thumb|Harold legt de eed af als vazal voor graaf Willem I van Normandië - tapijtborduursel miniatuur|Piramidevoorstelling van het feodaal leenstelsel, volgens moderne opvattingen een te eenvoudige manier van denken Het feodalisme of de feodaliteit (van het Latijnse feudum of leen) is het gelaagde machts-, bestuurs- en samenlevingssysteem gebaseerd op een leenstelsel, dat zich in grote delen van Europa ontwikkelde na de Val van het West-Romeinse Rijk (circa 500), tot in de nieuwe tijd (circa 1500). Het feodalisme was het maatschappelijke systeem dat de gehele middeleeuwen gehandhaafd bleef. Het belangrijkste kenmerk is dat grondgebied door de eigenaar of houder in gebruik wordt toebedeeld aan anderen, waarbij bindende afspraken worden gemaakt over wederzijdse rechten en verplichtingen: de feodale overeenkomst. Degene die grond onder voorwaarden in gebruik gaf werd leenheer genoemd, en de ingebruiknemer vazal of leenman. De ontwikkelingen en gebruiken verschillen van streek tot streek en gedurende de verschillende tijdsperioden binnen de middeleeuwen.
Leenmannen verplichtten zich in de regel tot het leveren van verschillende soorten diensten, als trouw (fidelitate), persoonlijke militaire bijstand (servitia militaria), grondbewerking (servitia ordinaria), bescherming van het grondgebied en zijn bewoners tegen vijandige invallen, en tot het doen van regelmatige betalingen in geld of goederen. Daarnaast kregen ze verschillende rechten, als gedeeltelijk vruchtgebruik, bescherming van lijf en goed door de leenheer, het verzorgen van rechtspraak op het grondgebied, en het heffen en innen van belastingen, accijnzen en tol.
De verhouding tussen een heer en bewoners van het grondgebied waarover de heer zeggenschap had, was aanvankelijk getekend door volledige onderdanigheid van de bevolking aan de heerser. In de loop der eeuwen ontwikkelden zich door een actieve opstelling van de bewoners instituties als burgerschap en zeggenschap bij wetgeving, bestuur en rechtspraak.
Naar de huidige stand van de wetenschap moet feodalisme begrepen worden als een verzamelbegrip voor, van elkaar - naar tijd, plaats en samenleving - verschillende structuren waarbij militaire, economische, sociale, politieke, religieuze en culturele sectoren op verschillende manieren met elkaar zijn verbonden.
De Franse revolutie wilde deze eigendoms- en machtsverhoudingen (ancien régime), en de daarop gebaseerde manier van besturen afbreken, en burgers zeggenschap geven. In de politieke stroming van het marxisme wordt het begrip feodalisme op een kritische manier gebruikt, als stadium tussen de slavenmaatschappij van de klassieke oudheid en het moderne kapitalisme.Rob Meens, De feodale middeleeuwen in: 'Cultuurgeschiedenis van de Middeleeuwen' (2015) Werkboek p. 26.
Etymologie De term feodalisme komt mogelijk van het Latijnse feodum, als aanduiding voor een leen, in plaats van het oudere beneficium, dat het geleidelijk verving. Onder de bijvoeglijke afleiding feudorum (feodaal) werd tot in de achttiende eeuw verstaan datgene wat betrekking heeft op het feodum, in deze zin de Italiaanse Libri Feudorum uit de twaalfde eeuw. In deze betekenis wordt het nu zelden meer gebruikt, feodaliteit wordt gehanteerd als begrip voor het systeem, féodalité, ontwikkeld onder Franse Verlichtingsdenkers en daar uitgelegd met een negatieve bijklank van onderdanigheid en droit divin.
Een andere verklaring herleidt feodum naar het Germaanse fehu-ôd (vee-goed). (2018): "The Dangers of Using Latin Texts for the Study of. Customary Law: The Example of Flemish Feudal Law during the High Middle Ages" in: Law and Language in the Middle Ages, eds. Matthew W. McHaffie, Jenny Benham en Helle Vogt, p. 183. Gearchiveerd op 8 juli 2023. Maurits Gysseling verwierp dit: volgens hem kwam feodum van het Germaanse faw-ôd (beperkt bezit), waartegenover het al-ôd (geheel bezit, vanwaar allodium) was geplaatst. (1953): 'Enkele Oudnederlandse woorden in het Frans' in Mededelingen van de Vereniging voor Naamkunde te Leuven, p. 81 Het woord feodalisme is pas in de 17e Franse Verlichtingseeuw geïntroduceerd en werd verspreid door Montesquieu en Voltaire.
Inleiding miniatuur|Kasteel - een traditioneel symbool van feodalisme (kasteel Doornenburg) Aanvankelijk werden de grondstukken direct door de eigenaar, veelal een koning of andere vorst, aan aanzienlijken - vooral aanvoerders uit het leger - voor een bepaalde tijd in bruikleen gegeven. Degeen die grond in leen kreeg, de vazal of leenman, sloot een contract met de koning dat werd bevestigd door het afleggen van de vazallen-eed (vasallagium) of het opstellen en ondertekenen van een leenbrief die dan door de koning of door beide partijen van een zegel werd voorzien ofwel bezegeld. De afspraken gingen over de wederzijdse rechten en plichten die aan de leen werden verbonden. De vazal moest bijvoorbeeld het gebied in naam van de koning besturen, de koning persoonlijk als ridder en/of met troepen bijstaan in militaire veldtochten en het grondgebied verdedigen tegen aanvallen. Daartegenover mocht de leenman het gebied uitbaten; er bijvoorbeeld landbouw of veeteelt uitoefenen, er jagen of vissen, de wateren bevaren, grondstoffen delven, wind- of watermolens bedrijven, een markt organiseren, tol en belastingen heffen of een stad stichten. Een deel van de opbrengst mocht de vazal houden om zijn verplichtingen te kunnen financieren en in zijn onderhoud te voorzien. De rechtverhouding tussen leenman en leenheer was tweezijdig: ze verzekerden zich van wederzijdse steun en trouw en de leenmannen borgden militaire inzet tot aan zelfopoffering. Er ontwikkelde zich een stelsel van plaatselijk gewoonterecht dat de rechten en plichten regelde van de leenheer (persoon die de grond in eigendom had en er in juridische zin over mocht beschikken) en de leenman (de persoon die bepaalde rechten op een gebied in leen ontving). Deze verhoudingen werden in boeken geïdealiseerd als romantische ridderlijkheid, maar dat kwam volstrekt niet overeen met de realiteit.
De keten van lenen kon drie of meer trappen beslaan waarbij een leen in steeds kleinere lenen onderverdeeld geraakte. Omgekeerd werden in de loop der eeuwen meerdere lenen onder de heerschappij van een familie gebracht, door oorlog te voeren of door strategische huwelijken te sluiten.
In West-Francië (grofweg het huidige Frankrijk) gingen in de loop van de negende eeuw veel leenmannen van grote grondgebieden, edelen, zich steeds onafhankelijker opstellen in hun verhouding tot de leenheer en zich als heer en meester over de grond gedragen. Het werd de gewoonte dat een leenrecht na overlijden van de leenman feitelijk werd overgenomen door de volgende generatie in mannelijke lijn en zo in de familie bleef (vererving). Wilde de koning daar iets tegen doen moest hij (dreigen met) oorlogvoeren. Het fenomeen breidde zich zodanig uit dat de koning hiertegen uiteindelijk niet meer kon optreden. Het door keizer Karel de Kale in 877 uitgevaardigde Capitulare van Quierzy gaf de erfelijkheid een wettelijke basis binnen het hele koninkrijk.
In Oost-Francië (grofweg het huidige Duitsland) wisten de Ottonen de vererving van lenen tegen te houden, door bisschoppen te belenen. Zo verkregen ze wereldlijke macht of investituur. In 1037 bevestigde keizer Koenraad II voor Italië het recht van erfelijkheid in de Constitutio de feudis. De beschuldiging van simonie, vooral door paus Gregorius VII, leidde tot de Investituurstrijd. Deze werd beëindigd door het Concordaat van Worms van 1122, een duidelijke aantasting van het gezag van de Duitse keizer. Hiervan maakten zijn leenmannen, de nominaal onderhorige graven en hertogen, gebruik door zich steeds onafhankelijker op te stellen. Vanaf ongeveer de twaalfde eeuw bestonden ook feodale overeenkomsten zonder de verplichting tot militaire bijstand. Ten slotte was het gezag van de keizer in de praktijk beperkt tot zijn persoonlijke eigendommen: zijn Hausmacht.
Oorsprong thumb|Ordening van wapens en daarmee in standen - Illustratie Saksenspiegel Met de feodaliteit ontwikkelde zich de standenmaatschappij van het late Karolingische rijk. De Frankische koningen baseerden oorspronkelijk hun macht vooral op jaarlijkse militaire veldtochten waardoor met geweld gebiedsuitbreiding tot stand kwam en bewoners angst aangejaagd werd om te gehoorzamen aan het gezag. Militaire aanvoerders die overleefden werden beloond met een deel van de gebiedsaanwinsten dat ze in leenrecht ontvingen. Toen onder Karel de Grote alle begeerde gebieden door oorlogsvoering ingelijfd waren was het rijk veel te groot geworden om vanuit een centraal punt efficiënt te besturen. Als communicatiemiddel reisde hij persoonlijk rond om zijn gezag af te kunnen dwingen en zijn belastingen ter plaatse te innen of op te laten slaan, want veelal werden ze in natura voldaan. Hij had daarom plaatselijke vertegenwoordigers nodig en de koning vond een andere manier om zijn edelmannen aan zich te binden, door hen bestuurlijke rechten te gunnen verbonden met de grond die ze in leen hadden. Zo gingen leenheren plaatselijke bestuurlijke functies vervullen als schout of stadhouder en mochten ze in die functie plaatselijke verordeningen opstellen en rechtspreken. Uit deze klasse ontstond de adelstand.
De centrale macht was allesbehalve sterk. Grote delen van West-Europa waren van de vijfde tot de elfde eeuw vermoedelijk niet onderworpen aan enig staatsgezag, waardoor ze vreemd waren aan geweldsmonopolie en belastingen. Veel kleine boeren waren baas over eigen erf en dorpsgemeenschappen vaak zelfvoorzienend en zelfbesturend. Edelen hadden wel (feodale) verplichtingen tegenover de vorst of andere edelen, maar deze verplichtingen vloeiden voort uit overeenkomsten samenhangend met eigendomsverhoudingen, niet uit onderdanigheid.
De koningen na Karel de Grote verloren steeds meer aan macht en aanzien, vooral vanwege hun ontoereikende reactie op buitenlandse bedreigingen zoals de Vikingen. In de tijd van Hugo Capet was dit proces zo gevorderd dat sommige leenmannen rijker en machtiger waren geworden dan hun leenheer. De Franse koning beheerste toen slechts het leen rond Parijs, het Île-de-France. In de eeuwen daarna trachtten de koningen geleidelijk aan hun verloren macht te herwinnen. Een van de methoden die ze daartoe gebruikten was het Ottoonse stelsel: bisschoppen belenen met land. Zo werden de kerkvorsten een onderdeel van het politieke stelsel, met voor hen als voordeel dat het Frankische erfrecht vanwege het celibaat niet toepasbaar was.
De feodale maatschappij thumb|240px|De drie standen Koning-kroonvazallen-achtervazallen De feodaliteit was een hybride systeem om een maatschappij te organiseren, ontwikkeld door uitbreiding en standarisatie van afspraken tussen koning en leenheren over de manieren van beheer en bestuur van grondeigendom en hun bewoners. Als grondslag had het leenrecht enerzijds een financieel-economisch bestanddeel, het in gebruik geven van grond in ruil voor diensten, anderzijds een sociaal-bestuurlijk bestanddeel, het leveren van persoonlijke militaire bijstand en bestuurlijke organisatie. De leenman kreeg een gebied in bruikleen, moest er zorg voor dragen dat het land werd bewerkt, de opstallen onderhouden en mocht een deel van de opbrengsten behouden, de rest kwam aan de leenheer toe. Het ging dan vooral om opbrengsten in natura (de oogst), want in grote delen van West-Europa was geld schaars geworden. Een leenman kon daardoor zijn leengoed veelal alleen nog nuttig maken door de directe opbrengst van zijn leengoed. Dat leidde tot de ontwikkeling van het hofstelsel, met name in die gebieden waar geld nauwelijks nog een rol speelde.