thumb|Lucia de Berk De zaak-Lucia de Berk betreft een geruchtmakende justitiële dwaling in de rechtszaak tegen de kinderverpleegkundige Lucia de Berk (Den Haag, 22 september 1961 – 28 augustus 2025), die beschuldigd werd van meerdere moorden. De Berk werd in maart 2003 door de rechtbank in Den Haag veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf en tbs; een vonnis dat in hoger beroep en in cassatie werd gewijzigd in levenslange gevangenisstraf zonder tbs, omdat deze twee straffen niet samen kunnen worden opgelegd. Op aanwijzing van de Hoge Raad werd de zaak begin 2009 heropend bij het Arnhemse gerechtshof. Ruim een jaar later stelde dit hof vast dat de veroordeling een justitiële dwaling was geweest en werd de verpleegkundige vrijgesproken. De zaak-De Berk geldt inmiddels als een schoolvoorbeeld van de gevaren van het gebruik van statistische kansberekening in het strafprocesrecht.
Verloop van de zaak en twijfels De Berk werd in eerste instantie verantwoordelijk gehouden voor vijf moorden en twee pogingen tot moordDe "moorden" Metta de Noo op ziekenhuispatiënten die aan haar zorg waren toevertrouwd. In juni 2004 veroordeelde het gerechtshof in Den Haag haar in hoger beroep voor zeven moorden en drie pogingen tot moord tot levenslang en tbs. Omdat levenslange gevangenisstraf in Nederland echt levenslang is (en dus geen perspectief biedt op terugkeer in de samenleving) en terbeschikkingstelling een maatregel (geen straf) is die juist wel gericht is op terugkeer in de samenleving, oordeelde de Hoge Raad in cassatie dat deze combinatie niet mogelijk is. De zaak werd verwezen naar het gerechtshof Amsterdam. Dit hof moest uitgaan van de eerdere bewezenverklaring en mocht alleen nog over strafbaarheid en strafmaat oordelen. Het legde op 13 juli 2006 een levenslange gevangenisstraf op.
De veroordeling van Lucia de Berk was volgens de verpleeghuisarts Metta de Noo en haar broers, wetenschapstheoreticus Ton Derksen en leraar economie Bram Derksen, een justitiële dwaling. Deze klokkenluiders gingen in december 2005 met hun onderzoeksanalyse naar de media. Een groeiende groep wetenschappers ondersteunde hun onderzoek en betoogde dat de door justitie gehanteerde onderzoeksmethoden niet wetenschappelijk verantwoord waren. Ton Derksen diende in augustus 2006 een verzoek in bij de commissie-Buruma voor toelating tot de Commissie evaluatie afgesloten strafzaken (CEAS). Dit leidde tot hernieuwd justitieel onderzoek. De achtereenvolgende onderzoekscommissies van professor Buruma, CEAS-Grimbergen, advocaat-generaal Knigge en de Hoge Raad concludeerden dat er tijdens de rechtsgang sprake was geweest van ernstige tekortkomingen.
Het hoofdbewijs – de digoxinevergiftiging – bleek inmiddels niet langer houdbaar te zijn. Het desbetreffende kindje is volgens het onderzoek van Knigge en de Hoge Raad op een natuurlijke wijze overleden. Verder sprak uit het onderzoek van de Hoge Raad ernstige twijfel over de bewijsvoering in de andere ten laste gelegde zaken. Deze waren door het Haagse Hof via een zogeheten schakelbewijs aan de digoxine-vergiftigingszaak gekoppeld.
Op 7 oktober 2008 heropende de Hoge Raad de zaak Lucia de Berk. De zaak werd verwezen naar het Gerechtshof Arnhem. Op 17 maart 2010 werd door het Openbaar Ministerie vrijspraak geëist voor alle haar ten laste gelegde levensdelicten en de pogingen daartoe.OM eist vrijspraak Lucia de B., NU.nl, 17 maart 2010 Op 14 april 2010 sprak het gerechtshof De Berk definitief vrij van moord en poging tot moord.Lucia de B. vrijgesproken van moorden "In alle gevallen kan men spreken van natuurlijk overlijden", aldus de uitspraak.
De zaak-Lucia de Berk Naar aanleiding van het overlijden van een baby in het Juliana Kinderziekenhuis (JKZ) in Den Haag werd op 4 september 2001 aangifte gedaan van een mogelijk onnatuurlijke dood. De aanwezigheid van De Berk bij het sterven van het kindje werd als verdacht aangemerkt. Zij zou opvallend vaak in de buurt zijn geweest van sterfgevallen en reanimaties. Er deden in het ziekenhuis vreemde verhalen over haar de ronde.
De directeur van het JKZ, Paul Smits, maakte op 11 september tijdens een persconferentie (o.a. uitgezonden op Radio West) bekend dat een verpleegkundige betrokken was bij meerdere verdachte sterfgevallen en reanimaties. Hij betuigde daarbij nadrukkelijk zijn deelneming aan de nabestaanden en aan het ziekenhuispersoneel. Op 17 september deed het ziekenhuis zelf officieel aangifte (en dus niet de ouders). Het onderzoek van de medische dossiers door het ziekenhuis leidde tot de conclusie dat er in de periode van september 2000 tot september 2001 negen overlijdens en reanimatieincidenten hadden plaatsgevonden, die onverwacht en medisch onverklaarbaar waren. Lucia de Berk was daarbij steeds in de buurt geweest. Ook in de andere ziekenhuizen, waarin De Berk vanaf 1997 als verpleegkundige werkzaam was geweest, werd onderzoek gedaan naar sterfgevallen die mogelijk onverklaarbaar waren. Het Leyenburg Ziekenhuis, het Rode Kruis Ziekenhuis en PEN-ziekenhuis kwamen elk met een lijst met verdachte sterfgevallen tijdens de diensten van De Berk. Het totale onderzoek betrof aanvankelijk dertig sterfgevallen en incidenten. Al vrij snel kwamen de meeste daarvan te vervallen. Voor alle sterfgevallen was ten tijde van het overlijden een verklaring van natuurlijke dood getekend. Van de incidenten was geen melding gedaan.
Op 5 september begonnen de verhoren en het onderzoek. De Berk werd direct de toegang tot het ziekenhuis ontzegd. In de snel daarop volgende ontslagzaak van het ziekenhuis tegen De Berk getuigden veertien verpleegkundigen en artsen dat De Berk een goede en prettige collega was. In het functioneringsgesprek van augustus 2001 werd gesproken van een goed teamlid, kundig en betrokken in haar werk. De rechter oordeelde dat het ziekenhuis 100.000 gulden aan De Berk diende te betalen in het geval dat ze onschuldig bleek te zijn. Op advies van haar advocaat beriep zij zich tijdens alle politieverhoren op haar zwijgrecht. Psycholoog Leo Ligthart noemde Lucia in deze vroege fase van het politieonderzoek zonder enig onderzoek en nog vóór een observatie in het Pieter Baan Centrum, een "klassieke psychopaat".
Het JKZ maakte de voorlopige berekening dat De Berk een kans van 1 op 7 miljard had, zó vaak toevalligerwijze betrokken te zijn geweest bij een sterfgeval en/of incident. Met dit uitgangspunt dat zij niet toevallig aanwezig was geweest bij zo veel onverklaarbare sterfgevallen, werd door de politie het onderzoek gestart. De familie van De Berk heeft later verklaard zich door de politie overvallen te hebben gevoeld. Met name haar moeder en zus stelden dat de politie gebruik heeft gemaakt van de ruzieachtige sfeer in de familie om negatieve verklaringen over De Berk te verkrijgen.
Begin jaren '70, toen het gezin De Berk nog samen in Canada woonde, is het huis van de familie afgebrand. De Canadese politie maakte rapport op en stelde dat de oorzaak kortsluiting was. Lucia de Berk was ten tijde van de brand niet thuis. Door het (Nederlandse) OM werd zij in 2001 opeens als potentieel verdachte van brandstichting beschouwd. Nederlandse rechercheurs reisden af naar Canada om De Berks verleden te onderzoeken. Door een Amerikaanse deskundige op het gebied van "serial killers" (Brantley) werd de brand gezien als passend bij het profiel van De Berk als seriemoordenares.
De politie arresteerde De Berk op 13 december 2001, terwijl ze aan het sterfbed van haar opa zat. Ze had een hechte band met haar grootouders. Zij verpleegde haar opa al langere tijd. Toen de politie bij het afluisteren van De Berks telefoon iets over het geven van een medicijn had gehoord, besloot men om haar onmiddellijk te arresteren. Haar verzuchting: "Waarom mag ik dit niet afmaken?", werd door de rechercheurs uitgelegd als een verklaring dat zij haar opa ook had willen vermoorden. De familie heeft de arrestatie met veel politie als traumatisch ervaren.
Rechtbank: levenslang Op 24 maart 2003 werd De Berk door de rechtbank in Den Haag veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf voor de moord op vier patiënten en pogingen tot moord op drie patiënten. Bij de uitspraak werd een waarschijnlijkheidsberekening gebruikt, die leek uit te wijzen dat er een kans van 1 op 342 miljoen bestaat dat een verpleegkundige bij zoveel van de overlijdensgevallen dan wel reanimatie-incidenten betrokken is. De Berk werd echter alleen veroordeeld voor gevallen waarbij ander bewijs aanwezig zou zijn of waarin geen medische oorzaak het incident kon verklaren (preciezer: geen expert gevonden kon worden die dat wilde verklaren).
Hoger beroep: levenslang en tbs In hoger beroep op 18 juni 2004 werd De Berk schuldig verklaard aan zeven moorden en drie pogingen tot moord in drie Haagse ziekenhuizen: het Juliana Kinderziekenhuis, het Rode Kruis Ziekenhuis en het Leyenburg Ziekenhuis, waar zij eerder werkte. In twee gevallen achtte het hof bewezen dat De Berk de patiënten had vergiftigd. Met betrekking tot de andere gevallen oordeelden de rechters van het hof dat ze alleen konden worden verklaard door een door De Berk veroorzaakt misdrijf. Zij kreeg in hoger beroep niet alleen levenslang opgelegd, maar ook tbs met dwangverpleging, hetgeen een ongebruikelijke combinatie was. Het gerechtshof achtte de straf echter noodzakelijk gezien de mogelijkheid van een toekomstige gratieverlening.
Het bewijs Het gerechtshof motiveerde zijn beslissing uitgebreid. Tijdens de behandeling van het hoger beroep werden vele deskundigen gehoord, ook deskundigen die waren aangedragen door de verdediging. De uiteindelijke veroordeling was met name gebaseerd op de deskundige verklaring van professor F.A. de Wolff dat het eerste slachtoffer was overleden als gevolg van een niet-therapeutische toediening van digoxine. De Wolff was als deskundige gehoord op verzoek van de verdediging.
Door deze verklaring stond voor het Hof vast dat ten minste het overlijden van dit slachtoffer het gevolg was van een misdrijf. Dat was de belangrijkste schakel voor de andere negen zaken. De tweede schakel vond het Hof in het dagboek van De Berk.
Cassatie en verwijzing Tegen de uitspraak van het gerechtshof ging De Berk in cassatie. De Hoge Raad besliste op 14 maart 2006 dat de combinatie van levenslange gevangenisstraf en tbs niet mogelijk was. Alle andere klachten, waaronder die over de bewijsvoering, werden verworpen. Enkele dagen na deze uitspraak werd De Berk getroffen door een herseninfarct en opgenomen in het ziekenhuis van de Scheveningse gevangenis.
Op 13 juli 2006 werd De Berk door het Gerechtshof Amsterdam opnieuw tot levenslang veroordeeld, zonder tbs.
CEAS: herziening Filosoof en hoogleraar Ton Derksen diende een verzoek in om de zaak voor nader onderzoek aan te bieden bij de commissie-Posthumus II. Deze commissie onderzoekt afgesloten rechtszaken om te kijken of er geen sprake is van gerechtelijke dwalingen. De aanleiding hiervoor was dat de medisch deskundigen die tijdens de rechtszaak een natuurlijke oorzaak bij de bewezen gevallen uitsloten, niet over alle relevante informatie hebben beschikt, zoals het rapport dat twee jaar bij het NFI heeft gelegen. Dit verzoek werd toegekend op 19 oktober 2006 door de Toegangscommissie van de Commissie evaluatie afgesloten strafzaken (CEAS, Posthumus II).Toegangscommissie, Openbaar Ministerie, 19 oktober 2006NOS, NOS journaal, 19 oktober 2006 De commissie-Posthumus II zou vooral gaan kijken naar twee kwesties: Of in de tijd dat Lucia de B. bij de verschillende ziekenhuizen werkte er meer onverklaarbare sterfgevallen waren waar Lucia de B. niet bij aanwezig was en of de rechters daarvan op de hoogte zijn gebracht. Of de getuige-deskundigen op de hoogte waren van alle detailsGetuige uit twijfel, NRC, 7 oktober 2006 omtrent de doodsoorzaken van de verschillende slachtoffers.