thumb|Moderne reconstructie van Romeinse infanteriesoldaten Zie ook Vrijwilligerslegioen Nederland. Het Romeinse legioen (Latijns legio, van legere = verzamelen)Vgl. Varro, De Lingua Latina V 16: quod leguntur milites in delectu. was de militaire basiseenheid in het Romeinse leger. De eenheid bestond uit circa 5000 tot 6000 (later 8000) infanteriesoldaten en meerdere honderden manschappen ondersteunende cavalerie, boogschutters, en lichte infanterie in de rol van verkenner. Legioenen hadden een naam en een nummer; ongeveer 50 zijn er bekend. Normaal gesproken waren er circa 30 plus hun hulptroepen in actieve dienst, uitbreidbaar indien nodig en mogelijk.
Door de enorme militaire successen van de Romeinse republiek en het Romeinse keizerrijk werd het legioen lange tijd gezien als het toppunt van militaire efficiëntie en macht in de oudheid.
Vroege historie Oorspronkelijk, in de tijd van de Romeinse koningen, was het legioen het volledige Romeinse leger, bestaand uit gerekruteerde burgers. Veel van de Romeinse geschiedenis uit deze tijd is gehuld in legendes, maar er wordt aangenomen dat tijdens de heerschappij van Servius Tullius alle gezonde mannelijke burgers met eigendom eerst ingedeeld werden in vijf klassen voor militaire dienst, gebaseerd op rijkdom, aangezien de soldaten zelf hun eigen wapens en uitrusting moesten fourneren. Deze klassen werden verder georganiseerd in centuries, eenheden van 100. Op enig moment, waarschijnlijk in het begin van de Romeinse Republiek, werd het legio onderverdeeld in twee afzonderlijke legioenen, elk toegewezen aan een of twee consuls. Het is onduidelijk of in de eerste jaren van de republiek, toen oorlogvoering voornamelijk beperkt was tot roofovervallen, de volledige mankracht van de legioenen in een keer werd opgeroepen. Legioenen werden in een formelere manier georganiseerd in de 4e eeuw v.Chr., toen Romeinse oorlogvoering zich ontwikkelde richting meer frequente en geplande operaties, en het consulaire leger werd vergroot tot twee legioenen. De tribunus militum verscheen na 331 v.Chr. (initieel waren deze beurtelings de commandant van het legioen). De interne organisatie van het legioen werd complexer van aard, van de klassieke falanx tot het manipelaire systeem, en belangrijke tactische innovaties werden geïntroduceerd. Voor de eerste keer werden de klassen van soldaten, waaruit het legioen was opgebouwd, gebaseerd op ervaring en leeftijd in plaats van rijkdom, met standaardwapens en -uitrusting verstrekt door de staat (een uitzondering waren de equites, de cavalerie-eenheden, die nog steeds voor hun eigen paarden moesten zorgen). Later in de Romeinse Republiek was elk legioen normaal gesproken versterkt met een legioen van geallieerde troepen, genaamd alla.
Organisatie thumb|Het Romeinse legioen in de keizertijd thumb|Reconstructie van Romeinse equites (cavalerie) thumb|Romeinse testudo (schildpad) formatie
In de Republiek hadden de legioenen een kortstondig bestaan. Behalve voor Legioen I tot IV, die het consulaire leger vormden (twee per consul), werden de eenheden gerekruteerd voor een campagne. De Italiaanse bondgenoten van Rome waren verplicht om een legioen te leveren ter ondersteuning van elk Romeins legioen. Tegen het einde van de 2e eeuw v.Chr. voerde Gaius Marius echter hervormingen door om de legioenen te bemannen met een professionele eenheid uit de armste klassen, waardoor Rome in staat was om grotere legers te vormen en tegelijkertijd werk te verschaffen aan werkloze burgers. Dit plaatste de loyaliteit van de soldaten in de handen van hun generaals in plaats van Rome zelf, en na enkele burgeroorlogen kwam er een eind aan de Republiek. In het keizerrijk werden de legioenen gestandaardiseerd, met symbolen en een individuele historie waarin mannen hun trots konden vinden om voor te dienen. Het legioen werd aangevoerd door een legatus legionis, ongeveer dertig jaar oud, meestal een senator met een benoeming van drie jaar. Onmiddellijk onder de legaat waren zes, gekozen, tribuni militum - vijf waren stafofficieren en een was een edelman op zijn weg naar de Senaat (oorspronkelijk voerde deze tribunus het commando over het legioen). Er waren ook nog officieren voor de medische staf, de genie, boekhouders en een praefectus castrorum (commandant van het kamp), alsook andere specialisten zoals priesters en musici.
Halverwege de Republiek bestonden de legioenen uit de volgende eenheden: Equites (cavalerie): De cavalerie was oorspronkelijk de meest prestigieuze eenheid, waar rijke jonge Romeinse parvenu's hun kunde en moed ten toon konden spreiden, als fundament van een eventuele politieke carrière. De uitrusting werd aangeschaft door iedere cavalerist zelf en bestond uit een rond schild, een helm, een lichaamsharnas, een zwaard en een of meer speren. De cavalerie vormde een minderheid in het legioen. Op een totaal van zo'n 3000 man had het legioen gewoonlijk rond 300 ruiters, verdeeld over 10 eenheden van 30 man. Deze eenheden waren weer verdeeld in drie eenheden van tien man, aangevoerd door een decurio. Legioenen van bondgenoten waren verplicht 600 ruiters te hebben. Behalve zware cavalerie werd er ook lichte cavalerie gerekruteerd uit arme burgers en rijke jonge burgers die nog niet oud genoeg waren voor de hastati of de equites. Velites (lichte infanterie): De velites waren eigenlijk speerwerpers zonder specifieke, formele organisatie of functie in een veldslag. Ze werden toegepast daar waar er behoefte of noodzaak was. Normaal gesproken zouden zij in de frontlinie ingezet worden om de vijandige formatie te breken, maar dit lukte maar zelden. Na het werpen van hun speer lieten zij zich terugvallen door de gaten tussen de manipels. Zware infanterie: Dit was de hoofdeenheid van het legioen. De zware infanterie bestond uit burger-legionairs die zich de uitrusting van een bronzen helm, schild, harnas en een korte speer (pilum) konden veroorloven. Bij voorkeur gebruikten zij de gladius, een kort zwaard. De zware infanterie was onderverdeeld naar de mate van ervaring van de legionair in het Republikeinse legioen, tot aan de hervormingen van Marius, die de afzonderlijke klassen van troepen afschafte in het voordeel van afzonderlijke slagordes: De hastati (enkelv. hastatus) waren de jongere mannen en vormden de frontlinie. De principes (enkelv. princeps), mannen in de bloei van hun leven (laat twintig tot vroeg in de dertig jaar), vormden de tweede linie van het legioen. De triarii (enkelv. triarius) waren de veteranen in de achterhoede; alleen in extreme situaties werden zij ingezet in een gevecht. Zij waren uitgerust met speren in plaats van de pilum en de gladius.
Elk van de drie linies was onderverdeeld in manipels, elk bestaande uit twee centuries (de kleinste eenheid in het leger), aangevoerd door de oudste van de twee centuriones. Centuries waren nominaal 80 soldaten sterk (niet 100, zoals veel wordt aangenomen), maar in de praktijk kon dit dalen tot 60, in het bijzonder bij de minder voorkomende manipels van triarii. Elke centurie had haar eigen standaard en bestond uit tien eenheden, genaamd contubernia. Een contubernium bestond weer uit acht soldaten die een tent deelden, een handmolen, een muilezel en een kookpot (afhankelijk van de duur van een missie). Omdat manipels hun belangrijkste tactische element waren, zouden legioenen in de vroege republiek soms aangeduid worden als manipulaire legioenen.
thumb Ten tijde van uitzending waren de manipels gewoonlijk geordend in een ruitpatroon genaamd quincunx. Het is echter onwaarschijnlijk dat ze ook zo het gevecht ingingen. Principes manipels bezetten de ruimte die vrijgelaten werd door de hastati, met de rugdekking van de manipels van triarii. De twee centuria van elk manipel werden achter elkaar geplaatst. Nadat de velites zich hadden teruggetrokken door de lijnen van de hastati, zou de achterste centurie naar links marcheren en daarna voorwaarts, zodat een solide lijn gevormd werd. Vervolgens zouden de hastati aanvallen. Als zij het gevecht zouden verliezen, dan zou de achterste centurie terugkeren naar haar originele locatie, waardoor weer gaten zouden ontstaan. Dan zouden de manipels zich terugtrekken door de gaten in de lijn van principes, die vervolgens dezelfde procedure zouden volgen om een vaste gevechtslinie te vormen en aan te vallen. Als ook de principes niet in staat waren om de vijand te breken, dan zouden zij zich terugtrekken achter de triarii en het hele leger zou het slagveld in goede orde verlaten. Deze standaardprocedure werd vaak aangepast; bij Zama zette Scipio zijn hele legioen in een enkele lijn in om Hannibals leger te omsingelen, net zoals Hannibal zelf had gedaan bij Cannae.
Acies triplex De acies triplex was de voornaamste slagorde om in open veld te vechten met een legioen. Een legioen werd (in de tijd van de republiek) zoals hierboven beschreven in 3 linies opgesteld. De eerste linie bestond uit de minst getrainde of minst ervaren, jonge soldaten. De tweede uit iets meer ervaren en oudere soldaten en de derde uit de meest ervaren en getrainde soldaten, zij waren de veteranen van het legioen. De laatsten, de triarii, waren de laatste hoop om te kunnen winnen. Daar komt ook de Romeinse uitspraak "tot aan de triarii gaan" vandaan. Langs de flanken liepen de equites en achter of ook langs het legioen de gevaarlijke hulptroepen.
Eerst werden velites, boogschutters en de speren van de soldaten van de eerste linies ingezet om de vijand te verwarren. Dan ging de zwaar bewapende cavalerie naar voren om het vijandelijke leger tegen te houden. De lichte cavalerie viel langs de flanken aan om de verwarring nog groter te maken en de vijand tijdelijk te omsingelen. Dan vielen de echte soldaten aan. De eerste linie begon te vechten en trok zich terug als zij vermoeid/verslagen was. Dan viel de tweede linie aan om de klus te klaren. De laatste linie, de triarii, werden vaak niet eens ingezet. Zij bleven in reserve, vaak gehurkt om hun krachten te sparen. De hulptroepen werden vooral ingezet om de eerste aanvallen in te zetten of om riskante aanvallen te doen.
De hervormingen van Marius In de late republiek werd de cohors, waarvan er zes tot tien waren, de primaire tactische eenheid van het legioen. De cohors bestond uit vijf tot acht centuria, elk geleid door een centurio, geassisteerd door een optio, een soldaat die kon lezen en schrijven. De oudste centurio van het legioen werd de primus pilus genoemd, een carrièresoldaat en adviseur voor de legatus legionis. Onder de hervormingen van Marius werden de drie verschillende typen zware infanterie vervangen door een enkel standaardtype van legionair, gebaseerd op de principes. Het legioen werd voor het eerst georganiseerd in permanente cohortes. Voordien waren cohorten tijdelijke administratieve eenheden of tactische gevechtsgroepen van enkele manipels groot. Hun bestaan was nog meer van voorbijgaande aard dan de legioenen van de vroege republiek zelf. De in cohortes ingedeelde legioenen van de late republiek en het vroege keizerrijk worden vaak Marianische legioenen genoemd. Na de slag bij Vercellae in 101 v.Chr. verleende Marius het Romeins staatsburgerschap aan alle Italiaanse soldaten. Hij rechtvaardigde deze actie in de Senaat door te verklaren dat in de hitte van de strijd hij geen onderscheid kon maken tussen Romein of bondgenoot. Dit elimineerde feitelijk het concept van geallieerde legioenen, en sindsdien werden alle Italiaanse legioenen beschouwd als Romeins legioen. De rol van geallieerde legioenen zou uiteindelijk overgenomen worden door de hulptroepen.