thumb|Muiredach's High Cross, een Keltisch kruis bij het klooster van Monasterboice Het Keltische christendom (ook wel Iers christendom, Insulair Christendom, Eilandchristendom of Iro-Schotse Kerk) is een religieuze praktijk die in de eerste eeuwen na Christus ontstaan is op de Britse eilanden en Ierland. Deze geïsoleerde of insulaire vorm van christendom is, met vele van zijn gebruiken, blijven bestaan tot in de 12e eeuw. In 1172, bij de synode van Cashel (County Tipperary), werd de Romeinse ritus aan de Keltische gebieden opgelegd door koning Hendrik II van Engeland.

Moderne historici wijzen op het feit, dat er geen inhoudelijk theologische tegenstelling bestond tussen de Keltische christenen en de Heilige Stoel, maar dat de gewoonten, liturgische gebruiken en kerkstructuur wel degelijk verschillend waren. Desondanks behoorde het insulaire Keltische christendom tot de Westerse of Latijnse Kerk en erkende het de paus van Rome. Toch was het Pelagius en zijn beweging, verketterd door de Roomse paus, die de gemeenschappelijke 'Keltische Kerk' definieerde.Herren, M.W, Brown, S.A., Christ in Celtic Christianity, p. 278 Mogelijk is in de late oudheid en vanaf de vroege middeleeuwen onder de heiligen Columba van Iona en Patricius (Saint Patrick) de eigen identiteit van het Keltisch christendom gegroeid. Gekerstende Noormannen en Angelsaksen legden in de hoge middeleeuwen steeds vaker de Romeinse ritus en continentale kerkelijke gebruiken op zoals deze in het Frankische Rijk en Normandië gebruikelijk waren geweest.

De legende Jozef van Arimathea zou, reeds ten tijde van Jezus Christus, handelscontacten gehad hebben met Cornwall, vanwaar hij tin importeerde in Palestina. Na de dood van Christus zou hij, met een aantal getrouwen, geëmigreerd zijn naar Glastonbury in Engeland, waar hij een kerk bouwde. Hieruit zou een christendom zijn ontstaan, met een eigen structuur. Abten, rondtrekkende bisschoppen en pastoors vormden een Keltisch monnikendom dat in de vroege middeleeuwen grotendeels zonder doorlopende contacten met de Romeinse Stoel de gelovigen op de eilanden van de sacramenten bediende.

De Keltische monniken namen de tonsuur van de vroegere Keltische druïden over. Hierbij werd de voorkant van het haar van oor tot oor kaalgeschoren, terwijl de haren op het achterhoofd lang werden gelaten.

De geschiedenis Er zijn op dit ogenblik geen historische bronnen gevonden over het ontstaan van een christendom in Ierland en Britannia tijdens de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling. Nochtans vermeldt Tertullianus in zijn geschrift Adversus Iudaeos: "Cui etenim crediderunt gentes, (--) et Galliarum diversae nationes et Britannorum inaccessa Romanis loca Christo vero subdita etc" (In wie de volken hebben geloofd, (--)en verscheidene volkeren van Gallië en de Britse contreien, onbereikbaar voor de Romeinen, maar waarachtig onderworpen aan Christus enz). Origenes spreekt in zijn Homilies verschillende malen over Christenen in Britannia. Zie: Hugh Williams "Christianity in early Britain", Oxford 1912.

Vroeg-Britse kerk De Vroeg-Britse kerk ontstond eind 2e en begin 3e eeuw onder de Keltische bevolking van Brittannië binnen het Romeinse Rijk. De noordgrens lag bij de muur van Hadrianus. Uit het gebied van Strathclyde, ten noorden van de Hadriaanse Muur, kwam Ninian, die in 398 een klooster stichtte met de naam Candida Casa in Whithorn. Ninian droeg zijn klooster op aan Martinus van Tours, die zelf in 360 in Ligugé in Gallië het eerste klooster van West-Europa had gesticht. Candida Casa werd een belangrijk opleidingscentrum, waar ook veel Ierse monniken naartoe kwamen.

Egyptische kerk Het moet nog worden vastgesteld in hoeverre het Egyptische kloosterleven heeft bijgedragen aan de bekering van Engeland tot het christendom. Volgens Stanley Lane-Poole is het hoogstwaarschijnlijk dat het aan Egyptische kluizenaars te danken is dat het evangelie Engeland bereikte. In Engeland golden immers de Egyptische kloosterregels tot de komst van Sint Augustinus in 597. Hij spreekt over het geloof dat het Ierse christendom het 'kind van de Egyptische kerk' was. Er bestaan verschillende overeenkomsten tussen het Keltische christendom en de oudere kerkgemeenschappen in het verre oostelijke deel van de christenheid.

Illustraties in de grote Keltische manuscripten zoals het Book of Kells doen sterk denken aan de iconen van de Egyptische, Koptische en Syrische kerken: het menselijk lichaam wordt kunstmatig gestileerd uitgebeeld en de grootte van het hoofd overdreven. Het motief van 'om elkaar gedraaide slangen' is in beide tradities erg populair. Een gravure op een kruis in Moone toont twee cichliden, door de bek ademende vissen, die karakteristiek voor Egypte zijn en het verhaal van de broden en de vissen uitbeelden.

In het oudste missaal van de Ierse kerk, de Stowe Missal uit de vierde eeuw, is te lezen (folio 32, kolom 2): 'Pauli, Antoni, et ceterorum patrum heremi sciti" ('heremieten van Scetis' verwijst naar kluizenaars van de woestijn Wadi Natroen), waaruit duidelijk blijkt dat de ascetische voorbeelden van Egyptische kluizenaars, zoals de heiligen Antonius (ca. 251-356) en Paulus van Thebe (228-341), goed bekend waren in Noord-Europa. De heiligen worden ook genoemd in een aantal vroege Welshe gedichten. Er bestaat geen twijfel over de 'tamelijk hechte banden' tussen de Kerk van Egypte en de Kerk van Ierland.

Zeven Koptische monniken werden begraven in Disert Ulidh in Ulster en hun namen worden genoemd in de litanie in het Boek van Leinster van Sint Oengus (9e eeuw). De kloosterregels van Sint Antonius werden in het Westen steeds populairder.Meinardus, O.F.A. (1999), Two Thousand Years of Coptic Christianity, AUC Press, New York, (2015), p.37

Mogelijk werd het idee van het kloosterleven rechtstreeks en niet via Gallië naar de Britse eilanden gebracht. Door het instorten van het (West) Romeinse Rijk begin 5e eeuw werd het wegennet ernstig ontwricht. Vroegere zeeroutes werden weer in gebruik genomen, ook die via de Straat van Gibraltar en Golf van Biskaje, die Constantinopel en Alexandrië met de Britse eilanden verbond. Opgravingen bij Tintagel in Cornwall tonen aan, dat er eind 5e eeuw wijn uit het oostelijk Middellandse Zeegebied werd ingevoerd. In Wales, Zuidwest-Schotland en West-Ierland zijn uit deze periode Egyptische en Noord-Afrikaanse potscherven gevonden. Deze handelsbetrekkingen brachten mogelijk ook de uitwisseling van religieuze en culturele ideeën teweeg.Bradley, Keltische spiritualiteit, p.23

De Britse monnik Pelagius reisde in het begin van de 5e eeuw van Rome naar Noord-Afrika en Palestina en mogelijk had zijn 'typisch Britse dwaalleer' zijn oorsprong in het oosten.Bradley, Keltische spiritualiteit, p.24-5

Toen het christendom staatsgodsdienst werd in het Romeinse Rijk, ontstond een Vroeg-Britse kerk met een organisatie naar Romeins voorbeeld. Johannes Cassianus (360-435) stichtte een klooster, waar de Egyptische regels werden gevolgd, in Marseille en droeg zo bij aan de verspreiding van het Egyptische kloosterleven. Begin 5e eeuw vluchtten Gallische monniken voor vervolging, als gevolg van het instorten van het Rijk en de machtsovername door de Merovingers, naar de Britse eilanden en brachten principes van het kloosterleven mee. Martinus van Tours (ca. 316-397) volgde het voorbeeld van de woestijnvaders in Egypte, Palestina en Syrië toen hij zijn bisschopszetel rond een kloostergemeenschap vestigde. Monniken uit Tours zouden het eerste klooster in Llanbelig in Wales hebben gesticht. Mogelijk kwam ook Illtyd (ca. 425 - ca. 505), een belangrijke heilige van Wales en stichter van het klooster Llantwit Major aan de Glamorgische kust, uit Gallië.

Pelagius De eerste en bekendste 'Keltische theoloog' was Pelagius (ca. 350 - ca. 418), die 'ongelukkigerwijs en vrijwel zeker ook onterecht' bekend geworden is als grondlegger van een 'dwaalleer'.Bradley, I (1993), vertaling J.v.d.Vlist, Keltische spiritualiteit, Uitgeverij Meinema, Zoetermeer, 2005, p. 88 Pelagius kwam in conflict met Augustinus van Hippo, werd door paus Innocentius I in de ban gedaan en door Hiëronymus beschreven als 'een bijzonder stompzinnig iemand, die zich heeft volgegeten met Ierse pap'.Bradley, I., Keltische spiritualiteit, p. 89

Pelagius geloofde in de 'vrije wil' van de mens, terwijl Augustinus uitging van 'determinisme', de gedachte van 'predestinatie', waarbij God al vastgesteld had dat sommige mensen gered zouden worden en anderen niet. Pelagius vond dat verwerpelijk en onaanvaardbaar. Bovendien legde Augustinus de nadruk op de 'zondeval', waarbij de 'erfzonde' als 'een of andere universele erfelijke ziekte doorgegeven wordt'. Een doop van een pasgeboren baby moest er zorg voor dragen dat het kind bij overlijden niet naar de hel zou gaan. Pelagius zag de volwassene-doop liever als 'teken en zegel' van Gods genadige liefde. De gedachte van de verdorvenheid van de mensheid vond Pelagius niet te rijmen met het hele begrip van God als liefhebbende Schepper. Pelagius ging uit van de natuurlijke goedheid van de mens en de mogelijkheid van een zondeloos leven. Zonde werd niet door de bloed-lijn doorgegeven (omdat Adam gezondigd had). Genade was niet noodzakelijk om tot bevrijding te komen. Volgens Augustinus was 'Gods genade' niet voor iedereen weggelegd, terwijl Pelagius stelde dat het tot de vrije beschikking van allen stond en door iedereen kon worden aangenomen. Volgens Pelagius predestineerde God niemand, had God geen favorieten en konden alle mensen worden gered als ze geloofden dat bevrijding het resultaat was van perfecte gehoorzaamheid aan de wet. Ascese, eigen inspanning en afkeer van rijkdom leidden volgens Pelagius tot bevrijding. Pelagius had een positievere en gunstiger kijk op de menselijke natuur dan Augustinus. Wonderen werden gezien als een aanslag op de natuur, die God geschapen had en goed bevonden. De wonderen uit het Oude én Nieuwe Testament werden allegorisch opgevat.

De Christus van de pelagianen redde geen mensen door aan het kruis te sterven, maar door zijn onderricht en voorbeeld maakte hij de bevrijding mogelijk voor hen die ernaar streefden. De Christus van de woestijn en het kruis was de 'Ideale Monnik' en de schenker van de 'Nieuwe wet' en niet de Christus, die de mensen redt door zijn bloed te offeren. Voor hen werd Gods wet geopenbaard in een beperkt aantal geschriften en bestond er geen autoriteit, zelfs geen kerk, boven hen. Vanwege die geschriften was de pelagiaanse beweging tegen (realistisch uitgevoerde) beelden. Met het semipelagianisme werd waarschijnlijk de kinderdoop ingevoerd, waar de pelagianen tegen waren en kwam het georganiseerde kloosterleven op.