De Chinese historiografie ofwel Chinese geschiedschrijving behandelt de geschreven interpretatie van de Chinese geschiedenis door Chinese historici. De Chinese historiografie kent een ononderbroken geschiedenis van meer dan 3000 jaar. Geschiedschrijving werd tot aan de val van het keizerrijk in 1912 tot een van de belangrijkste vormen van de Chinese literatuur gerekend.

Belang van de geschiedschrijving in China thumb|Dào (de Weg) In China was geschiedschrijving zeer belangrijk. Dit was een gevolg van het Chinese wereldbeeld. Men meende dat de kosmos bestond uit tegengestelde fasen van dezelfde 'energie', qi, fasen die elkaar voortdurend beïnvloedden. Al het bestaande, zowel kosmos en natuur als mens en maatschappij, was op die manier onderworpen aan dit ordeningsprincipe. Dat werd de Weg (dao) genoemd. Deze Weg werd zichtbaar in de veranderingen die door de voortgang van het heden werden veroorzaakt. Men meende in die veranderingen patronen te kunnen ontdekken. Het heden kon slechts zinvol worden verklaard als dat werd herkend als een herhaling van eenzelfde situatie uit het verleden. Gebeurtenissen dienden dan ook zo objectief mogelijk te worden vastgelegd. Alleen op die manier kon geschiedschrijving de spiegel zijn om het heden te kunnen duiden en alleen zo konden latere generaties van de geschiedenis leren.

De functie van optekenaar (shi) Ontstaan Men meende dat de orde in kosmos, natuur en samenleving werd beïnvloed door het gedrag van de vorst. Van oudsher werden de woorden en daden van een vorst daarom door speciaal daarvoor aangestelde functionarissen genoteerd. Zij werden shi (史, "optekenaar") genoemd. In het hoofdstuk yuzhao (玉藻, "kleding en hoofdkappen gedragen door heersers") van de Optekeningen over de riten en in het Commentaar van mijnheer Zuo op de Lente- en herfstannalen is er sprake van een zuoshi (左史, "optekenaar aan de linkerzijde") en een youshi (右史, "optekenaar aan de rechterzijde"). Volgens de traditie noteerde de optekenaar aan de linkerzijde de daden en die aan de rechterzijde de woorden van de vorst. Overigens is die taakverdeling in het Boek van de Han precies omgekeerd. Mogelijk waren de eerste shi personen met een uitzonderlijk geheugen die belangrijke gebeurtenissen onthielden en navertelden in de vorm van verhalen en gedichten. De Japanse sinoloog Inaba Ichirō (稲葉, *1936) noemde hen in zijn Chūgoku shigakushi no kenkyū (中国史学史の研究, "Studie van de geschiedenis van de Chinese historiografie") gushi (瞽史, "blinde historici"), vergelijkbaar met Homerus. Zuo Qiuming (左丘明), genoemd als samensteller van het Commentaar van mijnheer Zuo op de Lente- en herfstannalen was volgens Shiji blind.

Vanaf het moment dat gebeurtenissen werden opgeschreven, werd de functie van shi complexer. Hun aantal nam toe en er ontstond een vorm van taakverdeling. Dit blijkt uit andere voor optekenaar gebruikte benamingen, zoals taishi (太史, "hoogste optekenaar"), dashi (大史, "grote optekenaar"), xiaoshi (小史 "kleine optekenaar") en yushi (御史, "hofoptekenaar"). De positie van shi was tot in de Hantijd erfelijk. Zo schreef Sima Qian, samensteller van Shiji, in zijn nawoord dat zijn voorouders al generaties taishi waren geweest.

Functie Volgens Shuowen jiezi (說文解字), een etymologisch woordenboek uit de 2e eeuw na Chr. bestond een deel van het karakter 史 shi uit 中 zhong (centrum, midden), dat in verband werd gebracht met onpartijdigheid. De optekenaars moesten de gebeurtenissen met een zo groot mogelijke objectiviteit noteren. Tot in de 17e eeuw was dit de gangbare opvatting. Toen bracht Jian Yong (江永, 1681-1762) en later ook Wu Dacheng (吳大澂, 1835-1902), twee geleerden uit de "School van de Tekstkritiek" (考據學, Kaoju Xue) het begrip zhong in verband met de bamboelatjes waarop de gebeurtenissen werden genoteerd. In de 20e eeuw stelden Wang Guowei (王國維, 1877-1927) en de Japanse geleerde Naitō Torajirō (内藤 虎次郎, 1866-1934, ook bekend als Naitō Konan, 内藤 湖南) dat de shi behalve bij het optekenen van gebeurtenissen ook een rol hadden gespeeld bij de uitvoering van riten en ceremonies. In dat opzicht sloot hun functie aan bij die van een sjamaan (wu, 巫), die een rol speelde bij het doen van voorspellingen. Mogelijk was er zelfs sprake van een dubbelfunctie. In ieder geval noteerden de shi niet alleen menselijke gedragingen, maar ook bijzondere natuurverschijnselen. Dit had te maken met het in de Zhou- en Hantijd gangbare correlatiedenken, waarbij menselijk gedrag en gebeurtenissen in natuur en kosmos elkaar beïnvloedden, zodat natuurverschijnselen een voorspellend karakter kregen voor menselijke gedragingen. Een shi was op die manier niet alleen historicus, maar ook astroloog, een functie die, door hun vaak zeer nauwkeurige waarnemingen, allengs het karakter kreeg van een astronoom.

Onder de Oostelijke Han-dynastie (25-220 na Chr.) werd de officiële geschiedschrijving steeds meer een ambtelijk proces. Er kwam een onderscheid tussen optekenaars aan het hof en functionarissen die die optekeningen bewerkten tot de diverse hofkronieken. Onder de Tang-dynastie (618-907) werd, behalve dit proces, ook de wijze waarop de officiële dynastieke geschiedenissen uit de hofkronieken werden samengesteld in sterke mate geformaliseerd.

Shi wordt algemene benaming voor geschiedenis thumb|shǐ (geschiedenis) Tussen het einde van de Han-dynastie (220) en het begin van de Tang-dynastie (618) verschoof de betekenis van de term shi allengs van aanduiding voor de persoon die optekende naar die voor zijn geschriften. Daarmee kreeg shi de abstracte betekenis van 'geschiedenis'. Voor zover bekend was Qiao Zhou (譙周, 199-270), functionaris in dienst van het Koninkrijk Shu (221-263), de eerste geleerde die shi in die betekenis gebruikte. Hij noemde zijn werk Gushi kao (古史考, "Onderzoek van oude historische werken"). Ook Ruan Xiaoxu (阮孝绪, 479-536), bibliograaf tijdens de Liang-dynastie (502-557) gebruikte shi in de betekenis van historische werken, toen hij rond 523 zijn catalogus Qilu (七錄, "zeven dossiers") samenstelde. Rond die tijd werd het tevens gebruikelijk de oudste drie officiële dynastieke geschiedenissen, (Shiji, Hanshu en Dongguan Hanji) sanshi (三史, "drie geschiedenissen") te noemen. Deze verschuiving in betekenis van shi had te maken met de forse toename van het aantal historische werken tijdens de periode tussen de Han- en Tangdynastie. Ban Gu noemde in zijn yiwen zhi (藝文志. "Verhandeling over kunst en literatuur", het bibliografisch hoofdstuk van Hanshu), slechts twaalf werken die hij beschouwde als voortzetting van de hofkroniek Lente- en Herfstannalen Daarentegen staan in Jingji zhi (經籍志, "Verhandeling over klassieken en boeken" van het Boek van de Sui onder de categorie shibu (史部, "geschiedenis") 874 titels vermeld.

Afbakening van het terrein van de historiografie Afbakening van de historiografie van de overige vormen van literatuur thumb|wén (literatuur) De eerste Chinese systematische bibliografie stamt uit de eerste eeuw v.Chr. In zijn Qilüe (七略, "Zeven samenvattingen") wilde Liu Xiang (77-6 v.Chr.) door een indeling van de literatuur komen tot een algemene ordening van kennis. Geschiedschrijving werd door hem niet beschouwd als een aparte categorie. Er bestond eigenlijk geen onderscheid tussen literatuur (wen, 文) en geschiedenis (shi, 史). De grondbetekenis van wen was een regelmatig terugkerend patroon. Literatuur moest door ordening de Weg in een schijnbaar chaotische werkelijkheid zichtbaar maken. Dit kon alleen als in de literatuur ware gebeurtenissen werden beschreven. Die eis maakte feitelijk alle literatuur tot een vorm van geschiedenis. Ban Gu beschouwde in zijn in Hanshu opgenomen yiwen zhi (藝文志, "verhandeling over literatuur") alle opgenomen werken nog als commentaren op de Confucianistische Klassieken. Zo werd Shiji gezien als een voortzetting van de Lente- en herfstannalen. Wel ontstond er door deze visie een spanning tussen de noodzaak tot objectiviteit en het toch ook wel belangrijk gevonden didactische en morele aspect van geschiedschrijving. Net zo goed als er bij proza en poëzie een spanning bestond tussen oprechte gevoelens en didactische doelen gold dat ook voor geschiedschrijving.

In de loop van de 3e en 4e eeuw na Chr. ontstond door de toename van het aantal werken een nieuwe ordening van de literatuur. Vooral door toedoen van Xun Xu (荀勖, 221-289), keizerlijke bibliothecaris en Li Chong (李充, fl begin 4e eeuw), kristalliseerde die ordening zich uit in vier hoofdcategorieën. De Confucianistische Klassieken bleef men beschouwen als basis van de literatuur. Zij vormden met hun commentaren de eerste hoofdcategorie van de literatuur, jingbu. Hoewel men geschiedschrijving bleef zien als een voortzetting van specifiek historische aspecten van de Klassieken, kregen de historische werken binnen de literatuur wel een eigen, tweede hoofdcategorie, shibu. Vakliteratuur werd geplaatst in een derde hoofdcategorie, die van de 'leermeesters en de filosofen', zibu. Bellettrie in de vorm van bloemlezingen en verzameld werk, kwam in een vierde hoofdcategorie, jibu.

Door keizer Wen (r. 424-453) van de Liu Song-dynastie werd de studie van de geschiedenis (史學, shixue) tot een van de vier onderdelen van het officiële leerprogramma voor aankomende ambtenaren gemaakt, samen met de studie van het confucianisme (儒學, ruxue), de literatuur (文學, wenxue) en de xuanxue, (玄學, "duistere leer"), de toen gangbare vorm van het daoïsme.

De viervoudige indeling van de literatuur in klassieken, geschiedenis, vakliteratuur en bellettrie wordt tot op heden gebruikt. De vier categorieën werden onderverdeeld in rubrieken, die in de loop van de tijd steeds fijnmaziger werden. Die onderverdeling is terug te vinden in de catalogi van de keizerlijke bibliotheek, die werden toegevoegd aan een groot aantal officiële dynastieke geschiedenissen. In Siku quanshu (四庫全書, "Volledige verzameling boeken uit de vier schatkamers van de keizer"), de in 1782 gepubliceerde catalogus van verschenen literatuur is de categorie geschiedschrijving (shibu) onderverdeeld in 15 rubrieken.

Tot de hoofdcategorie geschiedschrijving werden ook specialistische werken over chronologie, de kalender en (historische) geografie gerekend. Vooral de regionale geografische handboeken (difangzhi, 地方志, 'local gazetteers') zijn als historische bron van groot belang. Zij bevatten gegevens over de bestuurlijke indeling, lokale economie, cultuur en belastingheffing, maar ook biografieën van plaatselijke hoogwaardigheidsbekleders. De onderdelen van de derde hoofdcategorie, die van de 'leermeesters en filosofen' (zibu) werden formeel niet gerekend tot de geschiedschrijving. Toch bevatten ook zij, inhoudelijk gezien, belangrijk historisch materiaal. Dit geldt vooral voor de traditionele Chinese encyclopedieën (leishu, 類書, letterlijk: 'gerubriceerde zaken'), die in feite omvangrijke bronnenverzamelingen zijn.

Particuliere geschiedschrijving thumb|De drie helden uit de Roman van de Drie Koninkrijken Naast de officiële geschiedschrijving bleef er ook een geschiedschrijving door particulieren bestaan. Voor dit soort geschiedenissen bestond een groot aantal termen om ze te kunnen onderscheiden van zhengshi (正史), de officiële geschiedschrijving. De belangrijkste vormen waren: bieshi (別史), 'afzonderlijke geschiedenissen', waren weliswaar geen officiële geschiedenissen, maar werden toch gezien als kwalitatief hoogstaand. zaiji (載記), 'gelijktijdige optekeningen', beschrijft de geschiedenis van staten die niet als legitiem werden beschouwd). shichao (史鈔), uittreksels uit de officiële dynastieke geschiedenissen. zashi (雜史), 'diverse geschiedenissen'. Deze groep is vooral van belang door de grote verscheidenheid aan behandelde onderwerpen.

Geschiedschrijving en fictie