thumb|300px|Het linieschip Friso werd tussen 1728-1730 te Harlingen gebouwd, naar Engels model. Schilderij gemaakt tussen 1800-1850 De Friese Admiraliteit was een van de admiraliteiten ten tijde van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Admiraliteiten waren verantwoordelijk voor het uitrusten en bemannen van schepen. De Friese Admiraliteit werd opgericht op 6 maart 1596 en ontbonden in 1795, toen de Franse tijd in Nederland aanbrak.

Vernietiging van het Admiraliteitsarchief Veel bronnen van de Friese Admiraliteit zijn er tegenwoordig niet meer over. Bij de grote brand van 12 op 13 februari 1771 in Harlingen ging niet alleen vrijwel al het archiefmateriaal van de Admiraliteit in vlammen op, maar daarnaast ook vele kaarten en documenten met betrekking tot de geschiedenis van Friesland. Het weinige resterende archiefmateriaal werd overgebracht naar het Departement van Marine te Den Haag. Toen daar op 8 januari 1844 brand uitbrak, verging al het resterende archiefmateriaal.T.H.Milo over "De Nederlandsche marinearchieven" in april 1944, zie p.320 Ook over de grote mannen van de Admiraliteit is weinig bekend. Ook hier is gebrekkig archiefmateriaal de oorzaak. Treffend is het verhaal van Beucker Andreae. Deze maakte een studie naar het leven van Auke Stellingwerf. Over zijn zoektocht naar de doopboeken van diens geboorteplaats schreef hij het volgende:

Er was echter bij de kerkvoogden eene kist met oude boeken en schrifturen bewaard gebleven, waaronder, naar de meening van een oudinwoner der stad, doopboeken zouden schuilen. Maar die kist had men vóór eenige jaren ter bewaring aan H. H. Diakenen overgegeven en daar zij ongelukkig niet slotvast was, had de moeder in het oude-mannen-huis de boeken, daarin voorhanden, tot allerlei huishoudelijk gebruik tot patronen verknipt! En zoo is het gekomen, dat, ofschoon de kist aldaar nog bestaat, de papieren er niet meer te vinden zijn.Michiel de Ruyter en syn Fryske ûnderadmiraels (Leeuwarder Courant, 4 maart 1962)

De oprichting thumb|300px|Op de voorgrond drie schepen van de Friese Admiraliteit Door de Nederlandse Opstand (1568-1648) ontstond vlak na het ontstaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de behoefte aan een verbeterde organisatie ten behoeve van de verdediging ter zee. Al snel ontstonden er strubbelingen tussen de zeeprovincies met een verschillende kijk op de inrichting van een dergelijke organisatie. Oorspronkelijk waren er dan ook drie Admiraliteiten: die van Zeeland, die van Zuid-Holland en die van Noord-Holland, waar Friesland ook onder viel. Er brak een geschil uit met de Amsterdamse Admiraliteit over inkomsten uit konvooien, in- en uitvoerrechten, het overige financiële beleid en de grote afstand tot Amsterdam. Daarom werd gezocht naar een andere oplossing.

Die werd gevonden toen op 6 maart 1596 besloten werd tot de "Oprichting van een Kamer ofte Raad van Admiraliteit voor deze Landschappe". Op 5 mei 1597 werden voor het oprichten en instellen van de Friesche Admiraliteit Hoitze Aisma, Feijcke Tetmans, Sicke van Dijckstra en Frans Jansz aangewezen.

Organisatiestructuur Op 14 juni 1597 richtten de Staten-Generaal vijf zelfstandige admiraliteiten op: de Zeeuwse, de Friese, de West-Friese, de Amsterdamse en de Rotterdamse.In 1593 was het Collegie Superintendent opgeheven, dat was opgericht in 1589 met Prins Maurits, sinds 1588 Admiraal-Generaal, aan het hoofd. De Friese Admiraliteit kende een eigen hiërarchie. Zij werd geleid door een college waarin drie raadsleden ("raden") uit Friesland zitting namen, een uit Groningen stad en een uit de Ommelanden, en een uit Holland, Utrecht, Gelderland en Overijssel, tezamen negen man. Dit college was verantwoordelijk voor het aanstellen van ambtenaren als deurwaarders, bodes en klerken. Daarnaast werd door de Staten-Generaal voor elke Admiraliteit een ontvanger-generaal, een secretaris en een advocaat-fiscaal benoemd. Behalve Friesland betaalde ook de provincie Groningen mee in de kosten; vaak werden daarom Groningers benoemd in bevelvoerende posities, zoals admiraal Rudolf Coenders, en meestal had een aantal schepen een naar Groningen verwijzende naam. De Friese Admiraliteit werd opgericht op 15 augustus 1597. De vijf admiraliteiten hielden tweemaal per jaar een gezamenlijke vergadering in Den Haag en hun vertegenwoordigers vormden dan een Generaliteitscollege; in de praktijk oefende dit orgaan weinig gezag uit.

Dokkumer tijd thumb|300px|Het Admiraliteitsgebouw met boven de deur het gecombineerde wapen van de provincies Friesland en Groningen|alt= thumb|300px|Locatie van de oude admiraliteitswerf te Dokkum De Admiraliteit werd gehuisvest in het oude raadhuis, op de hoek van de Hoogstraat en de Lange Oosterstraat in de stad Dokkum. Dit gebouw was in 1589 aangekocht door kapitein Tjaerd Tjebbes voor het bedrag van 900 goudgulden.

De Admiraliteit nam haar intrek in het Blauhuis, een indrukwekkend gebouw met een markante ranke toren. Het stadsbestuur betaalde aanvankelijk de huur, maar vanaf 1610 werd deze overgenomen door de Admiraliteit.Terpstra, Piter Tweeduizend jaar geschiedenis van Friesland (Leeuwarden 1979) Blz. 133.

In 1618 verhuisde de instelling naar een ander pand, waar tegenwoordig het stedelijk museum van Dokkum, toepasselijk "Het Admiraliteitshuis" geheten, is gevestigd.Anders dan de naam doet vermoeden is dit museum niet gericht op het zeevaartverleden van de stad. Nog in 1950 voerde dit huis het wapen van de Friese Admiraliteit.

Over de periode tussen de oprichting en de Slag bij Duins (1639) is niet veel bekend door de vernietiging van het archief van de Admiraliteit. Wel blijkt uit een vlootlijst dat bij de Slag bij Gibraltar kapitein Teunis Woltersz met het schip De Friesche Pinas aanwezig was. Het is onbekend hoeveel manschappen en stukken geschut bij dit schip hoorden.

Dat aanmonsteren bij de Admiraliteit te Dokkum een goede manier was om geld te verdienen, blijkt uit de volgende passage uit de notulen van een vergadering van de Staten Generaal, waarin deze kapitein om betaling vraagt wegens betoonde moed:

Kapt.Thoenis Woltersz. vraagt bij rekest betaling van f. 50,= die hem 17 December 1609 zijn toegewezen voor betoonde moed in de slag bij Gibraltar, voorts voorschrijven aan de Adm.v.Dokkum om hem weer in dienst te nemen en in tussen toekenning van een traktement. De Staten besluiten de Adm te schrijven dat zij Woltersz de f. 50,= moet uitbetalen en hem bij de eerste vacature weer in dienst te nemen. Voorlopig zal hij een extra-ordinaris traktament van f. 12,= ontvangen, als blijkt dat hij werkelijk dienst doet.De Sneuper - Admiraliteit Dokkum (Blz. 649. 17 Mei 1612. 4b-538.) . Gearchiveerd op 9 juni 2021.

De Admiraliteit in de Slag bij Duins thumb|300px|Slag bij Duins, schilderij van Reinier Nooms In 1626 werd de Friese Admiraliteit vrijgesteld van levering van zes oorlogsschepen. Dit duidt erop dat het bestuurlijk en financieel niet allemaal soepel verliep in Dokkum. Wel komt de Admiraliteit in actie als onder leiding van Maarten Harpertszoon Tromp de Eems en de Jade geblokkeerd worden. Hierbij veroveren de Friezen zelfs de vrijbuiter Du Mortier. In 1639 rustte de Admiraliteit drie schepen en vier jachten voor de republiek uit. Een paar weken voor de Slag bij Duins werd een roeifregat, uitgerust door de Friese Admiraliteit, onder leiding van kapitein Joris Pieters van den Broeck op verkenning uitgestuurd. Nadat deze verslag had uitgebracht bij Admiraal Tromp werd besloten om met de Nederlandse vloot van 29 schepen ten strijde te trekken tegen 67 Spaanse schepen. Een van de grootste schepen onder leiding van Tromp was een fregat met zeventig man en 22 kanonnen onder leiding van de Friese kapitein Tjaard de Groot. Tijdens het gevecht werd Van den Broeck naar Calais gestuurd om een nieuwe voorraad buskruit te halen voor het vlaggenschip van Tromp. In de slag zelf wist Van den Broeck een Spaans galjoen met 140 man en achttien stukken geschut te veroveren.

Ook in de jaren na de Zeeslag bij Duinkerke van 1639 liet Van den Broeck nog verschillende keren van zich horen. In mei 1641 veroverde hij een Duinkerker schip met tachtig man en twaalf stukken geschut en in 1642 veroverde hij met een schip dat slechts 67 man en tien stukken geschut telde een fregat met 140 man en twintig kanonnen.

Verhuizing In de haven waren de voorzieningen aanwezig die de Friese Admiraliteit nodig dacht te hebben voor de twee oorlogsschepen die de Wadden onder controle moesten houden. De voorzieningen voor het uitrusten van meer schepen waren niet aanwezig, maar werden ook niet nodig geacht. Toen er later toch de behoefte ontstond aan grote oorlogsschepen, werd uitgeweken naar andere havens. Van 1620 tot 1636 werden dan ook de grote oorlogsschepen van de Admiraliteit uitgerust te Amsterdam. In 1636 werden de schepen nog een korte tijd in Rotterdam gestationeerd. Al in 1631 gingen er in het Friese college stemmen op om naar Harlingen te verhuizen. De Bequamer situatie van den Stadt Harlingen ende andere commoditeyten, dienende tot den Equipagie ter zee ende affweringe van des vijandts dagelijckse attentaten waren hiervoor de reden.De Sneuper - Admiraliteit Dokkum (p. 136). Gearchiveerd op 9 juni 2021. Pas tien jaar later werd er een commissie ingesteld die de mogelijkheden voor de verhuizing moest onderzoeken.

Een jaar later, op 18 augustus 1643 werd een reglement opgesteld waarin de bepalingen voor de verhuizing werden opgenomen. Op 1 maart 1644 viel de definitieve beslissing om te verhuizen. In de loop van 1645 vond de verhuizing plaats. De magistraat van Harlingen beloofde ervoor te zullen zorgen dat de Admiraliteit goede huisvesting zou krijgen in 'zijn' stad. De kosten werden door de stad gedragen. De Admiraliteit had echter meer gebouwen nodig dan verwacht. Niet alleen was er behoefte aan vergaderruimtes, maar ook waren er pakhuizen, onderkomens voor gevangenen en een woning voor de dienstbode nodig. De Admiraliteit kreeg een gebouw aan de zuidzijde van de Zuiderhaven. Er was een vermaning nodig voordat hier ook een pand aan de Noorderhaven bij kwam. Een laatste vermaning in 1653 was nodig voor ook enkele pakhuizen in de buurt van de Westerkerk tot het domein van de Admiraliteit gerekend konden worden.

Eerste Engelse oorlog thumb|300px|De Vierdaagse Zeeslag Bij de aanvang van de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog in juli 1652 was de vloot van de Republiek ernstig verwaarloosd. In 1651 was besloten de vloot van veertig schepen uit te breiden met 36. Een jaar later werd besloten daar nog eens 150 schepen bij uit te rusten. Aan de eerste order uit 1651 wist de Friese Admiraliteit niet te voldoen. Maar voor de tweede opdracht uit 1652 leverde de Admiraliteit stipt op tijd de zeventien schepen af die ze moest leveren. Elk schip was tussen de 120 en 125 voet lang en tussen de 27 en 28 voet breed. De schepen werden bemand door 85 matrozen en 25 soldaten. Daarnaast bedroeg de bewapening tussen de 28 en 30 kanonnen.

Tijdens de Slag bij Plymouth voeren voor de Admiraliteit de schepen de 'Westergo', de 'Albertina', de 'Schaapherder', de 'Sara', de 'Hector van Troye' en de 'Gelderlandt' onder Michiel de Ruyter. Daarnaast voer de Friese kapitein Douwe Aukes op het schip 'De Vogelstruys' dat van de Verenigde Oost-Indische Compagnie was. Bij het uitbreken van de oorlog was het schip snel omgebouwd tot oorlogsschip waardoor het bij de vlag een bemanning van 200 koppen en 40 kanonnen had. Aukes dwaalde met zijn schip af van de rest van de vloot en het schip werd omsingeld door vier Engelse schepen. Toen de bemanning op het punt stond zich over te geven, dreigde Aukes het schip eigenhandig te laten ontploffen. De bemanning werd zo bang dat in het volgende gevecht twee Engelse schepen tot zinken werden gebracht terwijl de anderen op de vlucht gingen.