thumb|400px|Gezicht op Brussel van Jan-Baptist Bonnecroy (ca. 1665)
De geschiedenis van Brussel loopt vanaf het ontstaan van de stad aan de Zenne kort voor het jaar 1000, over de bloeiperiode onder keizer Karel V en de explosieve uitbreiding buiten de muren in de 19e eeuw, via de intensieve verfransing tot de multiculturele metropool van meer dan een miljoen inwoners die de stad in de 21e eeuw is. Brussel was achtereenvolgens de hoofdstad van het hertogdom Brabant, de Zeventien Provinciën, de Zuidelijke Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, België, de Vlaamse en Franse Gemeenschap en uiteindelijk ook de Europese Unie.
thumb|Kaart van de stad Brussel rond 1745 thumb|Schilderij van Lancelot Volders met een gezicht op Brussel (1666), dus voor het bombardement van 1695
Vroegste ontwikkeling
thumb|Karel van Frankrijk, stichter van Brussel, 976. Litho (± 1850), naar de ruim verbreide opvatting van toenmalige Brusselse historici. thumb|De oudste vermelding van een Brussels stadszegel dateert uit 1231, vlak na de eerste stadskeure. Dit exemplaar uit 1257 is het oudst bewaarde. Het draagt een Middelnederlands randschrift: INGESIGELE · DER · PORTERS · VAN · BRUSLE
De vroegste geschiedenis van Brussel blijft onduidelijk. De oudste bevolkingsgroepen bewoonden het randgebied van het huidige Brussels Hoofdstedelijk Gewest, weg van de moerassige Zennevallei. In het Zoniënwoud werden sporen teruggevonden uit het Neolithicum. In de Bronstijd en de IJzertijd vestigden zich landbouwers op ontboste gronden. In de Romeinse tijd verrezen er in de 1e en 2e eeuw n.Chr. villa's langs weerszijden van de Zenne. Uit deze periode of eerder stammen twee grafheuvels. In de Merovingische tijd, in de 6e en 7e eeuw, verrezen er landbouwgehuchten op heuvels nabij de Zenne.
Kort voor het jaar 1000 begonnen woonkernen nabij de Zenne aaneen te klonteren tot een stedelijk centrum dat een marktplaats bood aan de intensiverende landbouw uit de omgeving. Handelaars en handwerkers vestigden zich in deze portus, waar ook gewassen werden verbouwd en vee geteeld. Het jonge Brussel was deel van de tweede middeleeuwse verstedelijkingsgolf in Noordwest-Europa. Het lag op een naar het noorden lopend riviertje en een oost-westgeoriënteerde handelsroute tussen de oudere steden Brugge en Keulen.
De naam duikt voor het eerst op als Brosella in een Latijnse tekst geschreven rond 1015. In de Oudnederlandse taal van de bewoners heette de stad Bruocsella, een samenstelling van bruoc (broek, moeras) en sele (woning, verblijf). (red.), Altdeutsches Namenbuch, vol. II, Bonn, 1913, kol. 582-583 In het vroege Middelnederlands evolueerde dat tot Brussele en Bruesele.
Bestuurlijk lag Brussel in de Brabantgouw en in het bisdom Kamerijk. De gouw Brabant bestond uit vier graafschappen, waarvan het graafschap Brussel het meest oostelijk gelegen was (vermoedelijk beperkt tot het gebied tussen de rivieren de Zenne en de Dijle). Nog voor het einde van het jaar 1000 kwam het graafschap Brussel in bezit van de graaf van Leuven. Deze beschikte weldra te Brussel over een kasteel op de Koudenberg. Het beheer ervan werd overgelaten aan de burggraaf van Brussel. Onder graaf Lambert II Balderik werd midden 11e eeuw het Sint-Goedelekapittel gesticht.Het jaartal is afkomstig uit een eind twaalfde eeuw vervalste akte, maar de authentieke akte van 1073 vermeldt in elk geval dat op verzoek van Lambert II Balderik († 1054) canonicos waren geïnstalleerd in Brussel. Het zetelde in de Sint-Michielskerk op de Treurenberg.
12e tot 15e eeuw De graven van Leuven en Brussel werden omstreeks 1085/1086 ook landgraven van Brabant. In 1106 verwierven ze het hertogschap van Neder-Lotharingen en omstreeks 1183/1184 werden ze in het landgraafschap Brabant verheven tot hertog van Brabant. Brussel genoot in de daaropvolgende eeuwen steeds meer aandacht van de landsheren, enigszins ten nadele van de stad Leuven. Beide steden groeiden met de opleving van handel en industrie in de 12e eeuw.
Begin 13e eeuw kreeg Brussel een eerste stenen stadsmuur. Deze was vier kilometer lang en had zeven stadspoorten. Hij omsloot het Sint-Gorikseiland in de Zenne, de nabijgelegen Nedermerct en de omliggende heuvels. Uitstulpingen namen de Sint-Michielskerk en het Koudenbergkasteel op in de stad. Van deze ringmuur zijn belangrijke delen bewaard gebleven.
In 1229 verleende hertog Hendrik I van Brabant de eerste Stadskeure van Brussel. Dit stadsrecht biedt inzicht in het functioneren van de amman en de schepenbank. Het had vooral aandacht voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van poorters en was feitelijk een vredesregeling die de factiestrijd met en binnen het patriciaat moest temperen. Talrijke welgestelde families uit dit patriciaat zouden in de Spaanse Nederlanden en later de Oostenrijkse Nederlanden adelbrieven verwerven. Ook gemeentenaren konden grote rijkdom vergaren. Vooral de textielsector, gedomineerd door de Lakengilde, ontwikkelde zich sterk in de 13e eeuw. De schapenteelt op de vochtige gronden rond Brussel volstond lang niet meer: wol, aluin en andere grondstoffen werden ingevoerd van over de grenzen, en ook de export van laken was internationaal. De begijnen, die rond 1250 het grootste begijnhof van België waren gestart, vormden een bijzonder onderdeel van deze sector.
In 1236 en 1276 vonden er in Brussel grote stadsbranden plaats. Zoals elders in Vlaanderen en Brabant kende Brussel een woelige start van de 14e eeuw. De ambachten kwamen in opstand, maar moesten zich er na drie jaar strijd in 1306 bij neerleggen dat de Stadsmagistraat en de Lakengilde in handen bleven van de patriciërs. Daarvoor organiseerden dezen zich in Zeven Geslachten.
In 1348 ontstond de Ommegang van Brussel, ter ere van het door Beatrijs Soetkens ontvreemde beeld van Onze-Lieve-Vrouw op 't Stocxken. De Zwarte Dood eiste een hoge tol onder de 40.000 inwoners die Brussel toen telde. De Brusselse joden moesten het ontgelden en werden in 1349 geteisterd door een pogrom. Twee decennia later kreeg de overblijvende gemeenschap te maken met een onterechte beschuldiging van hostieontwijding. Terechtstellingen maakten een einde aan de joodse aanwezigheid in de stad.
Tijdens de Brabantse Successieoorlog wist de Vlaamse graaf Lodewijk van Male Brussel in te nemen na de Slag bij Scheut, op 17 augustus 1356. Hij verving het Diets door het Frans als officiële taal. Dit duurde niet lang, want op 24 oktober drong een honderdtal Brusselse commando's onder leiding van t'Serckaes Brussel binnen, verdreef de soldaten van de graaf van Vlaanderen en gaf de macht terug aan het hertogdom Brabant. Diets werd weer de officiële taal.
De Brusselaars en de Brabanders aanvaardden het gezag van hertog Wencelijn en hertogin Johanna in ruil voor de Blijde Inkomst. Om de stad beter te verdedigen werd het volgende jaar de bouw van een nieuwe omwalling aangevat. Haar tracé is nog herkenbaar in de kleine ring rond de Vijfhoek, hoewel de muur wat meer afgerond was. De lengte van acht kilometer deed het Brusselse grondgebied groeien van 80 naar 509 hectare, meer dan een verzesvoudiging. Fiscaal strekte de jurisdictie zich nog verder uit door de Kuip van Brussel.
In de 14e eeuw bereikte de lakennijverheid haar grootste bloei. De Brusselaars toonden hun rijkdom en autonomie door de bouw van een gotisch stadhuis op de Grote Markt, het economisch centrum van de stad. Reeds in de 13e eeuw stonden daar de vleeshal, de wolhal, de lakenhal en de broodhal. Dit waren eenvoudige constructies waar de handelaren hun kraampjes konden opzetten. De broodhal was vanaf de 14e eeuw verder uitgebouwd en voorzien van een verdieping waar de wolhal dan gehuisvest was.
Onder de zwakke hertog Jan IV wisten de ambachten van Brussel hun positie te verbeteren. Gebruik makend van de rivaliteit tussen hertogin Jacoba van Beieren en haar oom Jan, namen ze de wapens op aan de zijde van de clan Van den Heetvelde en stonden ze achter de benoeming van Filips van Sint-Pols tot ruwaard van Brabant. Verschillende patriciërs werden onthoofd en hertog Jan IV zag zich gedwongen in 1421 het Nieuw Regiment te aanvaarden. Voortaan mochten de ambachten hun invloed laten gelden via de Negen Naties.
In 1430 stierf hertog Filips van Saint-Pol en verviel Brabant aan zijn neef Filips III van Bourgondië, beter bekend als Filips de Goede. Daardoor werd Brabant opgenomen in het Bourgondische Rijk dat zich stilaan begon af te tekenen. In hetzelfde jaar begon de nieuwe vorst het kasteel op de Koudenberg uit te breiden tot een imposant paleis. Hij liet blijken dat Brussel zijn hoofdresidentie kon worden als daartoe de nodige inspanningen werden geleverd. Het stadsbestuur kocht gronden om de hertogelijke warande uit te breiden en financierde de bouw van de Aula Magna. Zeker na de voltooiing ervan in 1459 werd Brussel de hoofdstad van Filips de Goede.
De politieke rol ging niet ten koste van de economie. Weliswaar begon de lakennijverheid aan een neergang, maar andere gespecialiseerde sectoren traden in de plaats. De Brusselse wandtapijten en de Brusselse retabels stonden aan de Europese top. Uit Doornik werd Roger de la Pasture aangetrokken om stadsschilder te worden. In de Zennestad vernederlandste hij zijn naam tot Rogier van der Weyden. Ondanks diens roem zou de Brusselse schildersschool vooral in de breedte groeien en nooit het niveau bereiken van Brugge of Antwerpen. De kracht van Brussel lag in gespecialiseerde luxe-industrieën. Een remmende factor was het Mechelse stapelrecht op de Zenne, dat aanleiding zou geven tot het Groot Stedenproces. Reeds onder Filips de Goede waren er plannen om deze handelsader te kanaliseren. Maria van Bourgondië verleende toelating voor het graven van een volledig nieuw kanaal van Brussel over Vilvoorde naar de Dijle in Mechelen, maar dit kreeg geen vervolg.
16e eeuw Van Bourgondië naar de Spanjaarden Door de aanwezigheid van het Bourgondisch hof en zijn centraliserende beleid groeide in Brussel het gewicht van de vorstelijke macht ten nadele van de stedelijke autonomie. Toen de jonge hertogin Maria van Bourgondië in 1477 onverwachts haar oorlogszuchtige vader Karel de Stoute opvolgde, moest ze het hoofd bieden aan de ontevredenheid van de burgers. Met het Groot Privilegie willigde ze heel wat eisen in. Ze trouwde met de keizerszoon Maximiliaan van Oostenrijk uit het Huis Habsburg, tegen wie nogal wat wantrouwen bestond. Aan de vooravond van hun blijde inkomst kwamen de Brusselaars onder het paleisvenster roepen tot de hertogin verscheen om hen gerust te stellen over haar aanwezigheid. Toen Maria van Bourgondië in 1482 op jonge leeftijd stierf, ontbrandde een strijd rond het regentschap over haar minderjarige zoontje Filips de Schone. Net zomin als het opstandige Vlaanderen wilde Brussel de aanspraken van diens vader Maximiliaan zomaar erkennen. Deze had echter geen oren naar de eisen en liet in 1480 twee Brusselse afgezanten onthoofden. Hij werd keizer in 1486 en kwam naar Brussel, waar de stadsmilities zijn Duitse soldaten aanvielen. In 1488 opende Brussel de poorten voor zijn rivaal Filips van Kleef. Pas na een bloedige oorlog wist Albrecht van Saksen het volgende jaar Brussel te doen capituleren.