Marie Christina van Zeggelen (Den Haag, 8 juli 1870 – Huizen, 15 juli 1957) was een Nederlandse schrijfster die veel over Nederlands-Indië heeft geschreven.
Biografie thumb|Marie van Zeggelen Van Zeggelen groeide op in een artistiek milieu in Den Haag. Haar vader was de bekende volksdichter en industrieel W.J. van Zeggelen. In 1834 had hij samen met zijn vriend S. van der Bergh het Haags letterkundig gezelschap Oefening kweekt Kennis opgericht waarvan onder andere ook Haverschmidt, Beets, Jan Jacob Lodewijk ten Kate en Isaäc Da Costa lid waren. Maries moeder was een kind van de bekende schilder Jacob Mastenbroek. Met zulke ouders kon het niet uitblijven dat aan de artistieke vorming van Marie veel aandacht werd besteed. Al op veertienjarige leeftijd ging zij naar de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Haar aandacht ging vooral uit naar de schilderkunst. Een groot voorrecht was het voor haar te mogen werken op het atelier van de schilder-etser Philip Zilcken. Hier heeft ze ook Marius Bauer ontmoet, voor wiens werk zij grote bewondering had, en die later een van haar boeken zou illustreren.
Na een aantal moeilijke jaren ontmoette Van Zeggelen op een van de vele Haagse feestjes de officier H.A. Kooij met wie zij op 18 april 1890 in het huwelijk trad. Ze hoopte dat een huwelijk in de tropen haar geluk zou brengen en op 21 juni van dat jaar vertrok ze met haar kersverse echtgenoot aan boord van de 'Prins Hendrik' naar Nederlands-Indië. Helaas bleef het geluk in de tropen voor haar de eerste jaren uit. Ze was in die tijd erg ontevreden met haar Indische bestaan. In Indië kwam ze terecht in de coterietjes van Europeaanse officiersvrouwen die in een besloten kringetje leefden. De mannen waren veel van huis en contact met de inheemse bevolking was er geheel niet bij.
Van Zeggelen had grote moeite met het garnizoensleven. De verplichte feestjes en recepties, de strenge sociale controle en de hiërarchische orde vielen haar zwaar. Vrouwen die uit een intellectuele en artistieke omgeving kwamen, misten hier volgens haar alles. "Het is verschrikkelijk groen, dat eeuwige thuis zitten tussen de witgekalkte muren, de vervelende visites bij wildvreemden, de onbeduidende praatjes, de totale afwezigheid van alles wat kunst is...". Ze voelde zich nutteloos in Indië en had een sterke heimwee naar Holland. Ze was van plan geweest in Indië te gaan tekenen en schilderen maar de natuur in Indië kon haar niet inspireren. Te midden van de prachtigste bergnatuur droomde ze van de "goddelijke mooie hei", van dennenbossen en "tere berkenlaantjes".
Bovendien had ze geen tijd om zich ergens te kunnen wortelen. Als vrouw van een officier moest zij met haar man meereizen van garnizoen naar garnizoen. Gedurende de periode dat ze in Indië verbleef heeft Van Zeggelen drieëntwintig maal moeten verhuizen. Ze woonde de eerste jaren onder andere op Borneo, Benkoelen en in vele plaatsen op Java. Ze voelde zich letterlijk een zwervelinge. "Wij waren als rijstkorreltjes die in de gaarkeuken van het gouvernement steeds weer door elkaar werden geschud."
In 1897 overleed haar pasgeboren kind en kreeg zij te horen dat ze nooit meer kinderen zou kunnen krijgen. Uit verdriet en uit verveling is zij toen verhaaltjes gaan schrijven voor de kinderen van haar halfbroer Thé. Deze verhaaltjes kwamen onder ogen van Nellie van Kol, de vrouw van Henri van Kol, de Indië-specialist van de SDAP. Zij zorgde ervoor dat enkele verhaaltjes gepubliceerd werden in Ons blaadje, een weekblad voor kinderen onder redactie van Van Kol. Haar eerste verhaaltje verscheen in 1901 onder de titel Rama.
In de zomer van 1906 volgde Van Zeggelen haar echtgenoot naar Celebes. Het voorafgaande jaar had hij meegewerkt aan de zogeheten 'pacificatie' van het zuidelijke deel van Celebes. Toen de opstandige vorst van Boni gevangen werd genomen, achtte kapitein Kooij het op Celebes veilig genoeg om zijn vrouw van Java te laten overkomen. Hij was inmiddels, door zijn grote verdiensten in de oorlog, tot civiel gezaghebber van Watansoppeng in het landschap Soppeng benoemd. Daar zou het echtpaar de komende anderhalf jaar wonen, te midden van de pas gepacificeerde bevolking van Soppeng die waarschijnlijk nog nooit een blanke vrouw had gezien.
Het verblijf op Celebes beviel Van Zeggelen veel beter dan het leven in de Europese gemeenschap op Java. Hier kwam zij voor het eerst in contact met de inlandse bevolking en ongehinderd door het Europese gemeenschapsleven ontdekte ze een ander Indië dan dat zij op Java gekend had. Hier had ze het gevoel nuttig te zijn. Het leven was er primitief en de bivak te Watansoppeng was alleen te voet of te paard bereikbaar. Haar enige Europese contacten waren met twee officiersvrouwen, van wie er een weer binnen korte tijd vertrok omdat ze het leven in de jungle niet aankon.
Omdat de mannen vijftien dagen in de maand op patrouille waren om kampongs te inspecteren was Van Zeggelen veelal alleen thuis. Die tijd besteedde zij goed. Hier in Soppeng was de band met het personeel veel sterker dan op Java en het contact met de plaatselijke bevolking was makkelijk. Zij woonde tegenover het dorpshoofd, de datoe, die zo nu en dan met haar hele gevolg kwam opzoeken. Het hele dorp liep dan leeg om bij dit bezoek aanwezig te zijn.
Van Zeggelen bestudeerde de zeden, gebruiken en legendes van de Boeginezen, het volk van Soppeng. Zij liet zich veel verhalen vertellen en ze trachtte in hun denk- en gevoelswereld door te dringen. Ze voelde een sterke genegenheid voor hen, vooral voor de kinderen en oude mensen, de armen en de havelozen. Ze keek niet op hen neer, maar ging juist van hen houden, ook al waren het 'onderworpenen'. De verhouding tussen de Europeanen en de onderworpen bevolking vond Van Zeggelen interessant. Zij leefde zich in de situatie van de Boeginezen in en in haar boeken beschreef ze de confrontatie tussen Europeanen en Boeginezen vanuit de ogen van de laatsten. De Europeanen schilderde ze hierbij af als vreemdelingen en indringers in een traditionele maatschappij. Van Zeggelen schaamde zich voor het onrecht dat de bevolking werd aangedaan in naam van de 'pacificatie', die met veel geweld gepaard was gegaan. Toch had ze ook kritiek op die traditionele samenleving. Zij hekelde vooral het opiumgebruik en het dobbelspel.
In 1907 werd kapitein Kooij ziek en zag het echtpaar zich genoodzaakt Soppeng te verlaten. Zij had het er erg naar haar zin gehad en ondanks het onrecht had zij gezien dat de Hollanders er veel goeds hadden gedaan. Over het algemeen was zij zeer tevreden geweest over haar verblijf in Watensoppeng. In betrekkelijk korte tijd had ze veel in zich opgenomen waarop zij later heeft kunnen teren. Die twee jaar in Zuid-Celebes hadden een onvergetelijke indruk op haar gemaakt en het afscheid viel haar dan ook erg zwaar.
Terug op Java kwam Van Zeggelen weer terecht in het lege leven van de officiersvrouwenkliek. "Toen werd het leven weer zo leeg." Maar dit leven ging zij nu vullen met het schrijven van verhalen. Voor haar was schrijven een vlucht uit de dorheid van het Indische leven in een wereld die zij zelf uit werkelijkheid en verbeelding had opgebouwd. Haar ervaringen op Celebes kon zij nu mooi gebruiken.Daar had ze de inlandse bevolking van dichtbij meegemaakt. Terug op Java wilde ze iets voor hen doen. Ze werd actief in een aantal organisaties die voor de ontwikkeling van de bevolking ijverden en richtte bovendien zelf enige verenigingen op.
Hiermee sloot ze zich aan bij de heersende politieke opvattingen die er rond de eeuwwisseling in Nederlands-Indië heersten, de ethische politiek. Deze politiek was onder andere gericht op het ontwikkelen van het Indonesische volk in de richting van zelfbestuur onder Nederlandse leiding en naar westers model. Dit ging het best via scholing van de Indonesische jeugd. Van Zeggelens belangstelling ging altijd al erg uit naar de jeugd. Veel van haar boeken zijn jeugdboeken. Het is daarom niet verwonderlijk dat ze zich inzette voor de vereniging van vakantiekoloniën, die zij in 1908 had heropgericht. Ook stond zij soms zelf voor de klas zoals in Kota Radja, waar ze les gaf aan de kleuters en peuters van het bataljonsschooltje.
Erg belangrijk was het voor haar dat jongens en meisjes gelijke kansen kregen in het onderwijs. Ze was een groot bewonderaarster van Raden Adjeng Kartini, het Javaanse prinsesje dat tijdens haar korte leven furore had gemaakt door zich in te zetten voor de rechten van de Javaanse vrouw. Van Zeggelen schreef tijdens de Tweede Wereldoorlog een biografie van Kartini, die in 1946 verscheen.
In 1912 richtte Van Zeggelen met onder anderen Charlotte Jacobs de Vereeniging Steun Onderwijs Vrouwelijke Inlandsche Artsen (SOVIA) op, een studiefonds voor de opleiding van vrouwelijke inlandse artsen, om inlandse meisjes die de Docter Djawa-school wilden volgen daartoe financieel de gelegenheid te geven. Van Zeggelen werd secretaresse van SOVIA. Terug in Nederland werd zij de secretaresse van de Kartinistichting.
Door al haar activiteiten kwam zij in een selecte kring van schrijvers en schrijfsters, geleerden en politici die het gevoel gehad moeten hebben bij elkaar te horen. Het was de 'ethische bewogenheid' die hen bond. Augusta de Wit, de Van Deventers, de Van Kols, de Abendanons, Christiaan Snoeck Hurgronje en nog wat anderen kwamen elkaar steeds weer tegen en stimuleerden elkaar. Deze groep hielp elkaar tot in Nederland toe. Toen Van Zeggelen in 1916 weer terug was in Nederland, werd zij direct door Nellie van Kol gevraagd zitting te nemen in de redactie van het vrouwenblad De Hollandsche Lelie. Al eerder had ze zich ingezet voor de positie van de vrouw. Als secretaresse van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht in Batavia voerde zij de redactie van het orgaan van deze vereniging, De vrouw in Indië, een bijblad van het Bataafs Nieuwsblad.
Ook heeft Van Zeggelen zich ingezet voor de koloniale subcommissie van de grote tentoonstelling De Vrouw 1813-1913. Het plan was een poppententoonstelling in te richten, maar Van Zeggelen was daar erg tegen. "Kindertjes wier moeders de inlandsche kleertjes verwisseld hebben voor Hollandsche kinderjurkjes en lelijk bebloemde hoedjes. Dat is waarlijk geen vooruitgang." Nee, ze wilde een Indisch huis op ware grootte nabootsen, "waarin men de Europese vrouw zal kunnen zien te midden van al haar bedienden." De heer en mevrouw Van Deventer, die erg met haar plan waren ingenomen, zouden er alles aan doen haar die ruimte te verzekeren, want er waren problemen gerezen omdat freule De la Bassecourcaen al te veel ruimte voor de zending had ingenomen. Mensen die geld hadden gegeven voor dit idee kregen een bedankje.
In de zomer van 1916 keerde Van Zeggelen definitief terug naar Nederland, nadat haar man na het volbrengen van zijn diensttijd eervol ontslag had gekregen. In 1921 scheidden zij. Terug in Nederland zette Van Zeggelen zich in voor allerlei verenigingen en redacties, waarvan hierboven al enkele zijn genoemd. Na 1924 schreef zij vooral nog historische romans die zich in Nederland afspeelden. Toch liet Indië haar niet helemaal los. In 1935 verscheen Oude Glorie, een boek over de geschiedenis van Atjeh. De kroon op haar werk was de biografie van Kartini, waarvan Jef Notermans zei dat in dit boek onmiskenbaar haar liefde voor een idealistische vrouw als Raden Adjeng Kartini en haar Javaanse volk tot uiting komt. Tijdens de oorlog las ze dit boek voor aan Annie Salomons die haar omschreef als "een precieus fijn dametje, als een porseleinen poppetje uit de rococo tijd, met een lieve zachte stem en sierlijke gebaartjes."
Van Zeggelen overleed een week na haar 87e verjaardag. Ze ligt begraven in Den Haag op begraafplaats Oud Eik en Duinen.
Bijzonderheden over de boeken van Marie van Zeggelen