeling Idi en belast met het bestuur over deze onderafdeling. Hij kwam toen in conflict met gouverneur-generaal J.B. van Heutsz omdat in Idi een opstand was uitgebroken. Westenenk werd overgeplaatst naar Koetaradja in Atjeh en werd in juni 1902 benoemd tot controleur van Oelèëlheuë.Het Nieuws van de Dag: kleine courant, 13 juni 1902 Daar verzoenden de gouverneur en de controleur zich weer. Aan het einde van het jaar 1902 verzocht Westenenk om een jaar verlof wegens langdurige dienstHet Nieuws van de Dag: kleine Courant, 17 december 1902 en vertrok op 4 februari 1903 van Batavia per stoomschip Prinses Sophie.Het Nieuws van de Dag: kleine courant, 3 maart 1913 In Nederland verbleef hij te Deventer en ondertekende mede het gelukstelegram voor generaal Van Heutsz en het Indische leger.'Telegram generaal Van Heutsz', in Algemeen Handelsblad, 9 september 1903 In mei 1904 werd het verlof van Westenenk verlengd met zes maanden en op 10 december 1904 vertrok hij met het stoomschip Sindoro terug naar Indië.Algemeen Handelsblad, 12 december 1904 Hij gaf in deze tijd een boekje uit, getiteld Atjehsche Tolk, een beknopte handleiding van de Atjehse taalSoerabajasch Dagblad, 13 februari 1904 en schreef een artikel in het Weekblad voor Indië, Tentoonstelling voor Menangkabausche nijverheid en kunst te Fort de Kock. Terug in Indië werd hij geplaatst te Koebangman Doea en belast met het bestuur over de onderafdeling Soepajang in de Padangse Bovenlanden.Algemeen Handelsblad, 30 maart 1905

Bij gouvernementsbesluit van 30 mei 1906 werd Toekoe Amir, de oudste zoon van de sultan van Asahan, residentie oostkust van Sumatra, ter beschikking gesteld van de gouverneur van Sumatra's Westkust, om onder leiding van Westenenk zich vertrouwd te maken met bestuurswerkzaamheden.'Opleiding voor de regeringstaak', in Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 11 juni 1906 Hij schreef diverse artikelen in deze tijd, vooral in het Weekblad voor Indië (De boeaja's en De tweede Pakam Malam te Fort de Kock). Datzelfde jaar (1907) kreeg hij een tevredenheidsbetuiging van de regering voor de bijzondere toewijding bij de vervulling van zijn ambtsplichten.'Tevredenheidsbetuiging', in Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 7 november 1907 Tijdens de belastingongeregeldheden in 1907 was hij werkzaam als controleur in de afdeling Agam en had hij een groot aandeel in de op de ongeregeldheden gevolgde hervormingen aan de westkust.'L.C. Westenenk. Een van onze grote koloniale figuren is heengegaan', in het Leeuwarder Nieuwsblad, 6 mei 1930 In de nacht van de 15de op de 16de juni stond Westenenk met zijn militairen van het depotbataljon van Fort de Kock tegenover meer dan 1.000 in het wit geklede fanatici, onder wie zich ook vrouwen bevonden. In deze "nacht van Kempang" (in Tropisch Nederland beschreven door Charles Boissevain) deed deze massa tien opvolgende aanvallen, waarbij 7 militairen werden gedood en 14 gewond.'Het lid van de Raad van Indië L.C. Westenenk', in De Sumatra Post, 18 juli 1924

Voor zijn moedige optreden in deze periode werd Westenenk bij Koninklijk Besluit van 10 november 1909 nummer 47 benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau (eerder dat jaar was hij al benoemd tot ridder in die Orde).De Tijd, 13 november 1909Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 3 mei 1909 Hij vatte in deze tijd het plan op om de Olympische Spelen ook in Indië te houden en vroeg zich in een tijdschrift af: Zouden niet alle belangrijke sportverenigingen, lichamen en huizen die er belang bij hebben geldelijke steun willen bieden?Soerabaijasche Courant, 8 december 1908

Inspecteur-generaal thumb|left|300px|Westenenk werd benoemd tot inspecteur-generaal in het Ottomaanse rijk Westenenk werd vervolgens benoemd tot waarnemend assistent-resident van Tanah Datar (Padangse Bovenlanden) en kreeg in juni 1910 een vier maanden durend buitenlands verlof.De Sumatra Post, 16 maart 1910 Tijdens dit verlof nam hij twee Maleise onderwijzers mee naar Nederland en gaf hen voorspraak voor vrijstelling van het toelatingsexamen voor de normaallessen te Deventer.'Sumatranen in Nederland', in De Sumatra Post, 24 oktober 1910 In 1911 riep hij een vergadering bijeen te Fort van der Capellen van inlandse hoofden en ambtenaren ter bespreking van een algemene vervanging van te verrichten herendiensten door een geldelijke betaling.'Herendiensten', in de Sumatra Post, 26 augustus 1911 In 1913 exposeerde hij zijn collectie antieke en dan hedendaagse Menangkabaukunst in museumgebouw De Waag in DeventerHet Nieuws van de Dag: kleine courant, 22 juli 1913 en schreef hij het artikel Opstellen over Menangkabau in het Tijdschrift voor Indische Taal- Land en Volkenkunde.Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 21 april 1913 In 1914 werd Westenenk, dan op verlof in Nederland, benoemd tot een van de twee inspecteur-generaals in het Ottomaanse rijk, waar hij toezicht moest houden in het gebied waar veel Armeniërs leefden. In de buitenwereld waren de eerste berichten over de onderdrukking en de massamoord op de Armeense bevolking al in 1894 doorgedrongen en waarnemers uit kleinere landen kwamen, nadat een aantal grote mogendheden druk op het Ottomaanse rijk had uitgeoefend, poolshoogte nemen. Hij werd op 19 april 1914 bij de Ottomaanse gezant bij het Nederlandse hof ontvangen die hem officieel mededeling deed dat de keuze van zijn regering voor de functie van inspecteur-generaal op hem gevallen was.Bataviaasch Nieuwsblad, 18 mei 1914 De week erop vertrok Westenenk naar Constantinopel om besprekingen te houden met de Ottomaanse regering;'L.C. Westenenk', in het Bataviaasch Nieuwsblad, 18 mei 1914 Hij reisde per Duitse trein op 29 juni met zijn vrouw naar Constantinopel af.'L.C. Westenenk', in Algemeen Handelsblad, 30 juni 1914