thumb|Lodewijk XIV trekt bij het Tolhuis bij Lobith de Rijn over (12 juni 1672), door Adam Frans van der Meulen thumb|Het Franse leger voor Naarden op 20 juli 1672 door Adam Frans van der Meulen thumb|Het Ontzet van Coevorden op 30 december 1672 door Pieter Wouwerman, de broer van Philips Wouwerman
Het jaar 1672 staat in de Nederlandse geschiedenis bekend als het Rampjaar. Volgens een Nederlands gezegde was "de regering radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos". In dit jaar begon de Hollandse Oorlog en werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen Münster en Keulen, onder het gezag van respectievelijk Christoph Bernhard von Galen en Maximiliaan Hendrik van Beieren.
De Franse legers konden niet de kortste route door de Spaanse Nederlanden nemen, omdat Frankrijk aartshertog van Oostenrijk keizer Leopold I buiten de strijd wilde houden. Daarom waren de bisdommen door de Fransen om logistieke redenen tot bondgenoot gemaakt.Panhuysen, L. (2009) Het Rampjaar, p.30-31. De binnenvallende legers trokken op 12 juni 1672 over de Rijn bij Lobith (zie Slag bij Tolhuis) en versloegen het zwakke leger van de Republiek en bezetten snel veel grondgebied in het landschap Twente en het graafschap Zutphen.
Door deze tegenslagen brak paniek uit in de niet-bezette delen van de Republiek. Veel bestuurders, die aan de kant van de tot dat moment leidende partij der staatsgezinden stonden, werden gedwongen hun posities af te staan aan prinsgezinden. Dit jaar vormde zo ook het eind van het Eerste Stadhouderloze Tijdperk.
De belangrijkste staatsgezinde regent was Johan de Witt. Samen met zijn broer Cornelis verloor hij in dit jaar niet alleen zijn ambt, maar ook zijn leven, toen ze door een woedende, door orangistische partijgangers opgezweepte menigte werden vermoord.Guido de Bruin, Den Haag: Gevangenpoort: de Haagse broedermoord, 20 augustus 1672 in Maarten Prak (red.), Nederland in de zeventiende en achttiende eeuw (Amsterdam 2006)
Het rampjaar duurde ongeveer 17 maanden volgens historicus Luc Panhuysen.Panhuysen, L. (2009) Het Rampjaar, p. 13. Banken, scholen, winkels, rechtbanken en schouwburgen werden gesloten. Kunsthandelaren en -schilders gingen failliet aan de gevolgen van een heftige crisis.
Bestaande situatie in de Republiek Al tijdens de Tachtigjarige Oorlog hadden er spanningen bestaan tussen aanhangers van een bestuur door de regenten, de staatsgezinden en aanhangers van een bestuur door de prins van Oranje, de prinsgezinden. Deze spanningen waren in 1650 geëscaleerd toen Willem II een poging deed Amsterdam in te nemen om de machtsstrijd in zijn voordeel te beslechten.
Na zijn plotse dood kwamen de staatsgezinden weer aan de macht. Volgens hun overtuiging was een stadhouder of koning schadelijk voor de 'Ware Vrijheid'. De postuum geboren zoon van Willem II, nog een zuigeling, werd niet benoemd tot stadhouder en ook het ambt van kapitein-generaal (opperbevelhebber van het leger) bleef onbezet. De Staten van Holland benoemden Johan de Witt, zoon van een regent die door Willem II gevangen was gezet, tot raadpensionaris, het belangrijkste ambt binnen de Republiek.
Hoewel lang niet alle bestuurders en provincies staatsgezind waren, hadden de staatsen zolang er geen grote economische problemen of oorlogen dreigden de macht stevig in handen. Daarom en vanwege hun eigen zakelijke belangen, probeerden de regenten oorlogen binnen Europa te vermijden.
thumb|Koning Karel II van Engeland thumb|Koning Lodewijk XIV van Frankrijk
Aanloop tot oorlog Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje had de Republiek een verbond gesloten met Frankrijk. In 1648 hadden Spanje en de Oostenrijkse landen de Republiek erkend en was er vrede gesloten. Frankrijk daarentegen had wel vrede gesloten met Oostenrijk, maar met Spanje doorgevochten tot 1659. Volgens de Vrede van de Pyreneeën zou de Franse koning Lodewijk XIV trouwen met een dochter van Filips IV van Spanje: Maria Theresia zou afzien van haar erfrechten in ruil voor een bruidsschat. Deze bruidsschat werd door de Spanjaarden nooit volledig betaald, stelde Frankrijk.
Verhouding met Engeland De verhouding tussen de Republiek en Engeland was tijdens deze periode problematisch. De landen waren concurrenten op het gebied van handel en koloniën. In 1651 had dit al tot de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog geleid. In een geheime paragraaf bij de vrede was bepaald dat het gewest Holland het ambt van stadhouder geheel zou afschaffen en nooit meer een lid van het Huis van Oranje zou laten benoemen tot kapitein-generaal. Oliver Cromwell had deze bepaling, de Akte van Seclusie, geëist als reactie op de hulp van Willem II aan diens schoonvader Karel I van Engeland tijdens de Engelse Burgeroorlog en wegens de nauwe banden tussen de door hem ten val gebrachte Stuarts en de Oranjes. Al was een vermindering van de invloed van de Oranjes de staatsgezinden zeker niet onwelkom, met deze bepaling mengden de Engelsen zich in hun binnenlandse politiek. De prinsgezinden waren uiteraard ook woedend toen de bepaling bekend werd.
Na de dood van Cromwell kwam met Karel II van Engeland het Huis Stuart weer op de troon. De geheime clausule uit het verdrag werd geschrapt, maar de bepalingen van de vrede die nadelig waren voor de Nederlandse handel niet, zoals het respecteren van de Acte van Navigatie. De onenigheden tussen de beide Noordzeelanden laaiden opnieuw op en de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog volgde. Na de vorige oorlog had Johan de Witt de vloot behoorlijk versterkt ten koste van het landleger van de Republiek. Met deze vloot en met hulp van de Fransen, met wie opnieuw een bondgenootschap was aangegaan, wist de Republiek Engeland en zijn bondgenoot Münster te verslaan.
De hulp van Frankrijk bestond echter voornamelijk uit diplomatieke druk. Frankrijks leger en vloot waren nauwelijks in actie geweest.
Verhouding met Frankrijk Na de dood van de Spaanse koning Filips IV in 1665 claimde Lodewijk XIV een deel van de erfenis voor zijn vrouw. Volgens plaatselijk recht in delen van de Spaanse Nederlanden gaat het erfdeel van dochters uit een eerder huwelijk vóór het erfdeel van zonen uit latere huwelijken. Lodewijk XIV legde dit zo uit dat zijn vrouw de Spaanse Nederlanden zou erven, omdat zij uit het eerste huwelijk van Filips voortgekomen was en zijn opvolger Karel II van Spanje een zoon was uit Filips' tweede huwelijk. Om de argumenten kracht bij te zetten viel Frankrijk de Spaanse Nederlanden binnen, wat leidde tot de Devolutieoorlog, waarin Frankrijk opnieuw een aanzienlijk deel van Vlaanderen veroverde.
Deze ontwikkelingen bedreigden de belangen van de Republiek. Een militair sterk land als Frankrijk aan de zuidgrens zou een veel groter gevaar zijn voor de Republiek dan de min of meer zelfstandige Zuidelijke Nederlanden in een personele unie met Spanje. Om Frankrijk te stoppen sloot Johan de Witt de Triple Alliantie met Engeland en Zweden. Officieel was dit een bondgenootschap dat zou bemiddelen in de oorlog tussen Spanje en Frankrijk, maar in geheime onderdelen verbonden de partners zich om geweld te gebruiken als een van beide landen (lees: Frankrijk) geen vrede zou willen.
Wisseling van Bondgenootschappen thumb|Prins Willem III als kind, door Cornelis Janssens van Ceulen
Frankrijk en Spanje sloten op 2 mei 1668 de Vrede van Aken, maar doordat de geheime clausules van de Triple Alliantie bekend raakten, voelde Lodewijk XIV zich beledigd door de Republiek. Onmiddellijk nam hij stappen om de Republiek te isoleren. Zweden en Münster werden snel omgekocht. De Engelse publieke opinie was wantrouwig tegenover Lodewijk XIV, maar voor de Engelse koning Karel II kon een oorlog tegen de Republiek in zijn voordeel uitwerken. Een oorlog zou vermoedelijk leiden tot de val van de staatsgezinde regering, waardoor zijn neef Willem III de macht zou krijgen. Het bood ook mogelijkheden om het Nederlandse handelsmonopolie te vernietigen.
Na bemiddeling van Henriëtte Anne, Karels zuster die de echtgenote was van Filips van Orléans, sloten Engeland en Frankrijk het Traktaat van Dover, een geheime offensieve alliantie. Frankrijk zou de Generaliteitslanden krijgen plus nog enkele delen in het zuiden; Münster en Keulen zouden delen in het oosten krijgen. Engeland zou enkele kuststeden krijgen en Willem III zou benoemd worden als soeverein prins onder de protectie van Karel II. Lodewijk beloofde Karel te voorzien van subsidies waarmee deze zou kunnen regeren zonder het parlement te hoeven raadplegen.
thumb|Johan (rechts) en Cornelis de Witt
De Nederlanders waren op de hoogte van de onderhandelingen tussen Fransen en Engelsen, maar details waren niet bekend. Johan de Witt rekende erop dat de publieke opinie in Engeland tegen een oorlog met een protestantse natie zou zijn en bovendien Lodewijk XIV niet zou vertrouwen. Verder deed De Witt moeite om de relatie met Frankrijk te verbeteren, middels de gezant Pieter de Groot. De Republiek en Frankrijk hadden eigenlijk geen tegengestelde belangen, behalve over de Zuidelijke Nederlanden. Frankrijk zag de rivier de Rijn als zijn natuurlijke grens en tussen de Rijn en Frankrijk lagen de Spaanse Nederlanden en de Generaliteitslanden, een deel van de Republiek. Volgens de Franse ambassadeur Godefroi d'Estrades waren de Nederlanders algemeen in hun oordeel "Gallicus amicus, non vicinus"; de Fransman als vriend, niet als buur.
De Republiek had een sterke vloot, maar maakte te weinig voorbereidingen voor uitbreiding van het leger. Redenen hiervoor waren geldtekort en gebrek aan vertrouwen in het leger dat in het verleden een wapen in de handen van de stadhouders was geweest. Steeds meer tekenen wezen echter in de richting van oorlog. In februari 1672 werd de 21-jarige prins Willem III benoemd tot kapitein-generaal en daarmee tot opperbevelhebber van het leger.Troost, W. (2001) Stadhouder-koning Willem III, p.75.
De Oorlog
thumb|De Prins van Condé
In maart 1672 viel de Engelse vloot een van de Levant terugkerend Nederlands handelskonvooi aan. Op 27 maart gevolgd door een oorlogsverklaring. Op 6 april volgde die van Frankrijk en eind mei die van de bisdommen Keulen en Münster, nadat de troepen onder het bevel van de Zonnekoning Maastricht links hadden laten liggen.
De markies van Turenne, de prins van Condé en maarschalk Luxembourg werkten in 1672 samen om de Republiek te veroveren. Op 17 mei lag het Franse leger voor Wezet aan de Maas. De aanvoerders waren het oneens of Maastricht, dat goed te verdedigen was, aangevallen moest worden.Panhuysen, L. (2009) Het Rampjaar, p.112-113. Turenne was tegen en liet 10.000 man achter als rugdekking.
In plaats van door de Zuidelijke Nederlanden te trekken, trok het Franse leger via het prinsbisdom Luik en het prinsbisdom Keulen om de verdedigingslinie van de Republiek heen. Op 28 mei was Condé gevorderd tot Kaiserswerth en als eerste werden de steden van de Kleefse barrière belegerd. Op 12 juni stond het leger voor Lobith, klaar om de Rijn over te steken. Condé raakte gewond tijdens de oversteek.Panhuysen, L. (2009) Het Rampjaar, p.141. Turenne nam het commando over en splitste het leger in tweeën. Zowel Arnhem als Nijmegen werden belegerd. Lodewijk XIV trok naar Doesburg, zijn broer Philippe naar Zutphen. Grol en Deventer werden belegerd door de Duitse bisschop Bernard van Galen. Bij de IJssel kwam het tot een veldslag die de Fransen gemakkelijk wonnen. Nu lag het hele grondgebied van de Republiek open.
Op 19 juni viel Naarden; 30 juni lagen de Fransen voor Gorkum. De Nederlandse vloot had ondertussen de verenigde Engels-Franse vloot verslagen in de Slag bij Solebay. Luxembourg nam het commando van Condé over. Na anderhalve maand kwam een fase van stilstand in de Hollandse Oorlog, maar in de steden van Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland was de paniek compleet.