thumb|Begrafenisprocessie in het oude Egypte, schildering op tombe|305x305px De Wet op de lijkbezorging (Wlb) is een Nederlandse wet waarin regels zijn vastgelegd voor wat er met het lijk van een overleden persoon of doodgeborene mag en moet gebeuren, met inachtneming van levensbeschouwing en geloofsovertuiging. De wet is in 1991 vastgesteld na ruim 40 jaar parlementaire behandeling. Grootste wijziging ten opzichte van de oude wet was het toestaan van crematie. De wet is nader ingevuld met het Besluit op de lijkbezorging. In Nederland zijn op dit moment alleen begrafenis en crematie toegestaan als vorm van lijkbezorging. Wel kan een lijk ter beschikking worden gesteld aan de wetenschap of het wetenschappelijk onderwijs, om te worden ontleed. Ook kunnen organen worden gedoneerd voor hergebruik in het lichaam van levende personen.
De wet kent als beginsel dat op een waardevolle en respectvolle manier wordt omgegaan met overledenen en dat, voor zover mogelijk, wordt gehandeld naar de wensen of vermoedelijke wensen van overledene, ook als iemand is aangewezen de uitvaart te regelen. De wet regelt dat in principe een behandelend arts een lijkschouw uitvoert na overlijden. Begraving dient te geschieden op een begraafplaats, ofwel in een algemeen graf, of in een particulier graf. Een asbus mag begraven worden en een begraven lichaam mag onder omstandigheden alsnog worden gecremeerd, met vergunning van de burgemeester. Een graf mag niet worden geruimd binnen de periode van tien jaar, gerekend vanaf het tijdstip waarop er voor het laatst een lijk in het graf is geplaatst. Het niet volgen van de wettelijke regels is strafbaar gesteld.Wet op de lijkbezorging, artikel 80
Er is een conceptwetsvoorstel voor de vervanging van de Wet op de lijkbezorging in 2025 of later door een wet genaamd Wet bestemming lichamen van overledenen (Wblo).https://www.internetconsultatie.nl/wblo/b1 Hierin wordt een extra vorm van lijkbezorging toegestaan, oplossing in een vloeistof (alkalische hydrolyse). Verder krijgen de artsen en de politie die het lichaam en de omgeving onderzoeken meer bevoegdheden om te bepalen of het overlijden het gevolg is van een misdrijf.
Verklaring van overlijden Bij elk overlijden dient onderzoek te worden ingesteld naar de aard en de toedracht van het overlijden. Dit heet de lijkschouw. Dit gebeurt door de behandelend arts van de overledeneEen waarnemend arts, bijvoorbeeld een dienstdoend arts van een huisartsenpost, kan ook aangemerkt worden als behandelend arts, zelfs als deze de overledene nooit in leven heeft gekend. of door de gemeentelijk lijkschouwer. Als de behandelend arts de lijkschouw doet, bepaalt deze of hij overtuigd is dat de overledene een natuurlijke dood is gestorven. Als dat het geval is dan kan deze de verklaring van overlijdenEen verklaring van overlijden zou eigenlijk een 'verklaring van natuurlijk overlijden' moeten heten.Een verklaring van overlijden wordt ook wel een 'A-formulier' genoemd, maar die naam komt nergens in de wet voor. opstellen. Als deze arts om wat voor reden dan ook (dus ook bij twijfel) meent niet tot afgifte van een verklaring van natuurlijk overlijden te kunnen overgaan dan wordt onverwijld de gemeentelijk lijkschouwer in kennis gesteld. Op dat moment valt het lichaam van de overledene van rechtswege onder beslag van justitie en mag het niet meer aangeraakt of verplaatst worden. Bij een niet-natuurlijke dood is er namelijk mogelijk sprake van een strafbaar feit, en dient onderzoek te worden verricht naar de toedracht hiervan, alvorens de officier van justitie kan besluiten dat het lichaam vrijgegeven kan worden.
Naast de verklaring van overlijden dient door de schouwend arts ook een doodsoorzaakverklaringDit formulier wordt ook wel de 'B-verklaring' genoemd, omdat er bovenaan een letter B op staat. te worden opgesteld: een formulier waarop niet de naam van de overledene wordt vermeld en waarop informatie over de doodsoorzaak wordt genoteerd, ten behoeve van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij de lijkschouw van overleden minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder voorafgaand overleg te hebben gehad met de gemeentelijk lijkschouwer. Dit heeft te maken met de zogenaamde NODO-procedure (per 1 augustus 2016 gewijzigd in de NODOK-procedure: Nader Onderzoek Doodsoorzaak Kinderen).
Uitvoering door de gemeente Benoeming van gemeentelijk lijkschouwer Burgemeester en Wethouders benoemenIn de praktijk wordt de benoeming niet geregeld per gemeente maar per GGD-regio, waarbij de benoeming is gemandateerd aan de 'hoofdgemeente' in die regio. de gemeentelijke lijkschouwer(s) en verschaffen gelegenheid tot het doen schouwen van lijken. Uitsluitend artsen die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register,Tot eind 2023 waren er twee onafhankelijke, privaatrechtelijke, registers: een dat werd beheerd door het Forensisch Medisch Genootschap en een profielregister, beheerd door de KNMG. Eerstgenoemde wordt per 1-1-2024 opgeheven. worden benoemd als gemeentelijk lijkschouwer. De gemeenten zijn door de keuze bij de benoeming ook verantwoordelijk voor de kwaliteit van de lijkschouw. De gemeentelijk lijkschouwer voert zijn werk uit namens het Openbaar Ministerie.
Registratie overlijden De verklaring van overlijden wordt (meestal door de uitvaartondernemer, maar het mag ook door nabestaanden, of het wordt direct digitaal gedaan door de schouwend arts) afgegeven aan een ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente waar het overlijden heeft plaatsgevonden. De gemeente zal dit in de basisregistratie persoonsgegevens verwerken en een overlijdensakte opstellen. Als de overledene geboren is in een andere gemeente en/of woonachtig was in een andere gemeente, worden ook die gemeenten in kennis gesteld. De gemeente stuurt de doodsoorzaakverklaring ongeopend door naar het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Verlof tot begraven of crematie (uitvaart) Voor elke uitvaart is voorafgaand schriftelijk verlof nodig van de gemeente waar overledene het laatst woonplaats had. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan een verlof tot begraven of cremeren afgeven, als er sprake van een natuurlijke dood is, of – bij een niet-natuurlijke dood – als het lichaam is vrijgegeven door de officier van justitie. Een uitvaart mag niet eerder dan 36 uur na overlijden en niet later dan 6 werkdagen na de dag van overlijden plaatsvinden. De dag van overlijden telt hierbij niet mee.De termijn van 6 werkdagen is ingevoerd door een wetswijziging per 1 januari 2010. Daarvóór gold een termijn van 5 dagen. Uitvaarten eerder dan 36 uur moeten worden goedgekeurd door de officier van justitie; uitvaarten later dan 6 werkdagen na overlijden moeten toestemming van de burgemeester krijgen, nadat deze een arts heeft geraadpleegd. Uitstel wordt doorgaans gegeven als naaste familie moet overkomen uit het buitenland of als een nabestaande tijdelijk is verhinderd door ziekte.Denk bijvoorbeeld aan een ongevalssituatie waarbij een persoon dodelijk verongelukt is en een naaste zodanig gewond is geraakt dat deze de uitvaart nog niet zou kunnen bijwonen. Eenieder kan verlof vragen en opdracht geven tot het houden van een uitvaart.
Uitvaartwensen overledene De persoon die verlof vraagt, of degene die in diens plaats treedt, draagt in beginsel als enige de verantwoordelijkheid dat de lijkbezorging volgens de regels georganiseerd wordt, daaronder begrepen het geven van bestemming aan de as (art. 18 lid 1 Wlb).
Dat betekent echter niet dat deze persoon het voor het zeggen heeft. De wet geeft als hoofdregel dat de uitvaart moet worden geregeld overeenkomstig de wens of vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden (art. 18 lid 2 Wlb). Een grote meerderheid van de Nederlandse bevolking vindt het belangrijk dat hun uitvaart wordt geregeld volgens hun wensen. Is bij testament, notariële akte, of codicil iemand aangewezen om de uitvaart te regelen, mag deze persoon dat dus niet naar eigen inzicht doen, tenzij dat als uitdrukkelijke wens in de uiterste wilsbeschikking is opgenomen.
Codicil, notariële akte, aantekeningen De wet geeft iedereen ouder dan 16 jaar het recht de wensen rond de uitvaart vast te leggen in een handgeschreven, gedagtekend en ondertekend document (codicil) of bij notariële akte, ook als diegene niet bekwaam is een uiterste wil te maken (art. 19 Wlb). Dit is een uiterste wilsbeschikking als bedoeld in het erfrecht (art. 4:42 lid 1 BW) met de uitzonderlijke bijkomstigheid dat er een handhavingsregeling geldt: niet nakoming is strafbaar gesteld.Prof. mr. A.J.M. Nuytinck betoogt in het Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (WPNR) 2006: afl. 6683 p 706-709, dat dit geen uiterste wilsbeschikking is omdat art. 19 lid 1 Wlb niet precies deze beide woorden gebruikt. Andere erfrechtsgeleerden die zich hierover hebben uitgelaten menen dat het wel een uiterste wilsbeschikking is omdat het artikel spreekt over beschikkingen na dode. Zijn uitvaartwensen vastgelegd, worden ze niet opgevolgd en is iemand het daar niet mee eens, kan een vordering bij de rechter worden ingediend. Vastleggen van uitvaartwensen bij testament heeft als nadeel dat een testament vaak niet direct bij overlijden beschikbaar is en er in bepaald kan worden dat het pas geopend mag worden na de uitvaart. Ook mag iemand die wilsonbekwaam is, geen testament maken, wel een verklaring met uitvaartwensen.
Een voorgedrukte tekst aangevuld met handschrift en handtekening van overledene geldt niet als rechtsgeldig codicil, maar ook wensen die niet in codicil of akte zijn vastgehouden dienen te worden gevolgd als voor betrokkenen duidelijk is dat het handschrift van overledene is en het de wensen van overledene zelf zijn. Wensen die zijn vastgelegd met kruisjes op een (online-)formulier van een uitvaartonderneming zijn mogelijk door anderen vastgelegd of gewijzigd en kunnen ook niet zonder meer als leidraad gelden, net zomin als aantekeningen van een nabestaande. Zijn de wensen niet op papier gezet of anderszins vastgehouden, kan de vermoedelijke wens van overledene worden gereconstrueerd uit feitenmateriaal zoals getuigenverklaringen, of worden uitgelegd overeenkomstig een vaststaande mening of religieuze overtuiging in het gezin of de familie.
De wensen kunnen zo uitgebreid of kort zijn als men wil. Een wens kan ook zijn dat een persoon, eventueel na overleg met bepaalde nabestaanden, alles beslist. Bepaald kan worden onder meer hoe men verzorgd en gekleed wil worden, of en hoe men opgebaard wil worden, er een wake of mogelijkheid van persoonlijk afscheid zal plaatsvinden, wie de uitvaart regelt, of een afscheidsceremonie plaatsvindt en waar, of men gecremeerd of begraven wil worden, hoe kist of asbus er uit ziet en waar deze zal worden geplaatst, welke muziek gespeeld wordt, of de aanwezigheid van bepaalde mensen wel of niet gewenst is, kledingstijl, voor te lezen teksten of gebeden, foto's die getoond worden en de nazit.
Begrafenisexecuteur In voorlichting aan consumenten, binnen het notariaat en in juridische literatuur wordt het begrip begrafenisexecuteur gebruikt voor een persoon die bij testament de taak of last krijgt opgelegd, de uitvaart te regelen. Volgens het sinds 2003 geldend erfrecht is deze persoon echter geen executeur want die is alleen bevoegd goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden te voldoen. Het is een niet langer geldend overblijfsel uit het eeuwenoude Nederlands en kerkelijk erfrecht dat nog niet overal in het spraakgebruik en de testamentenpraktijk is aangepast. Het lichaam van overledene behoort niet tot de nalatenschap, daarom komen aan de erfgenamen, executeur of testamentair bewindvoerder op grond van het erfrecht geen bevoegdheden toe.