thumb|400px|Kloosterkaart Groningen.

Het klooster Bloemhof, met de Latijnse naam Floridus Hortus, was een klooster in Wittewierum in de huidige Nederlandse provincie Groningen. Het werd gesticht in 1213 en behoorde tot de orde van de premonstratenzers. Het klooster lag op en rond een wierde aan de rechteroever van de Fivel. Het klooster zou volgens Van der Aa een omvang van 5 hectare hebben gehad.Van der Aa, A.J. (1849), Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, Twaalfde Deel. pp. 532-533

In het klooster werd de Kroniek van Bloemhof geschreven, die de vroege geschiedenis van het klooster beschrijft. Deze kroniek is opgetekend door de vroegste abten Emo en Menko en een onbekende 'continuator'. Twee manuscripten van de kroniek (een Groningse en een Friese) zijn in het bezit van de Universiteitsbibliotheek Groningen.

Geschiedenis Voorgeschiedenis In 1204 werd door Emo van Romerswerf op zijn land het benedictijnenklooster Romerswerf (Nijenklooster) gesticht. Hij overlegde vervolgens met het klooster Feldwerd (Oldenklooster) over het werven van monniken, hetgeen echter niet echt lukte. In 1208 trad zijn neef Emo van Huizinge, die gestudeerd had in Parijs, Orléans en Oxford en vervolgens pastoor van Huizinge was geweest, in dit klooster in. Hij vertrok vervolgens naar Rome om erkenning van bisschop Otto I van Münster te krijgen voor het door zijn neef gestichte klooster Romerswerf en om zich aan te mogen sluiten bij de orde van de premonstratenzers (norbertijnen) van de Abdij van Prémontré. De abt van het Stift VarlarGelegen bij Rosendahl in het Münsterland. Sedert de opheffing van dit klooster in 1803 staat op de plaats ervan een adellijk kasteel. verleende beide Emo's vervolgens het priesterkleed. Vervolgens werd Emo van Huizinge in 1209 proost van Romerswerf.

Op 23 juni 1211 werd de bestaande (waarschijnlijk houten) kerk van Wierum (het latere Wittewierum) door een meerderheid van de kerkvoogden (patroons) geschonken aan het klooster van Romerswerf met als doel er ook een klooster te stichten.Volgens een andere bron werd de eerste houten kerk van Wierum pas in 1228 gebouwd. Mogelijk is dit een verwisseling met het jaar 1218, toen volgens de kroniek op 18 maart de kerk opnieuw geschonken werd aan het klooster, ditmaal echter door alle kerkvoogden (Janse en Jansen, 1991, p. 53). Volgens de kroniek werden in 1228 de koorbanken gemaakt. Ernestus, een van de kerkvoogden van Wierum, was het hier echter niet mee eens en bisschop Otto I van Münster stelde hem hierbij in het gelijk, waarop de kloosterlingen in beroep gingen tegen dit besluit. Emo van Huizinge trok in het kader hiervan op 9 november 1211 naar paus Innocentius III in Rome, die op zijn beurt hem en de andere kerkvoogden van Wierum in het gelijk stelde. In ruil hiervoor werd een minnelijke schikking getroffen met de zoon van Ernestus.Waarschijnlijk kreeg hij een prebende als pastoor in Loppersum. In de kroniek uit Emo zijn angst dat deze schikking simonie zou kunnen zijn net als zijn eis dat intredende kloosterlingen voor hun intrede een som geld moesten betalen. Hij was onder andere bang dat de Sint-Marcellusvloed een gevolg zou kunnen zijn van deze simonie.

Bouw van klooster en kerk thumb|350px|Uitsnede van een tekening van de kerk van Wittewierum met een voorstelling van de kloosterkerk vóór 1604.De tekening is op basis van het watermerk gedateerd in de periode 1750-1850. Aan de betrouwbaarheid van de tekening wordt vanwege de grote tijdspanne (1604-ca. 1800) getwijfeld. Mogelijk heeft de tekenaar een van de plattegronden van de kerk uit begin 17e eeuw voor de tekening gebruikt. Het zou echter ook een herdruk kunnen zijn van een oudere tekening.

Daarop vertrokken de aanwezige monniken uit Romerswerf tussen 1213 en 1214 naar Wierum om te beginnen met de bouw van het nieuwe klooster, dat deels werd aangelegd in de drooggevallen bedding van de dichtgeslibde Fivel. De nonnen bleven achter in Romerswerf, dat voortaan Rozenkamp (Campus Rosarum) werd genoemd. In 1214 kreeg het nieuwe premonstratenzerklooster de naam Bloemhof (Floridus Hortus). Emo werd overigens pas op 23 mei 1225 aangesteld als abt van het klooster. Een jaar later overleed zijn neef Emo van Romerswerf. Emo van Huizinge en zijn opvolgers schreven over het klooster Bloemhof en de omstandigheden in die tijd de beroemd geworden kroniek van Bloemhof. Deze kroniek omspant de periode 1203 tot 1290 en vormt daarmee de belangrijkste bron over de Ommelanden in de 13e eeuw.

Op 1 november 1217 sloot het klooster zich formeel aan bij de premonstratenzers. De monniken ondervonden tegenwerking van de dorpsheer Ernestus, die er aanvankelijk op uit was zijn zoon tot pastoor te laten kiezen, maar uiteindelijk genoegen nam met een schadevergoeding. Later zette Ernestus zijn zinnen op de proosdij Loppersum, waarvoor hij een complete oorlog ontketende. In de jaren 1220 raakte het klooster in grote problemen nadat bisschop Dirk III (Dietrich, Diederik) van Münster, de opvolger van Otto I, de krijgszuchtige abt Herderik van Schildwolde tegen de wil van paus Honorius III had aangesteld als zijn officiaal (gemachtigde). Herderik van Schildwolde moest niets van Emo hebben en hij wist in 1224 Dirk III zover te krijgen dat deze eigenmachtig de banvloek uitsprak over Bloemhof. Emo reisde daarop naar Rome, waar Honorius III de banvloek onwettig verklaarde. Omdat Dirk III en Herderik zich niets van de paus aantrokken, sprak Honorius III eerst de banvloek uit over Dirk III en omdat Herderik zich er toen nog niets van aantrok stuurde Honorius III vervolgens zijn pauselijke legaat, kardinaal Konrad von Urbach naar het gebied en deed ook Herderik in de ban. Deze bleef echter volharden, maar werd uiteindelijk uit klooster Mariagenade verdreven door de Schildwolders.

Dirk III sloot vervolgens vrede met Emo. In 1225 wijdde hij de houten kerk van Wierum tot abdij. Daarop begonnen de voorbereidingen voor de bouw van een nieuwe stenen kloosterkerk, waarschijnlijk naar voorbeeld van het moederklooster in Prémontre. In 1227 werd de slotgracht voltooid en in 1235 werd begonnen met het bakken van stenen. Met het aftichelen van met name knipklei waren de monniken overigens al rond 1220 begonnen op percelen van daarvoor toestemming verlenende boeren in de buurt van Winneweer. De kalkarme en ijzerrijke knipklei leverde de kenmerkende rode kloostermoppen op die voor het klooster en de kerk werden gebakken. Tussen 1238 en 1259 verrees deze abdij met klokkentoren. Het klooster omvatte naast de kerk met sacristie en kruisgang een refter, keuken, kapittelzaal, hospitium (voor pelgrims en andere gasten), dormitorium, scriptorium (schrijfatelier), boekerij (bibliotheek), werkvertrekken (voor bijvoorbeeld timmerwerk en smeedwerk) en een school. De boekerij zou afgaande op citaten van kerkvaders en theologen een behoorlijke omvang hebben gehad en over ten minste 100 boeken hebben beschikt. De boekerij werd tijdens de Saksische Vete in 1515 door plunderende Saksische benden in brand gestoken, maar de kroniek bleef daarbij behouden en is daarmee het enige premonstratenzer handschrift uit Groningen dat bewaard gebleven is.Vries, pp. 100-101. De abdijschool werd, waarschijnlijk na klachten van de circatoren in opdracht van de heer van Prémontre en de definitoren in 1276 verplaatst naar Westeremden, waar zich al een parochieschool bevond.

Verdere geschiedenis In 1290 werd een visitatie uitgevoerd in opdracht van de abt van Prémontré onder leiding van de abt van Bloemhof en de proost van Schildwolde waarbij nagegaan werd hoeveel kloosterlingen er nog in de premonstratenzer kloosters aanwezig waren. Volgens de kroniek van Sibrandus Leo waren er in het klooster Bloemhof en Rozenkamp toen gezamenlijk mille kloosterlingen aanwezig. Dit aantal wordt doorgaans vastgesteld als '1000 kloosterlingen', maar dit aantal wordt ook vaak onrealistisch hoog genoemd. Het zou kunnen dat het gaat om beide kloosters met alle voorwerken en bijbehorende dorpen, maar evengoed zou de Latijnse bijbetekenis 'ondefinieerbaar veel' kunnen zijn bedoeld. Mogelijk wilde de abt van Bloemhof hiermee in de toekomst gunsten zeker stellen bij Prémontré.

In 1351 werd het klooster getroffen door een pestepidemie, waaraan 20 kanunniken en 12 novicen bezweken.Lambooij, p. 268

In 1447 sloot het klooster een verbond met het klooster Dokkum, waarbij de eigendommen en bewoners van het klooster Palmaer verdeeld werden tussen beide kloosters.

In 1485 kreeg het klooster het toezicht (visitatie) over de kloosters Feldwerd, Mariëngaarde en 'Dokkum' (mogelijk Klaarkamp) in verband met het verval van de kloostergemeenschappen aldaar. Dit wijst erop dat in Wittewierum de tucht toen nog wel werd gehandhaafd. In latere decennia raakte het klooster echter ook in verval als gevolg van de Gelderse Oorlogen. In 1499 trok Edzard I van Oost-Friesland langs Wittewierum. In 1505 haalden stad-Groningers al het vee weg bij Wittewierum tijdens gevechten met Edzard I. In 1514 veroverde hertog George van Saksen met Oldenburgse troepen het klooster, waarbij het klooster en het scriptorium in brand werden gestoken. Hetzelfde jaar werd George echter weer verdreven door Otto van Diepholt, die het heroverde voor Edzard I.Wagenaar, J. (1793), Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden; twintigste deel; vattende eenen aanvang der beschryving van stad en Lande. pp. 298-299. In januari 1522 vluchtte de kastelein van Coevorden Frederik van Twickelo met zijn Boergondische troepen via Wittewierum terug naar Coevorden. In 1536 versloeg Georg Schenck van Toutenburg Meindert van Ham bij Wittewierum. Van al deze woelingen wist het klooster zich niet meer te herstellen.

Opheffing en afbraak In 1561 waren er nog 3 of 4 monniken over onder leiding van abt Cornelis Hermanni, die het niet zo nauw namen met de kloosterregels. De nieuwe bisschop Johannes Knijff, die tijdens het bewind van de hertog van Alva benoemd was van het kort daarvoor opgerichte Bisdom Groningen, verklaarde toen dat de aanwezige monniken waren ontslagen van hun votum en religio (strikte religieuze riten). Het klooster werd door paus Pius IV op 7 augustus 1561 evenals het klooster Aduard en het Klooster Marienkamp13e-eeuws. Gelegen te Holtgast, 1 km ten ZW van de stad Esens. Van het klooster is niets meer bewaard gebleven. (bij Esens) toegewezen aan het nieuwe bisdom.

In 1566 werden de restanten van het klooster en de kerk door Staatse troepen in brand gestoken tijdens de beeldenstorm. Daarop besloot Knijff tot de opheffing van het klooster als tafelgoed voor zijn nieuwe bisdom. Hermanni poogde tevergeefs deze opheffing te voorkomen, maar in ruil voor de belofte dat zijn broeders kanunnik mochten worden in het nieuwe bisdom en hijzelf proost van de Martinikerk (zetel), wilde hij in 1568 wel instemmen met de opheffing. Uiteindelijk zou hij geen proost worden, maar mocht hij de bezittingen van het klooster beheren. Hij trok zich met de resterende monniken terug in Groningen, waarbij hij de kroniek van Bloemhof meenam.

Op 7 mei 1568 werd de Spaansgezinde luitenant Zeger van Groesbeek door de staatsgezinde bevelhebber Lodewijk van Nassau teruggeslagen bij Wittewierum. Daarop legerde op 22 mei de Spaansgezinde bevelhebber Jan van Ligne zijn troepen bij Wittewierum, waarop hij werd aangevallen door Lodewijk van Nassau. Deze verloor echter ditmaal deze schermutseling en vluchtte daarop naar Heiligerlee.