thumb|OCMW Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) is in België een gemeentelijke openbare instantie. De OCMW's hebben tot doel elke persoon in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid (art. 1 OCMW-wet). Het OCMW verstrekt diensten aan armen, zorg aan ouderen (het OCMW beheert onder andere woonzorgcentra) en ook psychische hulp aan de inwoners. Binnen de Franse Gemeenschap heet het OCMW Centre Public d'Action Sociale (CPAS) en binnen de Duitstalige Gemeenschap heet het Öffentliches Sozialhilfezentrum (ÖSHZ). Structurele uitkeringen aan armen zijn vervangen door het leefloon, en dat is nu een recht. Een aantal functies kunnen ook door het Centrum voor Algemeen Welzijnswerk (CAW) uitgeoefend worden.

Geschiedenis

Op het einde van het ancien régime, tijdens de Oostenrijkse periode (1715-1795), werden een aantal beslissende stappen gezet in de evolutie van de openbare armenzorg. De grootste omslag gebeurde in de Franse periode (1794-1815). Alle bestaande publieke en private instellingen werden samengevoegd in een publieke organisatie van Burgerlijke Godshuizen, terwijl de zorg voor de armen werd toevertrouwd aan een 'Bureau van Weldadigheid'. In België kwam er op 27 november 1891 een Wet op de Openbare Onderstand.Gewijzigd bij de wetten van 19 mei 1898 en 29 december 1926, het besluit van de Regent van 23 augustus 1948, de wetten van 27 juni 1956 en 23 juni 1960, en opgeheven door art. 22 van de wet van 2 april 1965. In de negentiende eeuw waren er opnieuw verschillende (al dan niet kerkelijke) armenzorginitiatieven, maar de publieke Burelen van Weldadigheid en Burgerlijke Godshuizen bleven bestaan en waren de voorlopers van de huidige OCMW's.

De Eerste Wereldoorlog speelde een belangrijke rol in de hulpverlening aan de armen. Men kreeg te kampen met hoge werkloosheid, grote armoede en hongersnood, die deels door Amerikaanse hulp werden verholpen. Na 1918 moest België heropgebouwd worden. Om de nodige werknemers daartoe te motiveren, en onder druk van de syndicale beweging kwam er vrij snel een eerste sociale wetgeving tot stand. Noch de sociale wetgeving noch het bestaande private initiatief volstonden echter om de aanhoudende armoede te doen verdwijnen.

Daarom kwam er in 1925 een Wet op de Commissie voor Openbare Onderstand (COO). De COO's werden in elke gemeente opgericht en werden samengesteld uit burgers die voorgedragen en verkozen werden door de gemeenteraadsleden. Ze werden bijgestaan door een secretaris en een ontvanger. De raad van de COO kon zich laten bijstaan door een maatschappelijk werker, maar in het begin kwamen deze er nauwelijks aan te pas.

In 1974 zag het bestaansminimum het levenslicht. Het betrof een minimumuitkering voor personen zonder, of met een te laag inkomen, die niet konden terugvallen op een uitkering uit andere stelsels van de sociale zekerheid (werkloosheidsvergoeding, ziekte- of invaliditeitsuitkering, pensioen). Het bestaansminimum werd ingesteld als een recht, maar de begunstigde moest zich bereid tonen om inkomsten uit arbeid te verwerven, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen onmogelijk was. De wetgeving betreffende het bestaansminimum werd in 2002 vrij ingrijpend hervormd. Het bestaansminimum heet sindsdien het leefloon.

Op 8 juli 1976 kwam er een Wet op het 'Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn', de opvolger van de 'Commissie van Openbare Onderstand'. De OCMW's kregen een breder doel dan alleen maar het verstrekken van financiële hulpverlening. Elk OCMW moest naast een secretaris en een ontvanger ook ten minste één maatschappelijk werker in dienst hebben.

In het Vlaams Gewest volgden nadien de decreten van 19 maart 2004 (opgeheven), 19 december 2008 en 9 februari 2018.9 FEBRUARI 2018. - DECREET betreffende het lokaal sociaal beleid

Het belangrijkste doel blijft de bestrijding van de armoede: "Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid". Het recht op bestaansminimum, thans leefloon genoemd, is bij wet gegarandeerd.

Kenmerken van het OCMW Het OCMW is een lokale, openbare eerstelijns welzijnsvoorziening. Lokaal: in elke gemeente is er een OCMW. Elk OCMW is een zelfstandige entiteit (met eigen rechtspersoonlijkheid en een eigen bestuur); Openbaar: de OCMW's werden ingericht door de overheid en worden bestuurd door politici, als afgevaardigden van de lokale bevolking. Het OCMW staat open voor iedereen, ongeacht afkomst of overtuiging (non-discriminatiebeginsel). "Publiek" staat hier ook in tegenstelling tot "Privaat". Er bestaan in België en Vlaanderen ook private welzijnsvoorzieningen - deze hebben doorgaans de vorm van een vzw; Eerstelijns: men kan rechtstreeks bij het OCMW aankloppen. Een doorverwijzing is niet vereist. Voor problemen die complex zijn en een zeer gespecialiseerde begeleiding vergen wordt dikwijls doorverwezen naar de "tweede lijn"; Welzijnsvoorziening: het OCMW heeft een welomschreven taak, nl. het bevorderen van het sociale, maatschappelijke welzijn van de lokale bevolking.

Structuur thumb|Het OCMW-hoofdkwartier in Brugge

De Raad voor Maatschappelijk Welzijn Elk OCMW wordt bestuurd door een Raad voor Maatschappelijk Welzijn, bestaande uit negen tot vijftien leden naargelang de grootte van de gemeente of stad. Deze worden bij de installatie van de nieuwe gemeenteraad gekozen door de gemeenteraad. In een aantal faciliteitengemeenten worden de OCMW-raadsleden rechtstreeks door de burgers gekozen. Door het systeem van meervoudig stemrecht zetelen eerder enkel de grotere fracties van de gemeenteraad in de OCMW-raad, zowel uit de meerderheid als uit de oppositie, vrijwel in dezelfde verhouding.

Om lid te kunnen zijn van de OCMW-raad moet de kandidaat Belg of EU-lid zijn (art. 8 G.W.), minstens 18 jaar zijn en zijn hoofdverblijf in de gemeente hebben. OCMW-raadsleden mogen geen ambt of functie bekleden dat onverenigbaar is met hun mandaat.

De Raad voor Maatschappelijk Welzijn is een collegiaal orgaan en neemt beslissingen in vergadering. De Raad vergadert een of meerdere keren per maand. De voorzitter kan de Raad samenroepen wanneer hij dit nodig acht. De vergaderingen van de Raad zijn openbaar, tenzij het over personen gaat of de openbare orde een besloten zitting vereist.

De voorzitter van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn wordt voorgedragen door en uit de leden van de Raad. Hij is hoofd van het OCMW, tekent alle uitgaande briefwisseling samen met de secretaris en leidt de vergaderingen. Hij ontvangt hetzelfde salaris als een schepen van zijn gemeente. Volgens het Vlaamse gemeentedecreet is de voorzitter in Vlaanderen voortaan ook lid van het college van burgemeester en schepenen (optioneel na de verkiezingen van 2006, verplicht na de verkiezingen van 2012).

De Raad voor Maatschappelijk Welzijn kiest de leden van het Vast Bureau, dat belast is met het dagelijks bestuur, en alle andere welomschreven bevoegdheden die de Raad aan het Bureau toevertrouwt.

De Raad kan Bijzondere Comités oprichten en aan deze welomschreven bevoegdheden toevertrouwen, met uitzondering van die bevoegdheden die wettelijk aan de Raad zijn voorbehouden. Het gaat om comités voor een specifieke materie zoals de sociale dienst, tewerkstelling, leefloon of huisvesting. De oprichting van het Bijzonder Comité voor de sociale dienst (individuele hulpverlening) is echter verplicht. Organen van het OCMW zijn de Raad voor maatschappelijk werk, het vast bureau, de voorzitter, het overlegcomité en het bijzonder comité.

Het Vast Bureau Het Vast Bureau zorgt voor het dagelijks bestuur, en is samengesteld uit de leden van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn. De leden worden benoemd bij geheime stemming.

Ingevolge artikel 11bis van de grondwet moet het vast bureau samengesteld zijn uit personen van verschillend geslacht.

Het personeel van het OCMW Het OCMW heeft een secretaris, een financieel beheerder (ontvanger), minstens één maatschappelijk assistent en verder onderhouds- en technisch personeel.

De secretaris woont - zonder stemrecht - de vergaderingen bij van de Raad en het Vast Bureau, maakt het verslag en informeert de Raad over de geldende rechtsregels. Hij is personeelsverantwoordelijke maar staat onder de voorzitter, de Raad en het Vast Bureau. Hij tekent samen met de voorzitter alle uitgaande brieven.

De Ontvanger int de gelden van het OCMW en doet de betalingen die door de Raad zijn goedgekeurd.

De Sociale Dienst telt een of meer maatschappelijk werkers, en eventueel administratieve medewerkers. De Sociale Dienst biedt de volgende diensten aan: hulp in noodsituaties, door eerst het nodige onderzoek te doen en vervolgens de meest passende middelen te voorzien om aan de nood te verhelpen verstrekken van documentatie en advies, met maatschappelijke begeleiding van de cliënt Met respect voor de overtuiging van de cliënt wordt, bij een aanvraag van materiële hulp of intensieve begeleiding, een verslag opgemaakt dat voorgelegd wordt aan de Raad voor Maatschappelijk Welzijn of aan het Bijzonder Comité van de Sociale Dienst. De Raad beslist om de gevraagde steun al dan niet toe te kennen. Hij is niet verplicht het advies van de maatschappelijk werker te volgen. In principe moet deze niet aanwezig zijn bij de bespreking maar in de praktijk is dat een gewoonte geworden. De uitvoering van de beslissing wordt aan de maatschappelijk werker toevertrouwd.

Het streven naar integratie van gemeente en OCMW in het Vlaamse Gewest Sinds de staatshervorming van 1993 zijn de gewesten bevoegd voor de organieke regelgeving omtrent OCMW's.

Met name in Vlaanderen is er een toenemend politiek streven naar meer samenwerking tussen en zelfs fusie van het OCMW en het gemeentebestuur. Het gemeentedecreet van 2005 en het OCMW-decreet van 2008 bevatten de eerste stappen. Zo konden onder meer de besturen voor de bestuursperiode 2007-2012 (na de verkiezingen van 2006) kiezen om de OCMW-voorzitter op te nemen in het college van burgemeester en schepenen. Vanaf de bestuursperiode 2013-2017 (na de lokale verkiezingen van 2012) werd dit verplicht.

Bij de vorming van de regering-Bourgeois werd de fusie van beide besturen, althans voor het Vlaamse Gewest, zelfs als te realiseren doelstelling ingeschreven in het Vlaams regeerakkoord. Tot een volledige fusie kwam het echter niet. Zulke integratie zou immers - dat was althans het oordeel van de Raad van State - ook aanpassingen aan federale wetten vereisen, die een bijzondere meerderheid zouden vergen. Zulke meerderheid was niet voorhanden. Om niettemin een maximale integratie tussen de beide besturen te realiseren werden er door het Decreet Lokaal Bestuur, voor wat het Vlaamse Gewest betreft, ingrijpende hervormingen doorgevoerd die zich laten samenvatten als volgt:

gemeente en OCMW blijven beide bestaan als apart bestuur, met eigen rechtspersoonlijkheid (dus met een eigen patrimonium, personeelsbestand, …) een eigen bestuursorganen (de Gemeenteraad en de Raad voor Maatschappelijk Welzijn, College van Burgemeester en Schepenen en het Vast Bureau); de Raad voor Maatschappelijk Welzijn wordt echter niet langer verkozen door de Gemeenteraad maar bestaat voortaan uit de personen die deel uitmaken van die gemeenteraad. Beide raden bestaan voortaan dus uit dezelfde mensen; de leden van het Schepencollege zijn voortaan ook automatisch de leden van het Vast Bureau;