thumb|Karel II, laatste Habsburgkoning van Spanje thumb|Filips V, eerste Bourbonkoning van Spanje

De Slag bij Oudenaarde was een belangrijke veldslag tijdens de Spaanse Successieoorlog. De slag vond plaats op 11 juli 1708 in de omgeving van Oudenaarde in de toenmalige Spaanse Nederlanden.

Voorgeschiedenis en internationaal kader In 1700 overlijdt Karel II (1665-1700), de laatste Habsburgkoning van Spanje. In zijn testamentMarie-Françoise Maquart. Le dernier testament de Charles II d'Espagne. In: Lucien Bély, ed., La présence des Bourbons en Europe, XVIe-XXIe siècles. Paris: PUF, 2000. pp. 111-123 duidt hij Filips van Anjou, de tweede kleinzoon van Lodewijk XIV van Frankrijk aan als zijn opvolger. Engeland, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en keizer Leopold I van het Heilige Roomse Rijk, verzetten zich tegen een mogelijke unie tussen Spanje en Frankrijk. Ze vormen samen de Grote Alliantie van Den Haag in 1701 en verklaren in mei 1702 de oorlog aan Lodewijk XIV en zijn kleinzoon, die als Filips V regeert in Madrid.

De Grote Alliantie komt er officieel om de rust in Europa (dat net door de Negenjarige Oorlog in puin is gelegd tussen 1688 en 1697) te herstellen. In werkelijkheid wil keizer Leopold I (1640-1705) zélf de Spaanse gebieden binnenhalen voor zijn tweede zoon, aartshertog Karel van Habsburg. De Engelsen en Nederlanders willen Frankrijk weghalen uit de rijke Spaanse kolonies overzee én uit de Zuidelijke Nederlanden.

Lodewijk XIV en Filips V hebben zelf ook bondgenoten: het is niet zo dat het Duitse Rijk homogeen tegen hen vecht. De keurvorst van Beieren, Max Emmanuel, is landvoogd ("gouverneur") voor de Spaanse koning in de Zuidelijke Nederlanden en wil zelf een koningstitel uit de brand slepen. Zijn broer, Jozef Clemens, aartsbisschop van Keulen-Bonn en prins-bisschop van Luik, die een belangrijk stuk controleert op de Rijn, vecht ook met de Fransen mee. In het begin van de oorlog heeft Lodewijk XIV bovendien ook de steun van de Amadeus II hertog van Savoye (Noord-Italië) en van de Peter II koning van Portugal. De Fransen vechten dus zeker niet alleen. De Spaanse gebieden die Filips V binnenrijft, bestaan niet alleen uit kern-Spanje (Kroon van Castilië, Leon, koninkrijk Aragon), maar ook uit de Italiaanse bezittingen van Karel II (Milaan, koninkrijk Napels, koninkrijk Sicilië, Sardinië) en uit de Zuidelijke Nederlanden. De oorlog wordt gevoerd op vier fronten (Spanje, Italië, Duitsland, Nederland), waarbij het Nederlandse front veruit het belangrijkste is. De grootste legers leveren slag tussen de Maas en de Schelde. Op het moment van de Slag bij Oudenaarde hebben de geallieerden de provincies Brabant (Antwerpen, Leuven, Brussel) en Vlaanderen (Oostende, Brugge, Gent, Oudenaarde, Dendermonde, Kortrijk) grotendeels in handen (met uitzondering van Nieuwpoort). Ook in Henegouwen zijn de geallieerden doorgedrongen: ze bezetten er Aat. De Fransen controleren nog Namen, Bergen (waar het hof van de landvoogd, keurvorst Max Emmanuel van Beieren zich ophoudt), Doornik, Rijsel, Ieper en Nieuwpoort.

In 1707, het voorgaande jaar, is er niet veel gebeurd. De Fransen zijn erin geslaagd om de geallieerden op afstand te houden, na een heel slecht jaar 1706 (waarin de Engelsen, Nederlanders en Duitsers vanuit Waals-Brabant zowat het hele Noorden hebben ingenomen).

Het bevel over de geallieerde legers werd gevoerd door John Churchill, hertog van Marlborough (1650-1722)David G. Chandler. Marlborough as military commander. London, Spellmount, 2003. 368 p. en prins Eugenius van Savoye-Carignan (1663-1736).Ciro Paoletti. Il Principe Eugenio di Savoia. Roma: Stato Maggiore dell'Esercito, 2001. VI + 638 p. Marlborough en Eugenius hebben in 1708 een heel goede internationale reputatie. De prins, die voor de Heilig Roomse keizer vecht, heeft de Turken uit Hongarije verjaagd (1683-1699) en de Fransen uit Italië (slag van Turijn, september 1706). Marlborough begint pas laat aan zijn echt grote militaire carrière. Hij heeft veel op het verkeerde paard gewed in de Engelse politiek en heeft op het thuisfront tegenstanders die hem met plezier ten val zouden willen brengen. Na de dood van koning Willem III (1650-1702) krijgt de hertog het bevel over het geallieerde leger toegespeeld. Samen met de Hollandse raadspensionaris Anthonie Heinsius, de feitelijke eerste minister van de Republiek (1641-1720), houdt Marlborough de piepende en krakende Grote Coalitie samen. Met Eugenius verslaat hij de Fransen in 1704 bij Blenheim, op een kritiek moment. De Franse maarschalk Tallard was bijna doorgedrongen tot in Wenen om er de keizer te verjagen. 's Avonds zit hij gevangen in de koets van de Engelse generaal.

Eugenius en Marlborough besluiten om in 1708 hun avontuur van 1704 over te doen: Marlborough was toen met zijn leger halsoverkop in een recordtijd van de Nederlanden naar Beieren gegaan. Samen hadden ze de Fransen een bloedige nederlaag toegebracht. Eugenius wil hetzelfde doen in 1708: hij is, omwille van interne Duitse ruzies, gelegerd aan de Moezel, maar wil achter de rug van de politici met een deel van zijn mannen samen met Marlborough de Fransen aanpakken. Marlborough beschikt tegen Frankrijk over ongeveer 80.000 man. Een bont allegaartje van Noord- en Zuid-Nederlandse, Engelse, Oostenrijkse, Deense en vooral veel Duitse soldaten. De meeste soldaten in Marlboroughs leger zijn eigenlijk huurlingen: de dik gespijsde Engelse en Nederlandse oorlogskassen geven geld aan onafhankelijke vorstjes in het Duitse rijk, die maar al te graag hun dure soldaten afstaan om campagne te voeren. Zo stuurt de keurvorst van Brandenburg, Frederik III met plezier soldaten naar de Nederlanden, de Rijn en Italië met de belofte dat de keizer hem zal herkennen als koning van Pruisen.

Het leger van Marlborough communiceert echter efficiënt: de voertaal is er Frans, een taal die iedereen spreekt.

Het Franse opperbevel wordt eigenlijk gevoerd door Lodewijk XIV. In tegenstelling tot de bont kakelende coalitie heeft de Franse koning stevig vat op zijn troepen in de Nederlanden. Vanuit Versailles doen zijn boodschappers er maar een paar uur over om het front te bereiken. Elke belangrijke beslissing moet vooraf overlegd worden. De generaals sturen hem dan ook tientallen brieven per week met informatie en vragen om orders.

thumb|Lodewijk van Frankrijk, hertog van Bourgondië, 1682-1712, oudste kleinzoon van Lodewijk XIV thumb|Louis-Joseph, hertog van Vendôme (1654-1714), voert het bevel over het Franse leger, onder de hertog van Bourgondië Lodewijks oudste kleinzoon, Lodewijk, hertog van Bourgondië en broer van Filips van Anjou voert officieel het bevel over een zeer groot Frans leger in de Nederlanden. De schattingen variëren, maar volgens de meest recenteClément Oury. Les défaites françaises. Paris: École des Chartes, 2005. p. 101 e.v. bestond het uit ongeveer 90.000 man op volle sterkte. Hij komt eigenlijk in de plaats van Lodewijk Jozef van Bourbon, de hertog van Vendôme (°1654), die het vorige jaar en na de rampzalige Slag bij Ramillies het bevel voerde in de Zuidelijke Nederlanden. Vendôme moet de jonge prins, die ooit koning van Frankrijk moet worden, met zijn adviezen bijstaan en kneden als veldheer. Helaas zijn de karakteriële tegenstellingen tussen de twee bevelhebbers zeer groot. Marlborough en Eugenius verstaan elkaar, Bourgondië en Vendôme hebben een hekel aan elkaar. Dat wordt nog verergerd door de losbandige levensstijl van Vendôme en de overdreven vroomheid van de prins, die onder invloed staat van de aartsbisschop van Kamerijk, Fénelon. Vendôme is een poulain van Bourgondië's vader, de dauphin (Monseigneur, °1662) en van de "libertijnse" groep die op zijn kasteel in Meudon rondhangt. De clan van de kroonprins wil de regering van Lodewijk XIV verderzetten na zijn dood, de clan van Bourgondië wil er radicaal mee breken.

Het begin van de campagne verloopt chaotisch. Noch Marlborough, noch Vendôme weten eigenlijk wat ze willen. Ze hebben beiden nood aan een groot succes, maar Marlborough wil daarvoor eerst wachten op Eugenius. Na een jaar kat-en-muis met Vendôme in 1707 wil hij zich niet opnieuw laten verrassen. Vendôme zit met Bourgondië als stoorzender en moet dus veel meer om de mening van Lodewijk XIV in Versailles vragen. Een eerste Frans plan om Hoei aan te vallen krijgt een veto van Lodewijk XIV te verwerken. Intussen trekken de Fransen naar de omgeving van Brussel, waar ze in een kat-en-muisspel zitten met het leger van de geallieerden.

Tot grote verrassing van de geallieerden voeren de Fransen begin juli een plan uit van de "Belg" Jan van Brouchoven, graaf van Bergeyck (1644-1725).Reginald De Schryver. Jan Van Brouchoven, graaf van Bergeyck 1644-1725: een halve eeuw staatkunde in de Spaanse Nederlanden en Europa. Brussel: Paleis der Academieën, 1965. 528 p. Als machtigste Zuid-Nederlander kent hij perfect de ongenoegens en ambities van de Vlaamse stedelingen. Tot 1706 waren de steden onder Frans bewind geweest, tot ergernis van de adel en de gevestigde machten, die hun privileges uit de Spaanse tijd fel ingekort zagen. De geallieerden draaiden alle hervormingen van Bergeyck terug en maakten zich zo de oude adel en clerus terug tot vriend. Niét zo met de steden, waar actieve pro-Franse netwerken de opstand preekten. Op 5 juli haalt het Franse leger een meesterzet uit: twee vliegende colonnes trekken voor de neus van het geallieerde leger weg naar Gent, via Ninove.

Na een kolderieke episode, waarin de -op het Spanjaardenkasteel na- onverdedigde stad in de handen van een kleine groep Franse militairen valt, geeft Gent zich over. Ongeveer tegelijkertijd capituleert ook Brugge, waar de vrienden van Bergeyck hun werk gedaan hebben.

Plots komt Marlborough voor grote problemen te staan. De geallieerde aanvoerlijnen naar Holland en Engeland lopen over de Schelde, via Antwerpen de Zee, via Oostende over land, via Brussel naar Antwerpen.

Doordat Vendôme en Bourgondië zich met hun leger TUSSEN de Engelsen en de zee (Brugge) én Antwerpen (Gent) zetten, dreigt de aanvoerlijn van zijn leger droog te vallen.

Eugenius, die na de val van Gent en Brugge in het hoofdkwartier van Marlborough aankomt, geeft hem het idee om de Fransen een stap voor te zijn. Inderdaad, tussen het moment waarop Gent en Brugge vallen, en de Slag bij Oudenaarde, laten Vendôme en Bourgondië zich het initiatief ontgaan. Een kleine bende Fransen trekt naar Oudenaarde, dat als bolwerk op de Schelde tussen Gent en Doornik ligt, met de bedoeling de stad af te sluiten voor geallieerde schepen. Het leger van de geallieerden is op dat ogenblik al vliegensvlug van Asse (in Brabant) naar Lessen (in Henegouwen) getrokken en gaat naar het Noorden. De kleine Franse bende moet terugtrekken en meldt aan het hoofdleger, dat maar traag uit zijn grote kamp in Lede (bij Aalst) komt, dat er een probleem is.

In de nacht van 10 op 11 juli trekt William Cadogan, de rechterhand van Marlborough (die in de Nederlanden ervan wordt beschuldigd zich zwaar persoonlijk te hebben verrijkt op kap van de plaatselijke bevolking), met een mobiele eenheid en genietroepen naar Oudenaarde. De stad, die in geallieerde handen is, krijgt twee extra bruggen in het centrum, en tijdelijke bruggen in de buurt van Ename (dat noordelijker ligt), om een vlotte oversteek mogelijk te maken.

Het Franse leger kiest voor een halfslachtige oplossing: in de mening dat Marlborough en Eugenius nog ver zijn, verplaatsen Vendôme en Bourgondië hun kamp naar Gavere, om de volgende dag (11 juli), naar de hoogten van Huise te trekken en van daaruit Oudenaarde te observeren.

Prelude tot en eerste fases van de veldslag