Een jeugdhuis is een vereniging van jongeren die meestal door jongeren zelf opgericht wordt. De term dekt niet echt de betekenis, aangezien niet alle jeugdhuizen over een eigen lokaal of huis beschikken, maar hun toevlucht moeten nemen tot een zaal. De meeste jeugdhuizen beschikken echter wel over een eigen lokaal.
Geschiedenis De directe voorloper van het huidig jeugdhuiswerk is de Young Men's Christian Association (YMCA). Na de Tweede Wereldoorlog wilde men een open ontmoetingsruimte creëren waar jonge mensen in een gezellige en aparte ruimte met een aantal voorzieningen aan vrijetijdsbesteding konden doen. De andere buitenlandse inspiratiebronnen waren de Nederlandse instuif en de Duitse Heimen der offenen Türdie begin jaren 50 ontstonden. De controle vanuit de parochie was toen nog sterk aanwezig in Vlaanderen.
Jaren 60
Het ontstaan van federaties De jeugdhuissector kende een sterke groei vanaf 1960. In de toenmalige naoorlogse tijdsgeest werd er in België op 15 juli 1960 de Wet op de zedelijke bescherming van de jeugd (BS 20-07-1960) goedgekeurd. Dit werd ook de dancingwet genoemd, hierdoor mochten jongeren onder de leeftijd van 18 jaar een dancing niet langer betreden. De niet-commerciële dansinstuiven in jeugdtehuizen waren geboren. Jeugdtehuizen waren de eerste jeugdwerkvorm waar jongens en meisjes mekaar ongedwongen konden ontmoeten, co-educatie deed haar intrede. Vaak hadden deze jeugdtehuizen meer dan 1000 leden. Naast dansinstuiven waren er de hobbyclubs en nergens anders in Europa stond in Vlaanderen de toog vanaf het eerste moment zo centraal.
Uit de jaren zestig jeugdhuizen groeiden er later heel wat nieuwe initiatieven zoals sportclubs, wereldwinkels, vormingscentra,... Het meest gekend zijn Hades (Hasselt) en Foyer (Brussel)
Vanaf 1961 steeg het aantal jeugdtehuizen fors. Ze werden toen immers voor het eerst erkend en gesubsidieerd door de Nationale Dienst voor de Jeugd. Men sprak toen van jeugdtehuizen want het waren vooral volwassenen die verantwoordelijk waren. Opvallend was dat vooral de socialistische en liberale jeugdtehuizen erg snel een erkenning kregen. De katholieke jeugdtehuizen deden er vaak jaren over omdat men binnen de parochies vond dat men zelf best de doelstellingen van het jeugdhuis kon bepalen en dat dit niet in ‘Brussel’ moest gebeuren. De invoering van de eerste serieuze personeelstoelagen (Permanent Verantwoordelijken of PV) deed parochies bijdraaien. In die tijd was er voor elk ideologie een federatie of koepel. Onder meer in de Chiro volgde men jeugdhuisinitiatieven met veel interesse op vanaf 1961. Een van de eersten die hier werk van maakten was Jef Vanden Audenaarde (4 september 1937 - 19 augustus 2005) en zo ontstond Jongerengemeenschappen. Hij was zo doordrongen van de jeugdhuizen dat hij ook mee aan de wieg stond van een algemene federatie van jeugdhuizen, over de zuilen heen. Het was de Katholieke jeugdraad die eind 1962 het initiatief nam. Er was op dat moment veel beweging in de katholieke kerk, op 11 oktober 1962 startte het tweede Vaticaans concilie.
Op de commissie jeugdhuizen (7 mei 1963) en op de stage van Wemmel van 1963 werd hieraan verder gewerkt. Deze Algemene Federatie van Clubhuizen (later de "Vlaamse Federatie van Jeugdhuizen" of VFJ), werd na meer dan twee jaar discussie op 25 september 1965 een autonome vzw.
Jef Vanden Audenaarde zou in 1970 voorzitter worden van de VFJ en Mevr. Demeure opvolgen welke een YWCA-stempel had. Binnen het Socialistisch Jeugdverbond ontstond de Socialistische Federatie van Jeugdtehuizen, later werd dit de SFPOJW (Socialistische Federatie Plaatselijk Open Jongerenwerk). Daarnaast ontstond ook binnen de Federatie Liberale Jeugd de jeugdhuisfederatie, Liberale Federatie van Jeugdhuizen (later: JeF vzw). Het doel van de verzuilde jeugdhuizen, en vooral bij de katholieke, was ‘de jongeren van de straat houden' en hen een opvoedende ontspanning bieden. Er was sprake van ‘straatjeugd’ en ‘ongrijpbare jeugd’.
In die tijd had je ook, vooral in steden, de zogenaamde neutrale jeugdhuizen. Zij richten zich meer naar ‘jongeren uit de minst geïntegreerde gezinnen’, meestal niet bereikt door jeugdbewegingen.
Investeren in bakstenen Einde jaren zestig werden onder impuls van Frans Van Mechelen (Minister van Nederlandse Cultuur van 1968 tot 1972) vele Vlaamse cultuurcentra uitgebouwd. Wat echter niet in archieven bewaard gebleven is, is dat diezelfde Minister ervoor zorgde dat er met restmiddelen er een tiental jeugdhuizen gebouwd werden in Vlaanderen en Brussel. In Brussel moesten 3 jeugdhuizen de Vlaamse aanwezigheid in Brussel sterker accentueren. Een van de jeugdhuizen die nog bestaan was jeugdhuis De Rivieren (nu jeugdhuis Tongeluk) in Ganshoren. Oud-eerste Minister Jean-Luc Dehaene was er een van de stichtende leden, maar ook erg actief was Jan Béghin (later eerste schepen in Ganshoren) en Jari Demeulemeester (later directeur Ancienne Belgique).
In Vlaanderen waren het vaak identieke gebouwen zoals De Spin in Dessel en Aurora in Borgloon. Wellicht was het gebouw van jeugdhuis Aurora het laatste van dit type dat er nog stond begin 2018. Op andere plaatsen kreeg men de middelen om zelf een jeugdhuis te bouwen zoals in Essen.
Jaren 70 Vanaf de jaren 70 werd alles wat losser en minder gestructureerd. Jeugdhuizen werden meer iets ‘voor en door jongeren’. De bottum-up benadering brak definitief door, hierdoor kon het maximale uit medewerkers worden gehaald. Dit zorgde voor meer creativiteit, energie en innovatie. De band tussen JGM en de Chiro werd ook wat losser, in 1975 werd JGM een autonome vzw. Hierdoor werden de eerste stappen van een zuilloos jeugdhuiswerklandschap ingezet. Parochies lieten de jeugdhuizen meer en meer los, nieuwe jeugdhuizen waren meestal erg onafhankelijk en gingen daar prat op.
Toen in 1973, omwille van een grondige evolutie in de samenleving, veroorzaakt door o.a. mei ’68, de leeftijd in de dancingwet terug van 18 jaar op 16 jaar werd gebracht, betekende dit meteen ook het einde aan de sterke bloei van de jeugdhuissector in Vlaanderen. De 16- en 17-jarigen konden immers plots van de ene dag op de andere zonder problemen terecht in een dancing. Vele jeugdhuizen verloren het belangrijkste deel van hun publiek, sommige moesten zelfs de deuren sluiten.
Mede door de economische crisis, veroorzaakt door de oliecrisis in 1973, was er minder aandacht voor “fun” en namen de zuilen geen nieuwe initiatieven meer, hiervoor ontstonden er nog maar weinig nieuwe jeugdhuizen. Een aantal jeugdhuizen, vooral in steden of mijngemeenten, gaan zich richten naar maatschappelijk kwetsbare jongeren, en krijgen einde jaren 70 extra overheidssteun. De crisis en de toenemende jeugdwerkloosheid zorgde er in 1973 tevens voor dat een werkgroep ‘Bijzondere methodieken’ werd opgericht, zij brachten jeugdhuizen samen die werkten met een kansarm publiek. Jeugdhuizen uit Antwerpen, Gent, Sint-Niklaas, Oostende, Maasmechelen, Tielt, Mechelen en Leuven namen hieraan deel.
Op de Stage van Dworp in 1979 (VFJ) werd het idee gelanceerd om de weddetoelage (75%) op te trekken naar 95%, te beginnen met de jeugdhuizen die in een urgentiesituatie zitten. Later kon dit experiment binnen de ‘kansarme’ jeugdhuizen dan open getrokken worden naar alle jeugdhuizen. Hierdoor kregen kansarme jeugdhuizen (vooral in de steden en het mijngebied) begin jaren 80 de kans om twee beroepskrachten aan te werven aan een gegarandeerde subsidie van 95%. De andere jeugdhuizen kregen 75%, indien de budgetten toereikend waren.
De bestaande jeugdhuizen bleven, ondanks verlies van een deel van hun publiek, het redelijk goed doen omdat vooral de jeugdbewegingen het erg moeilijk hadden om hun oudere leden te behouden. Nieuwe jeugdhuizen wilden superonafhankelijk zijn en verkozen meestal een hoge huurprijs te betalen op de particuliere huurmarkt of bij de brouwer. Dit konden de meesten slechts enkele jaren volhouden.
De tweede helft van de jaren 70 waren woelige jaren met o.a. de fel gecontesteerde legeraankopen van Vanden Boeynants, de bouw van kerncentrales, de rapporten van de Club van Rome die leidde tot een groter milieubewustzijn en meer regionale acties zoals de protesten tegen de A24. Het was de tijd van vele scholieren- en-studentenbetogingen. Het liet ook de jeugdhuizen niet onberoerd, nieuwe jeugdhuizen waren erg actiegericht en erg maatschappijkritisch. Het was de tijd dat de Wereldwinkels ontstonden en jeugdhuizen hierop gingen inzetten of ze sloten aan bij het gemeentelijke 11-11-11-comité. In dit klimaat zorgde de jeugdhuissector in vele regio’s voor het ontstaan van de vredesbeweging die vooral begin jaren 80 massa’s jongeren op de been bracht. Deze sterke focus op actie zorgde ervoor dat vanaf 1985 jeugdhuizen ook de functie ‘actie’ konden kiezen (naast klassieke functies als ontmoeting, recreatie en vorming).
Vanaf einde jaren 70 gingen jeugdhuizen massaler inzetten op muziekculturen. Het waren de jaren van de punk en new wave. Vooral de punk (Sex Pistols en doorbraak punk dankzij The Ramones) zorgde ervoor dat vele jongeren beseften dat je helemaal geen muziekschool moest gevolgd hebben om muziek te spelen. In dit klimaat ontstonden in België plots heel wat bands, later de Belpopperiode genoemd. The Kids (met Ludo Mariman – in de jaren 90 nog lang actief binnen de VFJ-Rockshop) zorgde voor de kentering in veel Vlaamse dorpen. Tijdens de eerste jaren moesten deze bands het hebben van jeugdhuispodia (vrije podia), de mainstreammedia pikte dit verschijnsel immers niet op. Dankzij jeugdhuizen, de eerste illegale vrije radio’s en Jazz Bilzen kregen deze jonge groepen airplay. Het amateurisme en anarchisme van groepen, jeugdhuizen en vrije radio’s sloot perfect op elkaar aan. In vele gemeenten kregen jeugdhuizen hierdoor een serieuze boost, bijna elk jeugdhuis wilde, na het succes van Jazz Bilzen, een eigen festival. Dankzij het succes van Humo’s Rock Rally en vooral het ASLK-verzamelalbum Get Sprouts in 1980 (met Marcel Vanthilt en Gust De Coster), met muziek van Belgische pop- en rockgroepen, gingen groepen stilaan professioneler werken en werden ze voor vele jeugdhuizen onbetaalbaar. In de jeugdhuizen zelf zorgde een mix aan jongerenculturen voor felle discussies over de muziekkeuzes.
Jaren 80 Door de hoge jeugdwerkloosheid begin jaren 80, veroorzaakt door de economische crisis in de jaren 70, kwamen er nieuwe jobs in jeugdhuizen. Via allerlei nieuwe tewerkstellingsmaatregelen (BTK en later DAC) werden extra jobs in het leven geroepen. Vooral de DAC-typeprojecten, op het lijf van jeugdhuizen geschreven, zorgden voor een boom van tewerkstelling in regio’s met een hoge graad van jeugdwerkloosheid. De meeste kansarme jeugdhuizen konden hierdoor vier personeelsleden aanwerven.
De gegarandeerde weddetoelage van 95% voor 2 personeelsleden in kansarme jeugdhuizen zorgde voor een sterke groei van deze groep. Het gevolg van het solidariteitsprincipe was een daling van de weddetoelage in de gewone jeugdhuizen, i.p.v. de maximale 75%, kregen zij de volgende jaren steeds een kleinere weddetoelage (nog slechts 64% in 1993). De druk op de basissubsidie omwille van stijgende weddetoelagen zorgde voor een aanwervingsstop binnen de kansarme jeugdhuizen waardoor nieuwe jeugdhuizen geen tweede beroepskracht konden aanwerven. Dit zorgde binnen de VFJ in 1984 voor een schisma tussen kansarme jeugdhuizen en gewone jeugdhuizen. De kansarme jeugdhuizen vonden dat de VFJ haar belangen onvoldoende kon verdedigen en besloten dit te laten doen door PKJ (Project Kansarme Jeugd – later Uit De Marge). De meeste jeugdhuizen bleven wel lid van de VFJ. In Limburg gebeurde hetzelfde, vanuit Wereldscholen (met priester-stichter Jef Ulburghs) en Vorming Tot Bevrijding werden de kansarme jeugdhuizen ondersteund en kwam de ‘Werkgroep Tweede Generatie’ tot stand, later werd dit CMGJ.