De Koninklijke Luchtmacht (KLu) is het één na jongste krijgsmachtdeel van Nederland. De Nederlandse krijgsmacht bestaat hiernaast uit de Koninklijke Marine (KM), de Koninklijke Landmacht (KL) en de Koninklijke Marechaussee (KMar). Op 11 maart 1953 werd de luchtmacht als zelfstandig krijgsmachtdeel afgescheiden van de Koninklijke Landmacht en mocht zich voortaan ‘koninklijk’ noemen.

Sinds 2005 zijn bovenstaande krijgsmachtdelen geen zelfstandige organisaties meer maar zijn de operationele eenheden van de KM, KL en KLu geïntegreerd in drie operationele commando's (OPCO's). Deze commando's zijn:

Commando Landstrijdkrachten (CLAS) Commando Lucht- en Ruimtestrijdkrachten (CLRS) Commando Zeestrijdkrachten (CZSK).

Deze commando's staan als onderdeel van het Ministerie van Defensie direct onder de Commandant der Strijdkrachten (CDS). De Koninklijke Marechaussee staat, als onafhankelijk militair politiekorps, onder direct bevel van de Minister van Defensie. Een uitzondering hierop is een militaire missie in het buitenland. Dan staat de uitgezonden eenheid wel onder bevel van de CDS.

Het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK) is per 1 juli 2025 hernoemd naar het Commando Lucht- en Ruimtestrijdkrachten (CLRS) of Royal Netherlands Air and Space Command in het Engels. De wapenspreuk van de Koninklijke Luchtmacht is Parvus numero, magnus merito (Klein in aantal, groot in daden).Parvus numero, magnus merito. Gearchiveerd op 19 april 2023. De wapenspreuk van het CLRS is Waakzaam en Trefzeker.

De sterkte van de Koninklijke Luchtmacht bedroeg in 2023 in totaal 1092 burgers, 6403 militairen en 755 reservisten.

Geschiedenis Voorgeschiedenis thumb|De vlag van de Koninklijke Luchtmacht thumb|Het huidige kenteken (roundel) van Nederlandse militaire luchtvaartuigen Bij het korps Genietroepen werd in 1886 het ballonpark Lachambre opgericht en Nederlands eerste ballon werd aangeschaft, de Kijkuit. In 1887 volgde een tweede, kleiner exemplaar, de Telegraaf. Pas in 1902 kreeg een genieofficier de gelegenheid zich in het buitenland te bekwamen tot balloncommandant, waarna twee observatieballonnen worden gekocht. In 1904 werden de ballonnen ingezet bij militaire oefeningen in het artillerieschietkamp bij Oldebroek.

Na veel propaganda – door onder anderen luitenant-ter-zee 2e klasse A.E. Rambaldo – werd op 19 oktober 1907 de Nederlandsche Vereeniging tot Bevordering van de Luchtscheepvaart opgericht. Voorzitter werd kolonel der genie C.J. Snijders, die in 1914 Opperbevelhebber van Land en Zeemacht zou worden en die bij uitstek de man zou blijken te zijn voor de verwezenlijking van een militaire luchtvaart. De eerder genoemde vereniging schafte zich in 1908 een drietal ballonnen aan, respectievelijk genaamd Amsterdam, Rotterdam en Utrecht, waarmee zowel burgers als militairen werden opgeleid tot luchtschipper.

In ditzelfde jaar verzorgde de Franse graaf De Lambert de eerste vliegdemonstratie in Nederland, nabij het Brabantse Etten-Leur.Aan de weg tussen Etten en Rijsbergen werd, ter herdenking hiervan, in 1935 een monument opgericht In juli en augustus demonstreerde de Fransman Eugène Lefebvre een vliegtuig in Den Haag. De luitenants F.A. van Heijst en H.L. ter Poorten (KNIL) haalden in 1910 het brevet van luchtschipper. Ter Poorten nam vervolgens vliegles bij de vliegschool Aviator in Sint-Job-in-'t-Goor bij Antwerpen. In 1911 kreeg een viertal officieren als speciale gunst van de Minister van Oorlog toestemming om op eigen kosten een vliegopleiding te gaan volgen. Luitenant Ter Poorten ging daarvoor naar vliegveld Kiewit bij Hasselt in België. De luitenants Versteegh en Coblijn gingen naar Wiener Neustadt, terwijl luitenant Van Heijst in Nederland les nam. De opleiding te Wiener Neustadt kostte 2.000 Kronen bij vooruitbetaling, plus 3.000 Kronen waarborgsom voor eventuele schade aan het toestel. Het jaarsalaris van bijvoorbeeld Versteegh bedroeg 800 gulden.

In september 1911 namen vijf particuliere vliegtuigen deel aan legermanoeuvres. Gevlogen werd door luitenants Jacques Labouchère en Ter Poorten, sergeant Lütge en de burgers Bakker, Van Bussel en Van Meel. Op 2 november behaalde luitenant Versteegh zijn FAI-brevet op een Etrich Taube. Ruim een maand later (31 december) behaalde luitenant Van Heijst zijn FAI-brevet op een verbeterde Blériot van de firma Verweij en Lugard te Soesterberg. Ten slotte werd op 28 maart 1913 besloten tot de oprichting van een militaire luchtvaartafdeling. Vooruitlopend op deze oprichting kocht de Staat der Nederlanden op deze dag van de gemeente Soest het vliegterrein te Soesterberg.

Koningin Wilhelmina tekende op 16 april het Koninklijk Besluit Nr. 29 waarbij met ingang van 1 juli 1913 de Luchtvaartafdeeling (LVA) werd opgericht. Commandant werd kapitein der genie H. Walaardt Sacré. Materieel en organisatie waren uiterst bescheiden: één gehuurd vliegtuig, Brik genaamd, waarvan de eigenaar Marinus van Meel in dienst werd genomen als vaandrig-vlieger. Voorts was er één automobiel van het merk Spyker en drie officieren-vlieger, de luitenants Versteegh, Coblijn en L.J. Roeper Bosch. Aan grondpersoneel bestond de afdeling uit de sergeant-majoor-administrateur Janssen en twee burgerwerktuigkundigen. In een later stadium werd de Brik gekocht en geregistreerd als LA-1. Op 23 en 24 september van dat jaar nam de Luchtvaartafdeling voor het eerst deel aan legermanoeuvres in de Achterhoek. In oktober arriveerden drie in Frankrijk aangekochte toestellen van het type Farman HF.20. Op 14 oktober volgde een vliegdemonstratie met de nieuwe Farmans voor koningin Wilhelmina. Van Heijst en Versteegh behaalden als eersten het militaire brevet van vlieger.

De luchtmacht is daarmee voortgekomen uit de Luchtvaartafdeling (LVA) van de Koninklijke Landmacht, die op 1 juli 1913 op vliegkamp Soesterberg werd opgericht. Op 1 juli 1939 werd de LVA omgevormd tot de Luchtvaartbrigade. Op 12 juli 1944 werd in Londen het Directoraat Luchtstrijdkrachten opgericht.NIMH/Ministeriële beschikking inzake instelling van het Directoraat Luchtstrijdkrachten dd 12 juni 1944 In 1947 werd een Chef Luchtmachtstaf aangesteld en op 11 maart 1953 werd de luchtmacht erkend als zelfstandig krijgsmachtonderdeel.NIMH/Ministeriële beschikking inzake de oprichting van de Koninklijke LuchtmachtOverheid.nl/Koninklijk Besluit 11 maart 1953, houdende de instelling Koninklijke Luchtmacht

Het begin in 1913 De voorloper van het Nederlandse luchtwapen werd in juli 1913 opgericht in de vorm van de Luchtvaartafdeling (LVA) op het vliegveld van Soesterberg. Bij de oprichting bestond het gehele luchtwapen uit één vliegtuig, de Brik van Marinus van Meel. Enkele maanden later werd de LVA al uitgebreid met drie stuks Farman HF.20 van de Franse vliegtuigbouwer Farman, maar vanwege de snelle veroudering bestelde de regering ter vervanging diverse Nieuport en Caudron jacht- en verkenningsvliegtuigen. thumb|left|Farman F.40 van de Portugese luchtmacht, 1916 thumb|Nieuport 21 Scout jager, 1917

Periode 1914-1918 Nederland bleef tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal en de Luchtvaartafdeling bleef dus gevrijwaard van gevechtsacties. Omdat Nederland zich neutraal had verklaard probeerden piloten die beschoten waren Nederlands grondgebied te bereiken, waardoor het een verzamelplaats werd voor allerhande typen vliegtuigen. Deze werden geconfisqueerd en aan de Luchtvaartafdeling overgedragen. Na 1918 werden de toestellen teruggegeven, of aangekocht indien het toestel in goede staat verkeerde. Ondanks een karig budget bleef de Luchtvaartafdeling zo op de hoogte van de vele technische ontwikkelingen.

De vliegeropleiding, oorspronkelijk alleen voorbestemd voor officieren, werd al snel vrijgegeven voor andere rangen. Ook werden diverse nieuwe aan de luchtvaart verwante dienstvakken gestart, zoals vliegtuigtechniek, luchtfotografie en cartografie, meteorologie en navigatie en er werden vliegvelden aangelegd bij Arnhem, Rijen, Venlo en Vlissingen.

Interbellum Na het einde van de Eerste Wereldoorlog werd door de Nederlandse regering meteen op defensie bezuinigd en de opgebouwde Luchtvaartafdeling werd bijna geheel opgeheven. Tijdens de opbouw van de politieke spanning in Europa in de jaren 1930 zag de regering te laat in dat het luchtwapen weer bijna geheel opgebouwd moest worden. Vanaf 1938 werden hiertoe alle mogelijke pogingen gedaan, maar dit stuitte op structurele problemen. Er was niet alleen een groot tekort aan vlieginstructeurs, navigatoren en vliegers om de nieuwe met meerdere motoren uitgeruste toestellen te bemannen; er was ook een totaal gebrek aan standaardisatie en aan voorraden. Bovendien was Nederland niet het enige land dat zich in korte tijd wilde bewapenen. De internationale wapenindustrie kreeg van vele Europese landen zoveel orders binnen dat er een grote wachtlijst was ontstaan.

Vanwege de schaalvergroting werd de naam Luchtvaartafdeling in 1938 gewijzigd in Luchtvaartbrigade. Tijdens de mobilisatie in 1939 veranderde men de naam in het Wapen der Militaire Luchtvaart. Dit bestond uit: het 1e en 2e Luchtvaartregiment, de Luchtvaartbrigade (Depot Luchtstrijdkrachten, Luchtvaartbedrijf en Luchtvaarttroepen (Vliegveldbewaking)) en het Commando Luchtverdediging (luchtdoelartillerie en secties luchtdoelmitrailleur). Bij de mobilisatie in 1939 bestond het Wapen der Militaire Luchtvaart vanwege alle bezuinigingen slechts uit 121 min of meer operationele vliegtuigen van de volgende types:

9 Fokker T.V-bommenwerpers 28 Fokker D.XXI-jagers 23 Fokker G.I-jachtkruisers (jagers) 11 Douglas 8A-3N-bommenwerpers 24 Fokker C.V-verkenners 11 Fokker C.X-verkenners 16 Koolhoven F.K.51-verkenners

Slechts de Fokker D-XXI en G-I bleken hiervan enigszins tegen de Duitse overmacht te zijn opgewassen.Schoenmakers, W. Postma, F. Mei 1940. De verdediging van het Nederlandse luchtruim. Amsterdam, Dieren 1985

Loe de Jong kwam in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog 1939-1945. Deel 2. Neutraal voor april/mei 1940 tot 125 toestellen van de legerluchtmacht, waaronder 52 actieve, maar verouderde jagers (Fokkers C-5, D-17, C-10, 29 D-21 en 23 G-1) en 50 toestellen van de marineluchtvaartdienst (afgezien van 30 lesvliegtuigen op vliegveld De Kooy). Totaal dus samen 175 toestellen. Aflevering van 24 bestelde Duitse Dorniervliegtuigen werd door Hitler verboden.Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog 1939-1945, deel 2, SDU, 1969, p. 383

De operationele indeling van de Luchtvaartbrigade bestond uit twee regimenten en een opleidingseenheid (Luchtvaartbrigade).

Het 1e luchtvaartregiment (1 LVR) onder Commandant Luchtverdediging, luitenant-generaal Petrus Best, had zijn staf op Schiphol. De operationele onderdelen waren gelegerd op de vliegvelden De Kooy, Schiphol, Bergen en Waalhaven.

Het 1e LVR bestond uit de: strategische verkenningsvliegtuigafdeling (StratVerVa) bombardeervliegtuigafdeling (BomVa) jachtvliegtuigafdeling (JaVa), de 1e t/m 4e JaVa

Het 2e luchtvaartregiment (2 LVR) onder Commandant Veldleger, generaal van Voorst tot Voorst, had de staf in Zeist. Operationele onderdelen waren gelegerd op de vliegvelden Hilversum, Ruijgenhoek, Ypenburg en Gilze-Rijen. Tijdens de meidagen werd ook gebruikgemaakt van de (hulp)vliegvelden Haamstede, Buiksloot en De Zilk.

Het 2e LVR bestond uit de: verkenningsgroep (VG), de 1e t/m 4e VG jachtgroep (JG), de 1e en 3e JG

De Luchtvaartbrigade, waarvan het Depot Luchtstrijdkrachten (opleidingen) niet deelnam aan de gevechten; eenheden waren gelegerd op de vliegvelden Souburg (Zeeland) en De Vlijt (Texel).

Tijdens de mobilisatie in 1939 waren de eenheden van het Wapen der Militaire Luchtvaart als volgt verdeeld:Molenaar, F.J. De luchtverdediging mei 1940. (2 delen), Den Haag, 1970. Schoenmakers, W. Postma, F. Mei 1940. De verdediging van het Nederlandse luchtruim. Amsterdam, Dieren 1985