Gustavus Henricus Angelus Hippolytus Rolin-JaequemynsVoornamen volgens de burgerlijke stand van zijn geboorteplaats Gent. Ook de verfranste variant Gustave Henri Ange Hippolyte komt veel voor. In officiële documenten luidt zijn roepnaam meestal Gustaaf. Naast Gustaaf komt in de Nederlandstalige literatuur ook de Franse vorm Gustave veel voor. De familie zelf gebruikte in een Franstalige rouwbrief ook deze variant. (Gent, 31 januari 1835 – Brussel, 9 januari 1902) was een Belgisch rechtswetenschapper en diplomaat, minister van Binnenlandse Zaken (1878-1884) en lid van de Liberale Partij. Als adviseur van koning Rama V (Chulalongkorn) speelde hij een cruciale rol bij de hervorming van Thailand naar westers model.
Jeugd en opvoeding Gustave was de oudste van de achttien kinderen die tussen 1835 en 1857 in het gezin van de uit Kortrijk afkomstige Hippolyte Rolin (1804-1888) en Angélique Hellebaut (1811-1870) werden geboren, en van wie er vijftien de volwassen leeftijd bereikten.Omdat hierover discussie bestaat (Herbots geeft het cijfer 17, een genealogie op geneanet geeft er 14) volgt hier de lijst van de achttien kinderen met geboorte en overlijdensdata: Gustave Rolin 1835-1902 - Léonie Rolin 1835-1837 - X Rolin 1836 - X Rolin 1837 - Hippolyte Rolin 1838-1915 - Adolphe Rolin 1838-1878 - Eugène Rolin 1839-1909 - Ernest Rolin 1841-1918 - Henri Rolin 1842-1906 - Albéric Rolin 1843-1937 - Marie Rolin 1844-1900 - Théodore Rolin 1846-1855 - Angélique Rolin 1847-1880 - Georges Rolin 1850-1907 - Ida Rolin 1850-1897 - Louise Rolin 1853-1911 - Caroline Rolin 1856-1941 - Léonie Rolin 1857-na 1891. https://gw13.geneanet.org/gounou?lang=fr;p=hippolyte;n=rolin Hippolyte was een vooraanstaand advocaat die in 1827 met onderscheiding afstudeerde aan de Rijksuniversiteit Leuven, zijn eed als advocaat aflegde en afreisde naar Berlijn waar hij colleges volgde van onder andere Von Savigny en Hegel. Toen in 1830 de Belgische Revolutie uitbrak, kwam Hippolyte terug en vestigde zich als advocaat in Gent. Hij behoorde er tot de orangisten. Na verloop van tijd verzoende hij zich met het Belgische koninkrijk. In 1846 werd hij voorzitter van de Gentse Union libérale en werd gemeenteraadslid en schepen van Gent. Van 1848 tot 1850 hij Minister van Openbare Werken in het kabinet Charles Rogier en tevens zetelde hij van 1848 tot 1852 in de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Gustaaf blonk uit op het Gymnasium in Gent, en zijn muzikale begaafdheid bleek al op jonge leeftijd. Op zijn 16e reisde hij naar Engeland en van daar naar Parijs waar hij aan het Lycée Charlemagne een eerste prijs verwierf, waarna hij rechten studeerde in Gent. Later volgde hij het voorbeeld van zijn vader en trok naar Berlijn om daar colleges te volgen. In 1860, op 25-jarige leeftijd, werd hem de leerstoel moderne politieke geschiedenis aangeboden. Gustaaf weigerde om zijn vader in zijn praktijk bij te staan.
In 1859 trouwde Rolin met Emilie Jaequemyns, de enige dochter van de gefortuneerde arts Edouard Jaequemyns (1806-1874) en sindsdien gebruikte hij de naam Rolin-Jaequemyns. Edouard Jaequemyns was doctor in de geneeskunde (1826), in de farmacie (1829) en in de wis- en natuurkunde (1830). Hij was een orangist en was om zijn politieke overtuiging voor het gerecht gedaagd in het kader van de orangistische putsch begin 1831 beraamd door kolonel Ernest Grégoire en hij werd door Hippolyte Rolin met succes verdedigd. Later werd hij nog Belgisch volksvertegenwoordiger. Het fortuin van Emilie bood aan Gustave de mogelijkheid zich te kunnen wijden aan de studie van het recht en aan sociale kwesties. Rolin had dus redenen om de naam Jaequemyns in eer te houden.
Het echtpaar kreeg drie dochters en twee zoons. Dochter Henriette (1875-) trouwde met Robert Kirkpatrick de Closeburn (1865-1901) en hun dochter Nelly trouwde met professor François Louis Ganshof. De ene zoon Paul Rolin (1867-1934) kreeg in 1912 de toelating om de naam van zijn vrouw aan de zijne toe te voegen: Rolin Hymans. De oudste zoon Edouard Rolin (1863-1963) kreeg in 1912 de toelating om de naam van zijn moeder aan de zijne toe te voegen: Rolin Jaequemyns, zonder verbindingsstreepje. Vanaf Edouard en zeker door de latere generaties, werd de naam als 'Jacquemyns' gespeld. Een achterkleinzoon van Gustave was volksvertegenwoordiger Robert Rolin Jacquemyns.
Ook andere familieleden hielden de reputatie van de juristenfamilie Rolin hoog. De broer van Gustave, Albéric Rolin (1843-1937) was hoogleraar in Gent en voorzitter van het Institut de Droit international en die zijn zoon was de senator, minister en specialist van het internationaal recht Henri Rolin (1891-1973).
Internationaal recht Tijdens de congressen van de Association Internationale pour le Progrès des Sciènces Sociales, dat door Rolin-Jaequemyns was opgericht, Nationalism, universalism, empire: International Law in 1871 and 1919, lezing op colloquium Whose international Community? Universalism and the Legacies of Empire, Columbia University, 29-30 april 2005. (PDF) ontmoette hij Tobias Asser en de Engelsman John Westlake en samen besloot het trio een tijdschrift op te richten, de Revue de Droit International et de Législation Comparée dat zich, en dat was een novum, op vergelijkende rechtswetenschappen toelegde. Het eerste nummer, onder redactie van Gustaaf en met bijdragen van tal van aanzienlijke juristen, verscheen in 1868.
Na de bloedige Frans-Duitse Oorlog van 1870-1871, waarin de Conventie van Genève van 1864 met de voeten werd getreden, ontving Gustaaf Rolin-Jaequemyns brieven van Francis Lieber en Gustave Moynier, waarin ze onafhankelijk van elkaar voorstelden een congres van juristen met internationaal aanzien te organiseren met als doel conflicten op vreedzame wijze te lossen. Na consultatie met onder andere Prof. Bluntschli uit Heidelberg, de Italiaan Pasquale S. Mancini, de Rus Wladimir Besobrasoff, de Amerikaan David Dudley Field II en de Nederlander Tobias Asser werd in 1873 op het stadhuis te Gent het Institut de Droit International opgericht. Prof. Bluntschli werd voorzitter, Besobrasoff vicevoorzitter en Rolin-Jaequemyns secretaris-generaal.
Het instituut, dat nog steeds bestaat, was het eerste dat zich bezighield met internationaal recht. De gezamenlijke wetenschappelijke reputatie van de leden werd ingezet om de internationale politiek te overtuigen van de noodzaak zich ook op wereldschaal door wetten te laten leiden. Met succes, want in 1904 kreeg het instituut voor zijn verdiensten de Nobelprijs voor de Vrede.
Het politieke klimaat in België thumb|Voorblad van het satirische tijdschrift La Bombe over de schoolstrijd Vanaf het revolutiejaar 1848 was de liberale vleugel dominant in de Belgische samenleving. Weliswaar waren er katholieke kabinetten, maar ook die ondersteunden de liberale visie van laissez faire, laissez passer: de persoonlijke vrijheid en het economisch leven moesten zo min mogelijk worden beperkt door invloeden van de staat, al werd daar in tijden van recessie wat minder streng de hand aan gehouden. Het is echter onjuist het liberalisme in het België van die tijd af te doen als de ideologie van de bezittende klasse die op vergroting van haar rijkdom en invloed uit was. Er was wel degelijk sprake van een cultuurideaal, dat beoogde de belemmering van de persoonlijke ontplooiing, zowel in economisch als in geestelijk opzicht, en het individu te bevrijden uit de overheersing door dogma en bevoogding door kerk en staat. Bij Rolin-Jaequemyns komt dit tot uiting in zijn deelname aan de strijd binnen wat de Vlaamse Beweging werd genoemd.
Rond 1850 verscherpte de tegenstelling tussen de liberalen en de katholieke politici. Aan katholieke zijde overwon de ultramontaanse vleugel, mede onder invloed van de in 1864 uitgevaardigde pauselijke encycliek Quanta Cura en met name de daaraan toegevoegde Syllabus Errorum, waarin bepaalde maatschappelijke tendensen werden veroordeeld.
Aan liberale zijde, met name in kringen van vrijmetselaars en de Université Libre de Bruxelles, richtte men zich op het principe van "vrij onderzoek", dat onverenigbaar was met het katholieke dogmatisme. Dit verscherpte de antiklerikale houding van de liberalen, die zich toen ontwikkelde tot strijdbaar antikatholicisme. De totale laïcisering van de maatschappij werd het voornaamste doel van de liberalen, die dit trachtten te bekomen door middel van staatsinterventies in het overwegend door katholieke organisaties gedomineerde maatschappelijk leven. De strijd werd niet alleen uitgevochten op economisch vlak, waar de liberalen poogden middels een kredietmaatschappij van pachters zelfstandige, vrije boeren te maken, maar vooral ook op het terrein van het onderwijs.
De zaak bereikte in 1855 een climax met de kwestie Laurent-Brasseur, twee Gentse professoren die ex cathedra stellingen hadden verkondigd die strijdig waren met de katholieke leer. De Katholieke Kerk had met de Conventie van Antwerpen, zonder dat er een wet werd gewijzigd, een stevige vinger in de academische pap gekregen. Deze kwestie maakte het conflict tussen academische en onderwijsvrijheid en de katholieke geestelijkheid pas goed duidelijk en België werd verdeeld in een klerikaal en een antiklerikaal kamp die elkaar bestreden.
Vlaamse Beweging Rolin was tot in 1869 advocaat in Gent en vooral tijdens die periode ontpopte hij zich als een voorvechter van de opkomende Vlaamse Beweging. Hij werd in 1863 voorzitter van het progressief-liberale Van Crombrugghe's Genootschap, een Vlaams-liberale culturele vereniging die in 1857 door leerkrachten en oud-leerlingen van het Stedelijk Onderwijs in Gent was gesticht, ter verheerlijking van Burgemeester Van Crombrugghe, de man die zoveel goed voor de Gentse gemeentescholen had gedaan.Literair.Gent.be
Hij was actief in de liberale afdeling van het Vlaamsch Verbond. In 1866 was hij een van de stichters van de Vlaamsche Liberale Vereniging, waarvan Julius Vuylsteke voorzitter werd en hijzelf bestuurslid. De beide heren gaven een manifest uit waarin ze twee vijanden van Vlaanderen aanduidden: het klerikalisme en de verfransing.Biografie Gustave Rolin-Jaequemyns in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging.
Toen in 1867 het negende Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres werd georganiseerd in Gent, was Rolin ondervoorzitter van het inrichtend comité, dat erin slaagde Multatuli als spreker te hebben. Vuylsteke, Rolin en August de Maere getroostten zich ook grote inspanningen om Multatuli naar Gent te krijgen en hem er hoofdredacteur te maken van een strijdblad dat de Groot-Nederlandse gedachten zou aanmoedigen. Dit plan kreeg geen uitvoering.
Rolin was bovendien in 1866 medestichter en voorzitter van de Gentsche Volksbank. Voor het Willemsfonds hield hij Voordrachten over de Grondwet, die hij ook publiceerde.
De schoolstrijd Na de verkiezingszege van de liberalen in 1878, trad Rolin-Jaequemyns als minister van Binnenlandse Zaken toe tot het kabinet van de "papenvreter" Frère-Orban die, samen met de minister van Onderwijs Pierre Van Humbeeck de zogenoemde schoolstrijd ontketende. Dit was het rechtstreekse gevolg van de nieuwe wet op het lager onderwijs, waarmee de liberalen de invloed van de Katholieke Kerk op het onderwijs wilden breken en de laïcisering van de maatschappij wilden doorzetten.
Men had echter de weerstand van de Katholieke Kerk onderschat en al gauw werden overal tegen de gemeentelijke scholen katholieke scholen opgericht en werd er gestreden om iedere leerling en iedere leerkracht. De strijd werd gevoerd met een hevigheid die nog tientallen jaren lang zijn invloed zou hebben in België. De schoolstrijd werd door de liberalen verloren, daar dit conflict de katholieken verenigde en er een netwerk van scholen ontstond dat het staatsnetwerk ruimschoots overvleugelde. De Écoles Laiques liepen leeg en de liberalen leden ten gevolge van deze strijd een zware verkiezingsnederlaag in 1884.